Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9617

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
24-002912-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat in dit geval de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van procureurs-generaal d.d. 8 december 2002, Stcrt 2002, 249, reg.nr. 2002A014 niet is nageleefd, dat dit verzuim blijkens de verklaring van [verbalisant] in het aanvullend proces-verbaal d.d. 10 augustus 2006 niet kan worden hersteld en dat er derhalve sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Ingevolge het eerste lid onder b van deze bepaling kan het hof onder meer bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken.

Het tweede lid van artikel 359a Sv bepaalt vervolgens dat het hof bij de toepassing van het eerste lid rekening houdt met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

In aanmerking genomen dat het voorschrift dat de afstand tot de rijlijn in het proces-verbaal wordt vermeld niet de betrouwbaarheid van het meetresultaat op zichzelf aantast en dat de meting in het voordeel van de verdachte werkt naarmate de afstand tot de rijlijn groter is, is het hof van oordeel dat het onderhavige verzuim niet behoeft te leiden tot het uitsluiten van het proces-verbaal van [verbalisant] voornoemd voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het hof ziet evenmin aanleiding aan het verzuim enig ander gevolg te verbinden dan hetgeen ten aanzien van de bewezenverklaring in de hierna volgende bewijsoverweging wordt aangegeven.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 31
JWR 2008/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002912-06

Parketnummer eerste aanleg: 17-540038-06

Arrest van 7 december 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Leeuwarden, zitting houdende te Sneek, van 1 december 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte veroordeelt tot een geldboete van € 264,- subsidiair vijf dagen hechtenis, en vier maanden ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Bewijsverweer

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het bewijs in deze zaak niet op een betrouwbare, zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat verdachte om die reden van hetgeen hem ten laste is gelegd dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is het volgende - kort samengevat - aangevoerd.

In het onderhavige geval is de snelheid van het voertuig van verdachte gemeten met een lasersnelheidsmeter. Weliswaar is het gebruik hiervan blijkens het arrest van de Hoge Raad van 22 augustus 2000, VR 2000, 150, LJN AA6827, als meetmiddel toelaatbaar, maar toch zal de vraag moeten worden beantwoord of dit meetmiddel in dit concrete geval is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen.

De Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van procureurs-generaal d.d. 1 oktober 2006, Stcrt 2006, 175 (het hof leest: 8 december 2002, Stcrt 2002, 249, reg.nr. 2002A014) schrijft imperatief voor dat het proces-verbaal vermeldt wat de afstand tot de rijlijn is geweest en op welke afstand het voertuig is gemeten.

Het proces-verbaal vermeldt de afstand tot de rijlijn in het geheel niet en de verbalisant heeft in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat hij zich gezien het tijdsverloop de afstand tot de rijlijn niet meer kan herinneren.

Indien in het geheel niet meer is vast te stellen of, en zo ja op welke wijze aan de door het OM zelf voorgeschreven wijze van meten (de 1:10 verhouding) is voldaan, kan ook niet worden geoordeeld dat het meetresultaat op een zorgvuldige en betrouwbare wijze tot stand is gekomen. Immers, indien de 1:10 verhouding niet is nageleefd, dan betekent dit dat de meetfout wordt beïnvloed. De stelling van het openbaar ministerie dat het voor verdachte niet uitmaakt hoe er is gemeten, omdat het niet voldoen aan de 1:10 verhouding nimmer in het nadeel van verdachte uitvalt, bevreemdt de verdediging.

De eis van het College van procureurs-generaal in voornoemde Aanwijzing zal er niet voor niets in zijn opgenomen. Het lijkt waarschijnlijk, logisch en aannemelijk dat de eis is opgenomen om een betrouwbare meting te garanderen.

Voorts is aangevoerd dat de verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen haar controlerende functie uit te oefenen indien de afstand tot de rijlijn in het geheel niet bekend is.

Tenslotte heeft de raadsman gewezen op het arrest van het hof d.d. 27 april 2007 (parketnummer 24-000804-06), waarin het hof heeft geoordeeld dat het van belang is dat in ieder geval de afstand tot de rijlijn (expliciet of impliciet) bekend moet zijn en dat de voorwaarden in de Aanwijzing moeten worden nageleefd.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant] d.d. 4 januari 2006 houdt onder meer het volgende in:

"Ik (...) zag/constateerde, dat een persoon als bestuurder van een motorvoertuig, buiten de bebouwde kom, op een als zodanig aangeduide (auto)weg, heeft gereden met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid, met een overschrijding van meer dan 30 km per uur en tot en met 35 km per uur. (...)

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 117 km per uur

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 113 km per uur

(...)

Merk/soort meetmiddel: Laserpatrol.

Meetafstand: 77,6 m.

Afstand tot de rijlijn: ? m.".

In het aanvullend proces-verbaal d.d. 10 augustus 2006 verklaart [verbalisant] voornoemd dat abusievelijk is verzuimd de afstand tot de rijlijn te vermelden en dat hij zich gezien het tijdsverloop de afstand tot de rijlijn niet meer kan herinneren.

Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige J.H. Meijering, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard over de werking van laserapparatuur.

In tegenstelling tot een meting met behulp van radarapparatuur behoeft de laserapparatuur waarmee snelheid wordt gemeten niet onder een bepaalde hoek te worden opgesteld. Dit heeft te maken met de omstandigheid dat bij radarapparatuur in het apparaat zelf een correctie plaats vindt op het gemeten resultaat, waarmee beoogd wordt dat het apparaat de werkelijke snelheid van het gemeten voertuig aangeeft.

Om tot een juist meetresultaat te komen, dient het apparaat dan ook onder de hoek te worden opgesteld waarmee het meetresultaat wordt gecorrigeerd.

In het laserapparaat vindt geen correctie plaats op het door de meting gegenereerde resultaat. Wel is de hoek waaronder wordt gemeten van invloed op de vraag of de gemeten snelheid overeenstemt met de werkelijke snelheid. Naarmate de hoek waaronder wordt gemeten groter is, wordt als gevolg van het zogeheten cosinuseffect de afwijking van de werkelijk gereden snelheid groter. Dat wil zeggen dat de gemeten snelheid lager wordt dan de werkelijk gereden snelheid. Indien recht voor of achter het gemeten voertuig de snelheid wordt gemeten stemt de gemeten snelheid overeen met de werkelijke snelheid. Indien een rijdend voertuig onder een hoek van 90 graden wordt gemeten, is het meetresultaat nul km per uur.

De zogeheten 1:10 verhouding houdt in dat de meetafstand tussen het laserapparaat en het voertuig tenminste tien keer de afstand laserapparaat-rijlijn moet zijn. Wanneer die verhouding in acht wordt genomen meet het apparaat minimaal een fractie van 0.9950 van de werkelijke snelheid. Dat wil zeggen dat de gemeten snelheid maximaal 0,5% afwijkt van de werkelijk gereden snelheid.

Voorts geeft het apparaat slechts dan een meetresultaat indien de bedienaar er in slaagt de laser op het te meten voertuig "vast te zetten" en het apparaat voldoende pulsen terug ontvangt.

In het appelschriftuur heeft de officier van officier van justitie erop gewezen dat het vanuit het oogpunt van het Openbaar Ministerie wenselijk is dat de gemeten snelheid zoveel mogelijk de werkelijk gereden snelheid weergeeft en dat slechts om die reden in meergenoemde Aanwijzing is opgenomen het voorschrift dat de afstand tot de rijlijn in het proces-verbaal dient te worden vermeld.

Gelet op het voorgaande acht het hof dit een plausibele verklaring.

Het hof vermag voorts niet in te zien dat de verdediging de mogelijkheid haar controlerende functie uit te oefenen wordt ontnomen door het niet in het proces-verbaal vermelden van de afstand tot de rijlijn en daardoor in haar verdediging wordt geschaad. Het proces-verbaal bevat immers genoeg gegevens om de betrouwbaarheid van de meting aan te vechten.

Voor zover door de raadsman steun voor zijn standpunt wordt gezocht in het arrest van het hof van 27 april 2007, nr. 24-000804-06, kan het hof hem niet volgen. In dat arrest is immers slechts beslist, dat in het daarin beoordeelde geval de afstand tot de rijlijn genoegzaam was vastgesteld en dat sprake was van een betrouwbare meting. Hetgeen de raadsman a contrario uit dat arrest wil afleiden, kan daaruit dus niet volgen.

Niettemin stelt het hof vast dat in dit geval meergenoemde Aanwijzing niet is nageleefd, dat dit verzuim blijkens de verklaring van [verbalisant] voornoemd in het aanvullend proces-verbaal d.d. 10 augustus 2006 niet kan worden hersteld en dat er derhalve sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Ingevolge het eerste lid onder b van deze bepaling kan het hof onder meer bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken.

Het tweede lid van artikel 359a Sv bepaalt vervolgens dat het hof bij de toepassing van het eerste lid rekening houdt met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

In aanmerking genomen dat het voorschrift dat de afstand tot de rijlijn in het proces-verbaal wordt vermeld niet de betrouwbaarheid van het meetresultaat op zichzelf aantast en dat de meting in het voordeel van de verdachte werkt naarmate de afstand tot de rijlijn groter is, is het hof van oordeel dat het onderhavige verzuim niet behoeft te leiden tot het uitsluiten van het proces-verbaal van [verbalisant] voornoemd voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het hof ziet evenmin aanleiding aan het verzuim enig ander gevolg te verbinden dan hetgeen ten aanzien van de bewezenverklaring in de hierna volgende bewijsoverweging wordt aangegeven.

Nadere bewijsoverweging

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, nu door het ontbreken van het gegeven wat de afstand tot de rijlijn van het gemeten voertuig is geweest, niet kan worden vastgesteld dat de werkelijke snelheid zodanig dicht is benaderd, dat kan worden gezegd dat de afgelezen snelheid 117 km per uur is geweest.

Het zaakoverzicht van het CJIB houdt als verklaring van de verdachte in: "Ik heb geen antwoord op uw vraag waarom ik te hard reed.".

In eerste aanleg heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting verklaard: "Misschien heb ik wel te hard gereden, maar ik kan me niet herinneren met een (het hof begrijpt: gecorrigeerde) snelheid van 113 km/u te hebben gereden".

Het hof zal derhalve van het primair ten laste gelegde vrijspreken. Uit de verklaringen van verdachte en uit het hiervoor in het hoofdstuk bewijsverweer overwogene volgt echter ook, dat de snelheid is overschreden met meer dan 30 km per uur.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2005 in de gemeente [gemeente], buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [weg], niet zijnde een autoweg of autosnelweg de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 21 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof heeft zich bij het bepalen van de straf mede laten leiden door de in dezen toepasselijke "Richtlijn voor strafvordering, tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften".

In aanmerking genomen dat het onderhavige feit blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 september 2007 is gepleegd binnen één jaar na onherroepelijke afdoening van een eerdere snelheidsovertreding is de "Recidiveregeling

snelheidsovertredingen (weg)" van toepassing. Naar het hof aanneemt heeft de advocaat-generaal bij zijn vordering hierbij aansluiting gezocht. Het hof acht geen reden aanwezig om van de door de advocaat-generaal gevorderde straffen af te wijken en zal daarom na te melden straffen opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 21 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderdvierenzestig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mrs. H.M. Poelman en R. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Wijma als griffier.