Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9816

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
0500374
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI9829, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen staat vast dat [appellant] ten tijde van het aanbod aan [de verkoper] bij brief van 2 september 1992 niet beschikte over een schriftelijke volmacht van [geïntimeerde 1]. Ook staat vast dat [geïntimeerde 1] nadien - medio oktober 1992 - op verzoek van [appellant] de hiervoor onder 3.8 vermelde boedelvolmacht heeft ondertekend. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die boedelvolmacht geen volmacht impliceerde om de boerderij aan [de verkoper] aan te bieden. Het mag zo zijn dat de inhoud van de boedelvolmacht gelet op de tekst daarvan als "ruim" valt te kwalificeren en onder meer inhield een machtiging om [geïntimeerde 1] ter zake van de nalatenschap van [de koper] te vertegenwoordigen en te dien einde "roerende en onroerende goederen en zaken te verkopen en te leveren", waar het echter om gaat is of [appellant], hetgeen de Erven hebben bestreden, die boedelvolmacht heeft kunnen en mogen opvatten als een tot hem gerichte verklaring van [geïntimeerde 1] die (mede) de strekking had - achteraf - aan hem de bevoegdheid te verlenen om namens [geïntimeerde 1] het onderwerpelijke aanbod aan [de verkoper] te doen.

De in de vorige rechtsoverweging gestelde vraag moet naar het oordeel van het hof reeds ontkennend worden beantwoord, omdat [appellant] zelf die boedelvolmacht destijds en ook in de maanden daarna kennelijk niet als zodanig heeft beschouwd. Het hof leidt dat af uit de hiervoor onder 3.12 en 3.13 geciteerde passages [..]. Bovendien maakt [appellant] er in die beide brieven op geen enkele wijze melding van dat hij zijn bevoegdheid om (mede) namens [geïntimeerde 1] het onderhavige aanbod aan [de verkoper] te doen, zij het achteraf, kon ontlenen aan de door [geïntimeerde 1] ondertekende boedelvolmacht, althans mocht menen dat te hebben kunnen doen. Het had voor de hand gelegen dat [appellant], jurist en notaris, daarvan toen wel melding zou hebben gemaakt indien hij van mening zou zijn geweest dat de boedelvolmacht als een instemming van [geïntimeerde 1] met dat aanbod mocht worden beschouwd, te meer nu het betreft correspondentie met (voormalige) advocaten van [de verkoper], die geconfronteerd werd met het standpunt van [geïntimeerde 1] dat hij [appellant] opdracht noch machtiging had gegeven om namens hem de boerderij aan haar aan te bieden. Daarbij komt dan nog dat [appellant] er blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 juni 2004 vanuit ging dat de volmacht in kwestie niet inhield dat hij gemachtigd was om een onroerende zaak te verkopen en te leveren. Het hof deelt derhalve niet de mening van [appellant] dat de rechtbank zijn getuigenverklaring op het punt van de boedelvolmacht onjuist heeft geïnterpreteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 5 december 2007

Rolnummer 0500374

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats en -gemeente appellant]

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr. J.H. Delhaas, advocaat te Amsterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te Lemmer,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te Groningen,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te Veenendaal,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: de Erven,

procureur: mr. H.A. van Beilen,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 11 juni 2003, 3 maart 2004 en 16 maart 2005 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 13 juni 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de voormelde vonnissen van 3 maart 2004 en 16 maart 2005 met dagvaarding van de Erven tegen de zitting van 10 augustus 2005.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"1. te vernietigen de vonnissen waarvan beroep, voorzover gewezen tussen oud-notaris [appellant] enerzijds en [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] anderzijds;

2. alsnog af te wijzen de vorderingen van [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3];

3. [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] te veroordelen al hetgeen de oud-notaris ter uitvoering van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis waarvan beroep aan [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] heeft voldaan aan de oud-notaris terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

4. [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] te veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen en daarbij geconcludeerd overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding.

Bij memorie van antwoord, voorzien van producties, is door de Erven verweer gevoerd met als conclusie:

"om - zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden - het beroep van appellant niet ontvankelijk althans ongegrond te verklaren en de vonnissen van de Rechtbank te Leeuwarden van 3 maart 2004 en 16 maart 2005 te bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten, waarbij pleitnota's zijn overgelegd.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.8) van het vonnis van 3 maart 2004 heeft de rechtbank vaststaande feiten weergegeven. Tegen de feitelijke juistheid van die weergave is als zodanig geen grief gericht of anderszins bezwaar gemaakt, zodat ook in hoger beroep van bedoelde feiten zal worden uitgegaan.

2. Voor zover de laatste volzin van punt 2.1 van de memorie van grieven de klacht mocht bevatten dat de weergave van de vaststaande feiten door de rechtbank onvolledig is geweest, merkt het hof op dat geen rechtsregel de rechter verplicht opgaaf te doen van alle gestelde en door de wederpartij niet weersproken feiten. Voldoende is immers dat de rechter bij zijn rechtsoordelen en beslissingen uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die feiten selecteert die hem voor de beoordeling relevant voorkomen en daarvan in zijn uitspraak doet blijken. Voor het geval de strekking van de bedoelde volzin zou zijn dat de rechtbank onvoldoende gewicht aan een of meer (vaststaande) feiten heeft toegekend, komt dat hierna voor zover relevant nog aan de orde.

3. Met inachtneming van het voorgaande gaat het in dit geding om het volgende, waarbij het hof de door de rechtbank vastgestelde feiten zal aanvullen met enige feiten die in hoger beroep ook als vaststaand kunnen worden beschouwd.

3.1. Op 11 juli 1980 heeft [de koper], de rechtsvoorganger onder algemene titel van de Erven, van [de verkoper] (verder: [de verkoper]) krachtens koopovereenkomst geleverd gekregen de boerderij met grond en bijbehorende opstallen aan de [adres] (verder: de boerderij). In artikel 7 van de transportakte d.d. 11 juli 1980 (prod. 1 bij de inleidende dagvaarding) is onder meer het volgende opgenomen:

"7.a. Het is de koper verboden het bij deze akte verkregen onroerend goed (...) zonder schriftelijke toestemming van de verkoopster geheel of ten dele te vervreemden of in zakelijk genotsrecht af te staan, zonder dat onroerend goed aan de verkoopster schriftelijk in koop aan te bieden en haar gedurende dertig dagen daarna in de gelegenheid te stellen dit aanbod schriftelijk te aanvaarden.

b. De koopprijs wordt alsdan vastgesteld door drie deskundigen door partijen wederzijds één te benoemen en de derde door de twee aldus benoemde deskundigen; (...).

(...)

g. De verplichtingen van de koper zullen overgaan op zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel

...."

3.2. [de koper] is [in] 1992 overleden. Daarna is [appellant], destijds notaris te [vestigingsplaats], ingeschakeld ter afwikkeling van zijn nalatenschap.

3.3. Bij brief van 27 augustus 1992 (prod. 5 bij de inleidende dagvaarding) heeft [appellant] de boerderij aan [de verkoper] te koop aangeboden.

3.4. Hierop heeft [de verkoper] bij brief van 31 augustus 1992 (prod. 6 bij de inleidende dagvaarding) [appellant] onder meer geschreven dat wanneer de Erven besluiten over te gaan tot verkoop van de boerderij, zij dit per aangetekende brief aan haar kenbaar moeten maken en dat zij van de Erven nog niet een dergelijk schrijven heeft ontvangen.

3.5. Vervolgens heeft [appellant] het onder 3.3 genoemde aanbod bij brief van 2 september 1992 (prod. 7 bij de inleidende dagvaarding) als volgt herhaald:

"In vervolg op het telefoongesprek van gisteren bevestig ik, dat ik u als boedelnotaris bij schrijven van 27 augustus 1992 namens [de Erven] meegedeeld heb, dat de erven voornemens zijn het registergoed vermeld in de akte van 11 juli 1980 (...) te verkopen.

In verband daarmee wordt voormeld registergoed u door de erven in koop aangeboden overeenkomstig het gestelde in deze akte. (...)"

3.6. Bij per fax verzonden brief van 24 september 1992 (prod. 10 bij de inleidende dagvaarding) heeft mr. H. Stein, de toenmalige advocaat van [de verkoper], aan [appellant] onder meer bericht:

" Geachte heer [appellant],

Mevrouw [de verkoper] aanvaardt het aanbod tot terugkoop van het perceel [adres], zoals dat perceel op 11 juli 1980 aan [de koper] is overgedragen.

Er zullen thans deskundigen benoemd moeten worden om de koopprijs vast te stellen (...)

Mevrouw [de verkoper] behoudt uiteraard haar bevoegdheid tot niet-medewerking aan het transport overeenkomstig artikel 7 d van de transportakte d.d. 11 juli 1980 voor met de in dat artikellid bedoelde gevolgen.

(...)"

Op 24 september 1992 heeft [appellant] een kopie van deze brief van mr. Stein verzonden naar de Erven.

3.7. Een faxbericht d.d. 6 oktober 1992 van [appellant] aan mr. Stein (prod. 11 bij de inleidende dagvaarding) houdt het volgende in:

"Geachte heer Stein,

Hierbij deel ik u mede dat de heer [geïntimeerde 1] wonende te [woonplaats geïntimeerde 1] zich het recht wil voorbehouden een makelaar/taxateur aan te wijzen.

Hij zou mij hierover vanmiddag berichten.

Zodra ik dit bericht van hem ontvangen heb neem ik contact met U op."

3.8. Medio oktober 1992 is door [geïntimeerde 1] (de geïntimeerde sub 1, verder: [geïntimeerde 1]) een boedelvolmacht (prod. 14 bij de inleidende dagvaarding, tevens prod. 2 bij conclusie van antwoord) getekend. In deze boedelvolmacht is onder meer opgenomen:

"De ondergetekende:

de heer [geïntimeerde 1], (...)

verklaart volmacht te geven aan:

(...)

[appellant], notaris, (...);

zowel tezamen als ieder hunner afzonderlijk;

om hem te vertegenwoordigen ter zake van de nalatenschap van de heer [de koper], (...);

te dien einde (...), roerende en onroerende goederen en zaken te verkopen en te leveren op de wijze, onder voorwaarden en tegen prijzen zoals de gevolmachtigde(n) raadzaam acht(en), (...)."

3.9. In december 1992 hebben drie deskundigen, onder wie een door [geïntimeerde 1] voorgestelde deskundige, een schriftelijk deskundigenrapport uitgebracht, waarbij de waarde van de boerderij met erf is vastgesteld op f 205.000,-- kosten koper.

3.10. Nadat [de verkoper] in een brief van mr. Stein d.d. 28 december 1992 (prod. 16 bij de inleidende dagvaarding) kenbaar had gemaakt de boerderij voor de door de deskundigen vastgestelde prijs te kopen, hebben de Erven geweigerd medewerking te verlenen aan het transport van de boerderij aan [de verkoper].

3.11. Tijdens de behandeling in januari 1993 van een kort geding dat [de verkoper] in verband met deze weigering tegen de Erven aanhangig had gemaakt, heeft [geïntimeerde 1] zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij [appellant] opdracht noch machtiging heeft gegeven om namens hem de boerderij aan [de verkoper] aan te bieden. Naar aanleiding daarvan heeft mr. Stein bij brief van 20 januari 1993 (prod. 28 bij conclusie van antwoord) bij [appellant] geïnformeerd naar diens visie met betrekking tot zijn - [appellant]'s - bevoegdheid om namens alle drie erfgenamen de boerderij aan [de verkoper] ter terugkoop aan te bieden. Voorts schreef mr. Stein [appellant] bij brief van 4 februari 1993 (prod. 19 bij de inleidende dagvaarding):

"Geachte heer [appellant],

Ik zend hierbij een fotocopie van het vonnis, dat de President der Rechtbank te Leeuwarden op 2 februari heeft gewezen.

Ten vervolge op mijn fax-brieven d.d. 20 januari, 28 januari en 1 februari stel ik u in de gelegenheid mij uiterlijk 9 februari a.s. afdoende bewijsstukken te verschaffen, waaruit blijkt dat u van alle drie erfgenamen opdracht of bevoegdheid had het perceel aan mevrouw [de verkoper] aan te bieden. Mocht ik de verzochte bewijsstukken niet uiterlijk9 februari hebben ontvangen, dan moet ik aannemen dat u zonder opdracht of bevoegdheid hebt gehandeld, met alle daaruit voor u persoonlijk voortvloeiende gevolgen. (...)"

3.12. In reactie daarop heeft [appellant] mr. Stein bij brief van 10 februari 1993 (prod. 20 bij de inleidende dagvaarding) onder meer meegedeeld :

"Geachte heer Stein,

In vervolg op uw schrijven dd. 4 februari 1993 deel ik u mede, dat ik mij bewust was van de rechten van mevrouw [de verkoper] en geprobeerd heb in overleg met u te komen tot een reeële taxatie waarbij een eerlijke prijs het resultaat zou zijn.

(...)

Ik ben mij steeds bewust van de beperkingen van het gebruik van volmachten en zeker in deze zaak waar door één der erven een andere notaris was gemachtigd.

(...) Ik wijs nog even op het feit dat het u bekend moet zijn dat de heer [geïntimeerde 1] aan de heer Mr. H.W. Vellinga een volmacht had gegeven.

Ik vond echter dat de zaak voortgang moest vinden en ik daarom de formele weg met mevrouw [de verkoper] verder moest afhandelen teneinde haar rechten te kunnen eerbiedigen.

(...)"

3.13. Bij brief van 21 april 1993 (prod. 21 bij de inleidende dagvaarding) heeft [appellant] aan

mr. G.J. Niezink onder meer geschreven:

"Geachte heer Niezink,

In vervolg op Uw schrijven d.d. 8 april 1993, Uw ref. n2041a.16 inzake: [de verkoper]/erven [de Erven] deel ik U mede, dat ik bezig ben geweest met het nemen van die maatregelen die ik nodig achtte om tot een eventuele verkoop te komen: aan wie dan ook; maar met inachtneming van de rechten van mevrouw [de verkoper].

Het was de heer Mr. H. Stein en mevrouw [de verkoper] heel goed bekend, dat ik geen volmacht van alle erven had, maar dat collega Vellinga destijds volmacht had van één der erven.

Ik had van de overige erven een boedelvolmacht om lopende zaken af te wikkelen.

Dit houdt m.i. niet in het verkopen van onroerend goed.

Dit zou met deze erfgenamen (van wie één een makelaarsdiploma heeft) ook zeker niet gebeuren.

Dat ik niet namens alle erfgenamen kon optreden was aan mij en de heer Stein goed duidelijk. Ik verwijs hiervoor dan ook naar mijn fax aan de heer Stein van 6 oktober 1993 [het hof leest: 1992].

Pas omstreeks 20 oktober 1993 [het hof leest: 1992] kreeg ik een volmacht van de heer [geïntimeerde 1].

(...)"

3.14. Bij vonnis van 17 maart 2000 heeft de rechtbank Groningen in een bodemprocedure de Erven op vordering van [de verkoper] geboden mee te werken aan de transportakte strekkende tot levering van de boerderij met erf aan haar. In het vonnis oordeelde de rechtbank dat [geïntimeerde 1] de schijn heeft gewekt dat [appellant] ook namens hem het aanbod tot terugkoop aan [de verkoper] heeft gedaan. Dit hof heeft bij arrest van 12 september 2001 het vonnis van 17 maart 2000 bekrachtigd.

De vordering en de beslissingen in eerste aanleg

4. In eerste aanleg hebben de Erven gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is gekomen in zijn verplichting jegens hen, en dat hij aansprakelijk is voor alle schade die zij dientengevolge hebben geleden en nog zullen lijden, als ook hem te veroordelen tot betaling aan hen van al datgeen waartoe zij in de procedures tussen hen en [de verkoper] zijn en nog worden veroordeeld, althans de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met zijn veroordeling in de kosten van de procedure.

4.1. Bij het tussenvonnis van 3 maart 2004 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 1] aan hem een volmacht heeft verstrekt tot het ter verkoop aanbieden van de boerderij aan [de verkoper] dan wel dat [geïntimeerde 1] heeft ingestemd met het aanbod tot verkoop van de boerderij aan [de verkoper].

4.2. Na in het eindvonnis van 16 maart 2005 te hebben geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in de bewijslevering en te hebben geconcludeerd dat hij zonder volmacht van [geïntimeerde 1] en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Erven, heeft de rechtbank in het dictum van dat vonnis voor recht verklaard dat [appellant] jegens de Erven onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij dientengevolge aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door de Erven geleden en nog te lijden schade. Voorts heeft de rechtbank [appellant] daarbij - een en ander uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld tot voldoening van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en tot betaling van de proceskosten, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

De grieven

5. Met grief 1 wordt betoogd dat de bewijsopdracht in het dictum van het vonnis van 3 maart 2004 ten onrechte is verstrekt, omdat de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in de toelichting op de grief, tot het oordeel had moeten komen dat [geïntimeerde 1] met het aanbod aan [de verkoper] heeft ingestemd, althans voorshands aannemelijk had moeten achten dat hij die toestemming heeft gegeven.

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, vervat in rechtsoverweging 3.3 van het vonnis d.d. 3 maart 2004 en rechtsoverweging 4 van het vonnis d.d. 16 maart 2005, dat de door [geïntimeerde 1] in oktober 1992 ondertekende boedelvolmacht geen volmacht impliceerde om de boerderij aan [de verkoper] aan te bieden.

Met grief 3 wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank, vervat in rechtsoverweging 3.3 van het vonnis d.d. 3 maart 2004 en rechtsoverweging 4 van het vonnis d.d. 16 maart 2005, dat de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] zijn medewerking heeft verleend aan de benoeming van deskundigen geen bewijs oplevert van de instemming van [geïntimeerde 1] met het aanbod tot verkoop van de boerderij aan [de verkoper].

Grief 4 betreft het oordeel van de rechtbank dat [appellant] (ook) jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] onrechtmatig heeft gehandeld.

Met grief 5 wordt bestreden de conclusie van de rechtbank, vervat in rechtsoverweging 4 van het vonnis d.d. 16 maart 2005, dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

Grief 6 is gericht tegen rechtsoverweging 5 en het dictum van het vonnis van 16 maart 2005, voor zover het gaat om het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zonder volmacht van [geïntimeerde 1] en daarmee zowel jegens [geïntimeerde 1] als jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] onrechtmatig heeft gehandeld.

Met betrekking tot grief 1

6. In rechtsoverweging 3.2 van het tussenvonnis van 3 maart 2004 ligt onder meer besloten het oordeel van de rechtbank dat op [appellant] de bewijslast en daarmee het bewijsrisico rust van zijn stellingname - samengevat - dat hij van [geïntimeerde 1] een volmacht heeft gekregen tot het ter verkoop aanbieden van de boerderij aan [de verkoper] dan wel dat [geïntimeerde 1] met dat aanbod heeft ingestemd. Het hof verenigt zich met dit oordeel dat als zodanig niet, althans niet met inhoudelijke argumenten, is bestreden en neemt dat over. Op de feiten en omstandigheden die in de toelichting op de grief zijn aangevoerd, zal het hof voor zover relevant hierna nog terugkomen.

Met betrekking tot grief 2

7. De grief heeft de strekking te betogen dat het ter verkoop aanbieden van de boerderij aan [de verkoper] wel viel onder de inhoud van de boedelvolmacht die [geïntimeerde 1] in oktober 1992 heeft ondertekend. Volgens [appellant] zou uit de inhoud van die volmacht blijken dat hij was belast met de afwikkeling van de nalatenschap en zou hij krachtens deze last overeenkomstig de terugkoopregeling in de akte van levering van 1980 de boerderij aan [de verkoper] hebben aangeboden. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

8. Tussen partijen staat vast dat [appellant] ten tijde van het aanbod aan [de verkoper] bij brief van 2 september 1992 niet beschikte over een schriftelijke volmacht van [geïntimeerde 1]. Ook staat vast dat [geïntimeerde 1] nadien - medio oktober 1992 - op verzoek van [appellant] de hiervoor onder 3.8 vermelde boedelvolmacht heeft ondertekend. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die boedelvolmacht geen volmacht impliceerde om de boerderij aan [de verkoper] aan te bieden. Het mag zo zijn dat de inhoud van de boedelvolmacht gelet op de tekst daarvan als "ruim" valt te kwalificeren en onder meer inhield een machtiging om [geïntimeerde 1] ter zake van de nalatenschap van [de koper] te vertegenwoordigen en te dien einde "roerende en onroerende goederen en zaken te verkopen en te leveren", waar het echter om gaat is of [appellant], hetgeen de Erven hebben bestreden, die boedelvolmacht heeft kunnen en mogen opvatten als een tot hem gerichte verklaring van [geïntimeerde 1] die (mede) de strekking had - achteraf - aan hem de bevoegdheid te verlenen om namens [geïntimeerde 1] het onderwerpelijke aanbod aan [de verkoper] te doen.

9. De in de vorige rechtsoverweging gestelde vraag moet naar het oordeel van het hof reeds ontkennend worden beantwoord, omdat [appellant] zelf die boedelvolmacht destijds en ook in de maanden daarna kennelijk niet als zodanig heeft beschouwd. Het hof leidt dat af uit de hiervoor onder 3.12 en 3.13 geciteerde passages van de brieven van [appellant] van 10 februari 1993 aan mr. Stein respectievelijk van 21 april 1993 aan mr. Niezink. Bovendien maakt [appellant] er in die beide brieven op geen enkele wijze melding van dat hij zijn bevoegdheid om (mede) namens [geïntimeerde 1] het onderhavige aanbod aan [de verkoper] te doen, zij het achteraf, kon ontlenen aan de door [geïntimeerde 1] ondertekende boedelvolmacht, althans mocht menen dat te hebben kunnen doen. Het had voor de hand gelegen dat [appellant], jurist en notaris, daarvan toen wel melding zou hebben gemaakt indien hij van mening zou zijn geweest dat de boedelvolmacht als een instemming van [geïntimeerde 1] met dat aanbod mocht worden beschouwd, te meer nu het betreft correspondentie met (voormalige) advocaten van [de verkoper], die geconfronteerd werd met het standpunt van [geïntimeerde 1] dat hij [appellant] opdracht noch machtiging had gegeven om namens hem de boerderij aan haar aan te bieden. Daarbij komt dan nog dat [appellant] er blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 juni 2004 vanuit ging dat de volmacht in kwestie niet inhield dat hij gemachtigd was om een onroerende zaak te verkopen en te leveren. Het hof deelt derhalve niet de mening van [appellant] dat de rechtbank zijn getuigenverklaring op het punt van de boedelvolmacht onjuist heeft geïnterpreteerd.

10. De grief faalt.

Met betrekking tot de grieven 1 (nader), 3 en 5

11. De grieven stellen, mede gelet op de daarop gegeven toelichtingen, alle aan de orde de door de rechtbank ontkennend beantwoorde vraag of [geïntimeerde 1] heeft ingestemd met het aanbod aan [de verkoper], gedaan bij brief van 2 september 1992, de boerderij te kopen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

12. [appellant] handhaaft in hoger beroep zijn door de Erven bestreden standpunt dat de feiten en omstandigheden, zoals die in de memorie van grieven onder 3.3 ((i) tot en met (xi)) samengevat zijn weergegeven, in onderling verband bezien tot de conclusie moeten leiden dat [geïntimeerde 1] bekend was met het aanbod aan [de verkoper] en dat hij daarmee heeft ingestemd.

13. Het hof acht het voor de beoordeling van dat standpunt van [appellant] niet van doorslaggevende betekenis of [geïntimeerde 1] ermee bekend was dat aan [de verkoper] een aanbod tot terugkoop van de boerderij was gedaan, maar wel of [geïntimeerde 1] toen hij zijn medewerking verleende aan het benoemen van deskundigen ter bepaling van de prijs van de boerderij ermee bekend was dat dit aanbod mede namens hem was gedaan.

14. Nog daargelaten dat de onder 3.3 van de memorie van grieven gestelde feiten en omstandigheden niet alle als tussen partijen vaststaand kunnen worden aangemerkt, is het hof van oordeel dat die feiten en omstandigheden, ook wanneer deze in onderling verband worden bezien, niet de conclusie rechtvaardigen dat het aan [geïntimeerde 1] bekend was dat mede namens hem een aanbod tot terugkoop van de boerderij aan [de verkoper] was gedaan. In dat verband wijst het hof erop dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] kennis droeg van de inhoud van de brieven van [appellant] aan [de verkoper] van 27 augustus en 2 september 1992 en van de brief van 31 augustus 1992 van [de verkoper] aan [appellant], terwijl uit de hiervoor onder 3.6 vermelde brief van mr. Stein van 24 september 1992 op zichzelf niet kan worden opgemaakt dat [de verkoper] daarbij een namens de Erven, laat staan een mede namens [geïntimeerde 1], gedaan aanbod tot terugkoop aanvaardt.

15. Het hof acht het gelet op hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen heel wel mogelijk dat [geïntimeerde 1], zoals de Erven hebben gesteld, heeft meegewerkt aan de benoeming van deskundigen in de veronderstelling dat dit niet in de weg zou staan aan de mogelijkheid dat hij de boerderij zelf kon kopen (toebedeeld zou kunnen krijgen). Dit brengt mee dat aan de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] heeft meegewerkt aan de benoeming van deskundigen geen bewijs kan worden ontleend voor de door [appellant] gestelde instemming van [geïntimeerde 1] met het aanbod tot verkoop van de boerderij aan [de verkoper].

16. De grieven treffen dan ook geen doel.

Met betrekking tot grief 4

17. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] door zonder volmacht van [geïntimeerde 1] te handelen ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]. De grief bestrijdt dat het handelen van [appellant] onrechtmatig is jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3].

18. Bij de motivering van haar oordeel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5 van het vonnis van 16 maart 2005 tot uitgangspunt genomen dat een notaris pas mag stellen dat hij namens alle erven handelt als hij ook daadwerkelijk door alle erven gevolmachtigd is. Dat uitgangspunt, waarmee het hof zich verenigt, is als zodanig in hoger beroep niet aangevochten.

19. Nu moet worden aangenomen dat [appellant] zonder toereikende volmacht, te weten zonder volmacht van [geïntimeerde 1], namens alle Erven bij brief van 2 september 1992 aan [de verkoper] het aanbod heeft gedaan de boerderij terug te kopen, heeft [appellant] dusdoende ook jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] onrechtmatig gehandeld. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] aan [appellant] toestemming hebben gegeven tot de aanbieding van de boerderij aan [de verkoper], nu gesteld noch gebleken is dat hun toestemming zag op het doen van een aanbod namens twee van de drie erven, zonder dat de derde erfgenaam ([geïntimeerde 1]) met het aanbod instemde. Ook kan daaraan niet afdoen het argument van [appellant] dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] steeds de mogelijkheid hebben gehad hun verplichtingen jegens [de verkoper] na te komen, in die zin dat zij hun aandeel in de eigendom van de boerderij aan [de verkoper] konden overdragen. Gesteld noch gebleken is dat [de verkoper], die op grond van de aanvaarding van het aan haar bij brief van 2 september 1992 gedane aanbod ervan uit mocht gaan dat zij de (gehele) boerderij zou verwerven, genoegen zou hebben willen nemen met een (onverdeeld) aandeel in de eigendom daarvan.

20. De grief faalt.

Met betrekking tot grief 6

21. De grief mist zelfstandige betekenis. Zij behoeft na het voorgaande geen bespreking.

De slotsom

22. De grieven treffen geen doel. Het hof gaat voorbij aan het door [appellant] in hoger beroep gedane bewijsaanbod. De daarin genoemde getuigen [getuige 1], [geïntimeerde 1] en [appellant] zelf zijn in eerste aanleg reeds als getuigen gehoord. [appellant] vermeldt niet wat deze getuigen in appel meer of anders zouden kunnen verklaren of welke andere redenen er zijn om hen opnieuw te horen. Evenmin vermeldt [appellant] wat [getuige 2] als getuige eventueel zou kunnen verklaren omtrent voor de beslechting van dit geschil relevante feiten en omstandigheden. Het hof zal de beide vonnissen waarvan beroep bekrachtigen. Dit brengt mee dat niet toewijsbaar is de vordering, opgenomen onder 3 van het petitum van de dagvaarding in hoger beroep. [appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in appel. Deze kosten zullen voor wat betreft het procureurssalaris worden begroot op 3 punten naar tarief II voor de hoven.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen van 3 maart 2004 en 16 maart 2005, waarvan beroep;

wijst af het in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep onder 3 gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Erven worden begroot op € 291,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 5 december 2007 in bijzijn van de griffier.