Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB8819

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2007
Datum publicatie
28-11-2007
Zaaknummer
0600503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien een advocaat gevraagd wordt te adviseren over de haalbaarheid van een gerechtelijke procedure, houdt die adviesaanvraag redelijkerwijs in dat het aspect van verjaring in het advies wordt betrokken. Dit klemt te meer wanneer, zoals in het onderhavige geval, de verjaring binnen afzienbare tijd dreigt. Indien de opdracht aan de advocaat zich niet beperkt tot advisering, maar zich ook uitstrekt tot handelingen die tot betaling moeten leiden, vereist de door de advocaat te betrachten zorgvuldigheid in beginsel dat hij voorkomt dat dergelijke handelingen - zoals het aangaan van onderhandelingen en het voeren van een procedure - op enig moment nadien reeds door verjaring zinloos zijn. Dat een voorzichtige aanpak is geboden omdat de cliënt op een gesprek met zijn wederpartij aanstuurt (en dus de voorkeur geeft aan een minnelijke regeling) staat er niet aan in de weg dat de bewuste vordering uitsluitend en alleen ter voorkoming van verjaring wordt gestuit. Een dergelijke aanpak doet ook geen afbreuk aan de noodzaak tot stuiting, en rechtvaardigt dus geen uitzondering op dit beginsel. Ook kort na invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek had het [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van advocaat duidelijk moeten zijn dat voor stuiting vereist was dat zijn cliënt zich - in de bewoordingen van artikel 3:317 BW - zijn recht op nakoming ondubbelzinnig zou voorbehouden en dat de (als gezegd: bewust voorzichtig geformuleerde) brief van 16 december 1992 niet aan die eis voldeed. Voor zover daarover al twijfel kon bestaan, had [geïntimeerde] geen risico dienen te nemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 november 2007

Rolnummer 0600503

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. H. de Boer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 30 maart 2005, 22 juni 2005 en 15 maart 2006 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 juni 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen (de vermelding van de datum 22-07-2005 in het exploot berust op een verschrijving) met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 11 oktober 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"de vonnissen van de Rechtbank d.d. 22 juni 2005 en 15 maart 2006 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende in hoger beroep de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

In het principaal appel: de vonnissen waarvan beroep te bekrachtigen, zonodig onder aanvulling of wijzigingen van gronden.

In het voorwaardelijk incidenteel appel: het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] alsnog af te wijzen hetzij door hem daarin niet ontvankelijk te verklaren hetzij door hem die ontzeggen.

En steeds met zijn veroordeling in de kosten van de beide instanties."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"de incidentele grieven 1 t/m 3 ongegrond te verklaren en de vonnissen op de onderdelen waartegen die grieven zich richten te bekrachtigen, zonodig onder aanvulling of wijziging van gronden."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen opgeworpen (A tot en met E).

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel drie voorwaardelijke grieven opgeworpen (1, 2 en 3).

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.27) van genoemd vonnis van 30 maart 2005 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

2. De grieven in het principaal appel richten zich niet tegen het tussenvonnis van 30 maart 2005, zodat [appellant] in zijn hoger beroep tegen dit vonnis niet kan worden ontvangen.

Korte omschrijving van het geschil

3. Deze procedure heeft de volgende drie vorderingen tot onderwerp.

3.1. A: de onbetaalde laatste termijn ter zake van in mondelinge opdracht van een zekere [de opdrachtgever] ten behoeve van een woonboerderij te Jutrijp door [appellant] verrichte architectenwerkzaamheden (€ 8.099,98 inclusief BTW). Deze vordering is op 1 januari 1993 verjaard;

3.2. B: de onbetaalde, als meerwerk aangeduide eindafrekening ter zake van in mondelinge opdracht van [de opdrachtgever] door [appellant] verrichte architectenwerkzaamheden ten behoeve van de al genoemde boerderij (€ 6.065,92 inclusief BTW). Deze vordering is op 12 december 1994 verjaard;

3.3. C: de onbetaalde eindafrekening ter zake van in mondelinge opdracht voor Intereffect Commissionairs BV (Intereffect) ten behoeve van een kantoor te Joure door [appellant] verrichte architectenwerkzaamheden (€ 5.619,12 inclusief BTW). Ook deze vordering is op 12 december 1994 verjaard.

4. Stellende dat deze vorderingen zijn verjaard door een beroepsfout van [geïntimeerde] in diens hoedanigheid van voormalige raadsman van [appellant], heeft [appellant] bij wijze van schade van [geïntimeerde] betaling gevorderd van de genoemde bedragen, vermeerderd met rente (tot en met 15 juli 2004 berekend op € 20.775,61) en kosten.

De beoordeling van de gestelde beroepsfouten

5. Het hof zal hierna allereerst aan de hand van de desbetreffende grieven de vraag behandelen of [geïntimeerde] beroepsfouten heeft gemaakt door de verjaring van de vorderingen A, B en C niet te stuiten. Vervolgens (onder rechtsoverweging 16 en verder) zal worden besproken of, en zo ja in welke mate, [appellant] als gevolg daarvan schade heeft geleden. Voor het antwoord op deze vraag is in beginsel bepalend hoe de rechtbank in de procedure tussen [appellant] en [de opdrachtgever] had behoren te beslissen, althans moet het te dier zake toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die [appellant], zo de vorderingen niet waren verjaard, zou hebben gehad.

6. Bij de hierna te maken beoordeling neemt het hof met de rechtbank tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] gehouden was om de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat te betrachten en dat de in dat verband in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht meebrengt dat hij zich niet beperkt tot de verrichting waarom zijn cliënt nadrukkelijk vraagt, maar zelfstandig beoordeelt wat van belang is, en daarnaar handelt. Een opdracht aan een advocaat zal in beginsel mede omvatten het bewaken en zonodig stuiten van een verjaringstermijn.

Vordering A

Grief 1 in het incidenteel appel

7. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat vordering A (anders dan B en C) door een beroepsfout van [geïntimeerde] is verjaard. De grief is opgeworpen onder de voorwaarde dat een of meer van de principale grieven doel treffen. Zoals hierna nog zal blijken, wordt aan die voorwaarde voldaan. Omwille van het overzicht zal thans eerst deze incidentele grief worden besproken.

8. Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in haar vonnis van 30 maart 2005 in rechtsoverwegingen 4 en 6.1 tot en met 6.5 gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

9. Indien een advocaat gevraagd wordt te adviseren over de haalbaarheid van een gerechtelijke procedure, houdt die adviesaanvraag redelijkerwijs in dat het aspect van verjaring in het advies wordt betrokken. Dit klemt te meer wanneer, zoals in het onderhavige geval, de verjaring binnen afzienbare tijd dreigt. Indien de opdracht aan de advocaat zich niet beperkt tot advisering, maar zich ook uitstrekt tot handelingen die tot betaling moeten leiden, vereist de door de advocaat te betrachten zorgvuldigheid in beginsel dat hij voorkomt dat dergelijke handelingen - zoals het aangaan van onderhandelingen en het voeren van een procedure - op enig moment nadien reeds door verjaring zinloos zijn. Dat een voorzichtige aanpak is geboden omdat de cliënt op een gesprek met zijn wederpartij aanstuurt (en dus de voorkeur geeft aan een minnelijke regeling) staat er niet aan in de weg dat de bewuste vordering uitsluitend en alleen ter voorkoming van verjaring wordt gestuit. Een dergelijke aanpak doet ook geen afbreuk aan de noodzaak tot stuiting, en rechtvaardigt dus geen uitzondering op dit beginsel. Ook kort na invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek had het [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van advocaat duidelijk moeten zijn dat voor stuiting vereist was dat zijn cliënt zich - in de bewoordingen van artikel 3:317 BW - zijn recht op nakoming ondubbelzinnig zou voorbehouden en dat de (als gezegd: bewust voorzichtig geformuleerde) brief van 16 december 1992 niet aan die eis voldeed. Voor zover daarover al twijfel kon bestaan, had [geïntimeerde] geen risico dienen te nemen.

10. De grief faalt.

De vorderingen B en C

Grief A in het principaal appel

11. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat de vorderingen B en C (anders dan A) níet door een beroepsfout van [geïntimeerde] zijn verjaard. Het hof overweegt als volgt.

12. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] [appellant] op 8 september 1993 schriftelijk heeft laten weten tot sluiting van het dossier over te zullen gaan indien hij voor 1 oktober 1993 niet van [appellant] zou vernemen dat er in de zaken met betrekking tot de vorderingen B en C nog iets moest worden ondernomen. [appellant] heeft [geïntimeerde] daarna pas voor het eerst een week voorafgaand aan het verstrijken van de verjaringstermijn (op 5 december 1994) gebeld met de mededeling dat hij zover was dat een gerechtelijke procedure opgestart kon worden. Tijdens dit telefoongesprek heeft [geïntimeerde] [appellant] er op gewezen dat hij rekening diende te houden met een verjaringstermijn van vijf jaren, hetgeen hij twee dagen later in een aan [appellant] gerichte fax heeft bevestigd. In die fax wordt ook de tussen partijen op 16 december 1994 gemaakte afspraak bevestigd en wordt om een voorschot verzocht. Naar het oordeel van het hof kan [geïntimeerde] niet geacht worden de verjaringstermijn hiermee afdoende te hebben bewaakt. Onder de geschetste omstandigheden had het op zijn weg gelegen de verjaringstermijn alsnog te stuiten, ook als hij zich ten tijde van het gevoerde telefoongesprek niet realiseerde dat die stuiting binnen enkele dagen diende plaats te vinden. Gegeven het feit dat het hem duidelijk was dat met een korte verjaringstermijn rekening diende te worden gehouden, had hij zo spoedig mogelijk na het telefoongesprek onderzoek moeten doen naar het moment waarop de verjaring daadwerkelijk dreigde. Niet gesteld of gebleken is, dat hij daartoe tot 12 december 1994 niet in de gelegenheid is geweest.

13. Voor zover [geïntimeerde] wenst te betogen dat hij er op mocht vertrouwen dat dit punt al 'correct was afgedekt', volgt het hof hem niet in die redenering, aangezien hem uit bestudering van het dossier niet zou zijn gebleken van enige door hemzelf of [appellant] verrichte stuitingshandeling. De brief van [geïntimeerde] van 16 december 1992 had immers geen stuitende werking (hetgeen een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat zich had dienen te realiseren; zie rechtsoverweging 9) en ook [appellant] heeft de vorderingen niet gestuit. Weliswaar heeft [appellant] nooit geantwoord op het verzoek van [geïntimeerde] om na te gaan of hij Intereffect of [de opdrachtgever] heeft gemaand, maar - zoals de rechtbank op goede gronden heeft overwogen - dat rechtvaardigt niet het vertrouwen dat dergelijke aanmaningen op een voor de stuiting relevant moment hebben plaatsgehad. Evenmin kan dit tot de conclusie leiden dat [appellant] aan eventuele schade eigen schuld heeft, aangezien uit niets blijkt dat [appellant] zich had moeten realiseren dat de aan hem gestelde vraag naar aanmaningen verband hield met mogelijke verjaring van zijn vorderingen.

14. Reeds om die reden treft de grief doel, zodat de vraag kan worden daargelaten of [geïntimeerde] de stuiting al in 1993 had moeten bewerkstelligen. Of - en zo ja, in hoeverre - een en ander [appellant] kan baten, zal hierna blijken.

15. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof nog dient te beslissen op het verweer van [geïntimeerde], kort gezegd, dat het nog maar de vraag is of [appellant] daadwerkelijk rechtsmaatregelen tegen [de opdrachtgever] of Intereffect zou hebben getroffen indien de verjaring wel tijdig was gestuit. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank wat dat aangaat in rechtsoverweging 9.2 van het vonnis van 30 maart 2005 ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Gelet op de inhoud van die motivering behoeft dit oordeel van het hof geen nadere toelichting.

De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen A, B en C

16. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof zal dienen te beoordelen hoe de rechtbank had behoren te beslissen in de procedure tussen [appellant] en [de opdrachtgever], alsmede in een mogelijk door [appellant] nog te voeren procedure tegen Intereffect. Het te dier zake toewijsbare bedrag moet althans worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die [appellant] zou hebben gehad als de vorderingen niet waren verjaard. Het hof zal met betrekking tot elke vordering afzonderlijk tot die beoordeling overgaan. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij het procesdossier in de door [appellant] tegen [de opdrachtgever] aanhangig gemaakte procedure - de daaraan voorafgaande arbitrageprocedure inbegrepen - en hetgeen in dit hoger beroep nader is gesteld en gebleken. Omwille van de overzichtelijkheid zal daarbij opnieuw eerst een incidentele grief worden besproken.

Vordering A

Grief 2 in het incidenteel appel

17. [geïntimeerde] betoogt met deze grief dat - naar de rechtbank heeft miskend - [appellant] niet had kunnen volstaan met zijn stelling dat zijn vordering door de door hem gestelde fout van [geïntimeerde] is verjaard. Ook dan blijft het immers de vraag hoe de rechtbank op de vordering zou hebben beslist, en zouden goede en kwade kansen moeten worden geschat. In de ogen van [geïntimeerde] had [appellant] om die reden onder concrete verwijzing naar het procesdossier in de zaak tussen hemzelf en [de opdrachtgever] dienen aan te geven dat en waarom (en in hoeverre) er in zijn visie een kans aanwezig zou zijn geweest dat vordering A zou zijn toegewezen indien deze niet zou zijn verjaard.

18. De grief faalt, aangezien [appellant] zich zonder enig voorbehoud heeft beroepen op de stellingen die hij in de arbitrageprocedure en daarop volgende gerechtelijke procedure heeft ingenomen. Daaruit blijkt duidelijk dat, en op welke gronden, hij van mening was dat zijn vordering niet was verjaard en integraal diende te worden toegewezen. De stelplicht ter zake van de beweerdelijk geleden schade is in wezen dan ook geen andere dan de stelplicht die [appellant] in de tegen [de opdrachtgever] aangespannen procedure had. Het ligt op de weg van [geïntimeerde] zich daartegen te verweren, waarbij hij op zijn beurt aansluiting kan zoeken bij het door [de opdrachtgever] gevoerde verweer. De rechtbank heeft dat niet miskend.

De grieven B, C en D in het principaal appel

19. Grief B komt op tegen de conclusie van de rechtbank dat sprake is van gebreken aan de bouw en het daarmee samenhangende oordeel van de rechtbank dat [de opdrachtgever] gemotiveerd heeft gesteld op welke punten [appellant] in de uitvoering van de opdracht is tekortgeschoten en dat hij de door hem gestelde schade heeft onderbouwd en feitelijk toegelicht. Met grief C wordt het oordeel van de rechtbank bestreden dat de door [de opdrachtgever] gestelde gebreken en de wanprestatie van [appellant] vaststaan, en dat die gebreken voor diens rekening komen. Grief D is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het door [de opdrachtgever] gedane beroep op compensatie zou zijn opgegaan. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

20. Tussen [appellant] en [de opdrachtgever] heeft niet ter discussie gestaan dat zij een honorarium zijn overeengekomen voor werkzaamheden die [appellant] vervolgens daadwerkelijk heeft verricht, en dat van dit bedrag de laatste termijn (€ 8.099,98 inclusief BTW) niet is betaald. Het voeren van bouwdirectie maakt onderdeel uit van de overeengekomen werkzaamheden.

21. [de opdrachtgever] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat hij de laatste termijn onbetaald heeft kunnen laten omdat [appellant] bij de uitoefening van de bouwdirectie ernstig is tekortgeschoten. Naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, zou dit verweer hebben gefaald, nu het er kennelijk niet toe strekt de nakoming van de betalingsverplichting op te schorten totdat [appellant] een nadere prestatie heeft verricht of totdat de overeenkomst is ontbonden en/of schadevergoeding aan [de opdrachtgever] is toegekend; [de opdrachtgever] gaat ervan uit dat die verplichting op grond van de gestelde onvolledigheid of ondeugdelijkheid van de door [appellant] geleverde prestaties is komen te vervallen. Dat uitgangspunt is onjuist. Behoudens afwijkend beding kan een partij bij een wederkerige overeenkomst wanneer de wederpartij haar verplichtingen onvolledig of ondeugdelijk nakomt, slechts van haar eigen verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst worden bevrijd door ontbinding (of vernietiging) van de overeenkomst.

22. [de opdrachtgever] heeft voorts aangevoerd dat de ingehouden betalingen corresponderen met 'de omvang van [appellant]'s tekortschieten als vertrouwensman en bouwdirectie bij de uitvoering van zijn opdracht'. Voor zover daarin al een beroep op verrekening kan worden gelezen met een door [de opdrachtgever] gepretendeerde schadevordering, zou ook dit verweer naar het oordeel van het hof hebben gefaald omdat de gegrondheid daarvan in het licht van de gemotiveerde betwisting door [appellant] niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de gevorderde hoofdsom van [appellant] overigens (de verjaring daargelaten) voor toewijzing vatbaar was.

23. Dit brengt het hof tot de conclusie dat de rechtbank, zo de vordering niet was verjaard, deze zou hebben toegewezen. De grieven treffen om die reden doel.

De nevenvorderingen

24. [appellant] vordert wettelijke rente over de hoofdsom van € 8.099,98 vanaf 1 januari 1987 en kosten voor advies- en rechtsbijstand (€ 912,49 respectievelijk € 769,00, eveneens met wettelijke rente). De laatste twee genoemde schadeposten zijn door [geïntimeerde] niet afzonderlijk bestreden. Omdat deze bedragen zijn berekend over de totale vordering, en omdat deze slechts deels toewijsbaar is, zal deze schadevordering naar rato van de toegewezen vordering worden gehonoreerd (€ 689,41).

25. Voor de rentevordering geldt het volgende. In de door [appellant] tegen [de opdrachtgever] aangespannen procedure is wettelijke rente na eiswijziging (primair) gevorderd vanaf 25 november 1986. Tegen deze rentevordering heeft [de opdrachtgever] het verweer gevoerd dat het niet aangaat hem die rente te laten betalen (over BTW en) voor alle jaren gedurende welke [appellant] 'niet tot een besluit terzake van een dagvaarding is weten te komen'. Voor zover in dat verweer een beroep op rechtsverwerking moet worden gelezen, zou het hebben gefaald omdat een dergelijk verweer niet op grond van enkel tijdverloop kan worden gegrond. Het hof honoreert de rentevordering over de hiervoor genoemde hoofdsom vanaf 1 januari 1987, zoals thans gevorderd. Het betoog dat geen wettelijke rente over BTW kan worden gevorderd, vindt geen steun in het recht.

Vordering B

26. Vordering B betreft in de woorden van [appellant] meerwerk tot een bedrag van € 6.065,92. Het hof begrijpt dat hij daarmee doelt op aanvullende architectenwerkzaamheden die zijn voortgevloeid uit meerwerk dat de aannemer heeft uitgevoerd. [de opdrachtgever] heeft aangevoerd dat de werkzaamheden waar [appellant] op doelt deels binnen de opdracht vielen en voor het overige niet aan hem zijn opgedragen. Aangezien [appellant] van deze betwiste inhoud van de overeenkomst en van de gepretendeerde opgedragen aanvullende werkzaamheden geen bewijs heeft aangeboden, moet het er voor worden gehouden dat dit onderdeel van het gevorderde ook zou zijn afgewezen indien de vordering niet al was verjaard.

27. Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat [de opdrachtgever] aan [appellant] wel een aanvullende opdracht heeft gegeven, zou het volgende hebben te gelden. [appellant] heeft zijn vordering gebaseerd op een regeling uit algemene voorwaarden die niet tussen [de opdrachtgever] en hem zijn overeengekomen. Hij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft op grond waarvan zijn vordering op een andere rechtsgrond dan die voorwaarden zou kunnen worden gebaseerd. Ook om die reden zou, naar het hof aanneemt, zijn vordering zijn gestrand.

Vordering C

28. Omtrent deze vordering is door [appellant], behoudens een in dit verband bij conclusie van repliek gedane, niet toegelichte verwijzing naar een 'Omschrijving meerwerk verricht door eiser inzake bouwplan woonboerderij te Jutrijp en bouwplan kantoorgebouw te Joure' (productie J bij conclusie van repliek) hoegenaamd niets aangevoerd. Op grond van enkel de genoemde productie is het niet mogelijk enige inschatting te maken van de kans van [appellant] een daarop gebaseerde vordering tegen Intereffect (deels) toegewezen te krijgen. Reeds op die constatering strandt de op deze vordering gebaseerde schadevordering.

De overige grieven

Grief E in het principaal appel

29. Deze grief heeft naast de overige grieven van [appellant] geen zelfstandige betekenis en zal om die reden verder buiten beschouwing worden gelaten.

Grief 3 in het incidenteel appel

30. Met deze grief komt [geïntimeerde] ertegen op dat de rechtbank voor recht heeft verklaard dat hij jegens [appellant] aansprakelijk is en de proceskosten heeft gecompenseerd, nu - zo begrijpt het hof - de schadevordering zelf is afgewezen. Deze grief slaagt voor zover deze tegen de gegeven verklaring voor recht is gericht. Het hof is van oordeel dat het rechtens te respecteren belang van [appellant] met de omtrent de gevorderde schade te geven beslissingen is uitgeput. De grief faalt voor het overige omdat de schadevordering alsnog deels zal worden toegewezen.

De slotsom

31. Behoudens het vonnis van 30 maart 2005 zullen de vonnissen waarvan beroep uit praktische overwegingen geheel worden vernietigd. [geïntimeerde] zal alsnog worden veroordeeld tot betaling van € 8.099,98, vermeerderd met (slechts deels toewijsbare) rente en kosten. Nu [geïntimeerde] in dit hoger beroep overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal hij in het principaal en incidenteel appel de proceskosten van [appellant] hebben te dragen. De in eerste aanleg gegeven beslissing omtrent de proceskosten (compensatie van kosten) blijft in stand, gelet op de wijze waarin partijen uiteindelijk - uitgaande van de inleidende dagvaarding - over en weer in het ongelijk worden gesteld.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het tegen het vonnis van 30 maart 2005 ingestelde hoger beroep;

vernietigt de vonnissen van 22 juni 2006 en 15 maart 2006 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen € 8.099,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1987;

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen € 689,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2004;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in eerste aanleg zal dragen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal en incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op € 1.349,87 aan verschotten en € 1.341,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Hermans, voorzitter, Zandbergen en Janse, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 november 2007 in bijzijn van de griffier.