Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB7748

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
14-11-2007
Zaaknummer
0600480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het vorenstaande laat onverlet dat - zoals hiervoor al overwogen - in een zaak als de onderhavige veel betekenis toekomt aan de taalkundige betekenis van de (relevante) bewoordingen van het contract, gelezen in de context van het contract als geheel. Het hof zal daarom allereerst bezien of de taalkundige betekenis van de hiervoor bedoelde bewoordingen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de door ECNed verdedigde uitleg van de relevante bewoordingen als de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis kan worden beschouwd en overweegt hieromtrent als volgt. De bewoordingen "elke door de klant getekende overeenkomst, nieuw aangemeld door ECNed" in art. 4, mede bezien in het licht van art. 5 van het contract waarin is aangegeven dat de overeenkomst werking heeft vanaf 1 januari 2005, duiden er bepaald niet op dat partijen zijn overeengekomen dat Rendo provisie aan ECNed verschuldigd is voor iedere (door ECNed bemiddelde) overeenkomst die ingaat op of na 1 januari 2005, ongeacht de vraag of de overeenkomst al dan niet niet vóór 1 januari 2005 is aangemeld in de eerder bedoelde zin. De uitleg die ECNed hieraan geeft zou er immers op neerkomen dat ook aanmeldingen die vóór 1 januari 2005 zijn gedaan recht geven op provisie, hetgeen naar het oordeel van het hof - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt te rijmen met de inhoud van art. 5 van het contract. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet de taalkundige betekenis die ECNed aan de relevante bewoordingen toekent het meest voor de hand liggend is, maar juist die van Rendo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2008, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 24 oktober 2007

Rolnummer 0600480

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Energie Consulting Nederland BV,

gevestigd te Heerenveen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: ECNed,

procureur: mr. E.W. Kingma,

tegen

Rendo Energielevering BV,

gevestigd te Hoogeveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Rendo,

procureur: mr. J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 23 augustus 2006 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 september 2006 is door ECNed hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Rendo tegen de zitting van 4 oktober 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen, sector civiel recht van 23 augustus 2006, vernietigt en opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, Rendo Energielevering B.V. veroordeelt tot betaling aan Energie Consulting Nederland B.V. van een bedrag ad € 81.164,38, vermeerderd met 19% BTW en met veroordeling van Rendo Energielevering B.V. in de kosten van de beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Rendo verweer gevoerd met als conclusie:

"voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen van 23 augustus 2006 (zaaknummer / rolnummer: 53962 / HA ZA 05-738), te bekrachtigen, met veroordeling van Energie Consulting Nederland B.V. in de kosten van dit geding in beide instanties."

Voorts hebben beide partijen een akte genomen

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

ECNed heeft acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (a tot en met f) van genoemd vonnis van 23 augustus 2006 is geen grief ontwikkeld en is ook niet anderszins van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof tekent hierbij aan dat ECNed onder punt 2.1 van de memorie van grieven wel heeft vermeld dat de rechtbank de relevante feiten niet altijd volledig heeft weergegeven en dat zij enkele grieven tegen de vaststelling van de feiten zal richten. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat ECNed dat vervolgens niet gedaan heeft.

2. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten gaat het in deze zaak in essentie om het volgende.

2.1 ECNed exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het adviseren van bedrijven over af te sluiten contracten met leveranciers van energie en heeft in dat kader enkele jaren - waaronder in 2004 en 2005 - klanten ondergebracht bij Rendo. Indien bedrijven het advies van ECNed overnamen en een contract wilden sluiten met Rendo, konden zij dit doen door dit rechtstreeks aan Rendo te melden of door dit door te geven aan ECNed, die dit dan op haar beurt bij Rendo meldde. Deze praktijk wordt in beide gevallen door partijen aangeduid met de term "aanmelden".

2.2 Op 8 juli 2005 heeft ECNed een overeenkomst met Rendo gesloten waarin - voor zover hier van belang - het volgende wordt vermeld:

"4. FEE TEN BEHOEVE VAN ECNed

Rendo zal voor elke door de klant getekende overeenkomst, nieuw aangemeld door ECNed, de onderstaande eenmalige fee betalen aan ECNed:

(...)

5. LOOPTIJD RAAMOVEREENKOMST

Deze raamovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2005 (...)"

ECNed stelt zich in de procedure op het standpunt dat zij op grond van deze overeenkomst aanspraak kan maken op de overeengekomen provisie indien het gaat om klanten, die door haar bemiddeling op enig moment vóór of na 1 januari 2005 een overeenkomst met Rendo hebben gesloten én deze overeenkomst is ingegaan op of na 1 januari 2005. Zij vordert uit dien hoofde een bedrag van in totaal € 81.164,38, te vermeerderen met BTW. Rendo heeft zich tegen de vordering verweerd op de grond dat zij, gelet op de inhoud van de overeenkomst, alleen tot uitkering van provisie aan ECNed is gehouden indien de overeenkomst tussen haar en de klant van ECNed op of na 1 januari 2005 is gesloten. Volgens Rendo kan ECNed daarom slechts aanspraak maken op een bedrag van

€ 4.520,25.

3. De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep het door Rendo erkende bedrag toegewezen en de vorderingen voor het overige afgewezen. Rendo heeft tegen eerstbedoelde beslissing geen incidenteel appel ingesteld, zodat ook in hoger beroep er vanuit gegaan dient te worden dat zij in ieder geval een bedrag van

€ 4.520,25 aan ECNed verschuldigd is.

4. ECNed maakt met grief I bezwaar tegen r.o. 5.3 van het vonnis waarvan beroep voor zover daarin is overwogen dat haar standpunt inhoudt dat zij recht heeft op een vergoeding in het geval sprake is van klanten, die dankzij haar bemiddeling met Rendo een overeenkomst hebben gesloten die ingaat voor of na 1 januari 2005. Volgens ECNed is deze weergave van haar stelling onjuist nu zij heeft gesteld dat bepalend voor het al dan niet verschuldigd zijn van de provisie is of de overeenkomst voor energielevering is ingegaan op of na 1 januari 2005. Nu ECNed inderdaad heeft gesteld (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) dat het gaat om de overeenkomsten die betrekking hebben op de levering van energie vanaf 1 januari 2005, slaagt de grief. Of dit ECNed ook baat, zal worden bezien aan de hand van de beoordeling van de overige grieven.

5. De grieven III tot en met VII hebben betrekking op de uitleg van de overeenkomst. Deze grieven zullen - voor zover nodig - hierna zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken.

6. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de uitleg van de tussen partijen gesloten bemiddelingsovereenkomst dient te geschieden met inachtneming van de zogeheten Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Deze brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift wel vaak van groot belang (HR 23 december 2005, RvdW 2006, 17). Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval veel betekenis toekomt aan een taalkundige uitleg, aangezien het gaat om een overeenkomst die is aangegaan tussen twee gelijkwaardig te achten professionele partijen en die betrekking heeft op een zuiver commerciële transactie.

7. Grief III is gericht tegen r.o. 5.6 van het beroepen vonnis. De rechtbank heeft hierin overwogen dat ECNed niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de inhoud van de overeenkomst zoals zij deze ziet, overeenkomt met de tekst van het in geding zijnde contract. Volgens de rechtbank sluit het zinsdeel "overeenkomst, nieuw aangemeld door ECNed," in samenhang met de ingangsdatum van 1 januari 2005, overeenkomsten uit die vóór 1 januari 2005 door ECNed bij Rendo zijn aangemeld. Gelet op de praktijk van de aanmeldingen die tussen partijen bestond, sluit dit derhalve alle overeenkomsten uit die voor die datum zijn gesloten, aldus de rechtbank.

7.1 ECNed heeft hieromtrent betoogd dat uitgangspunt van de Haviltex-maatstaf is dat bij de uitleg van de contractsbepalingen nimmer mag worden afgegaan op de tekstuele grondslag daarvan. Een zuiver taalkundige uitleg is volgens haar altijd onvoldoende. Zij heeft hieraan toegevoegd dat in art. 5 van de overeenkomst slechts is bepaald dat deze in werking treedt op 1 januari 2005 en dat de eerdere bepaling waarin wordt vermeld dat de overeenkomst ziet op elke 'overeenkomst, nieuw aangemeld door ENed' "uiteraard niet redengevend kan zijn" voor de conclusie dat de overeenkomst zo zou moeten worden uitgelegd dat zij enkel ziet op de overeenkomsten die op of na 1 januari 2005 zijn ondertekend.

7.2 Het hof overweegt dat voor zover de grief er vanuit gaat dat de rechtbank de litigieuze bewoordingen louter taalkundig zou hebben uitgelegd, zij dient te falen nu de rechtbank in r.o. 5.7 en volgende heeft beoordeeld welke betekenis partijen volgens haar in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaar verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

7.3 Het vorenstaande laat onverlet dat - zoals hiervoor al overwogen - in een zaak als de onderhavige veel betekenis toekomt aan de taalkundige betekenis van de (relevante) bewoordingen van het contract, gelezen in de context van het contract als geheel. Het hof zal daarom allereerst bezien of de taalkundige betekenis van de hiervoor bedoelde bewoordingen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de door ECNed verdedigde uitleg van de relevante bewoordingen als de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis kan worden beschouwd en overweegt hieromtrent als volgt. De bewoordingen "elke door de klant getekende overeenkomst, nieuw aangemeld door ECNed" in art. 4, mede bezien in het licht van art. 5 van het contract waarin is aangegeven dat de overeenkomst werking heeft vanaf 1 januari 2005, duiden er bepaald niet op dat partijen zijn overeengekomen dat Rendo provisie aan ECNed verschuldigd is voor iedere (door ECNed bemiddelde) overeenkomst die ingaat op of na 1 januari 2005, ongeacht de vraag of de overeenkomst al dan niet niet vóór 1 januari 2005 is aangemeld in de eerder bedoelde zin. De uitleg die ECNed hieraan geeft zou er immers op neerkomen dat ook aanmeldingen die vóór 1 januari 2005 zijn gedaan recht geven op provisie, hetgeen naar het oordeel van het hof - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt te rijmen met de inhoud van art. 5 van het contract. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet de taalkundige betekenis die ECNed aan de relevante bewoordingen toekent het meest voor de hand liggend is, maar juist die van Rendo.

7.4 De grief faalt.

8. Het vorenstaande brengt mee dat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat ECNed uitsluitend aanspraak kan maken op provisie voor zover het gaat om de totstandkoming van (door haar bemiddelde) overeenkomsten met Rendo, waarvan de (logischerwijs daaraan voorafgaande) aanmelding op of na 1 januari 2005 heeft plaatsgevonden. Een en ander zou evenwel anders zijn voor zover ECNed gemotiveerd stelt en zo nodig bewijst dat, gelet op de omstandigheden van het geval, aan de hiervoor bedoelde bewoordingen een afwijkende betekenis toekomt en dit aan Rendo kenbaar was of redelijkerwijs behoorde te zijn, en tevens vast staat dat Rendo deze afwijkende betekenis heeft aanvaard, dan wel omtrent zodanige aanvaarding bij ECNed een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

9. ECNed heeft in dit verband allereerst gesteld (zie grief VI) dat met name van belang is wat zich heeft afgespeeld op 10 juni 2005, de dag waarop haar directeur [de directeur] met de accountmanager van Rendo, [de accountmanager], over de inhoud en strekking van de (mogelijk te sluiten) bemiddelingsovereenkomst heeft gesproken en bij welk gesprek op enig moment ook de analist van ECNed, [de analist], is aangeschoven. Zij heeft in hoger beroep verklaringen van [de directeur] en [de analist] voornoemd overgelegd. Het hof is van oordeel dat uit die verklaringen niet kan worden afgeleid dat, in weerwil van de hiervoor vastgestelde taalkundige betekenis van de (relevante) bewoordingen van het contract, het contract dient te worden uitgelegd op de wijze die ECNed voorstaat. [de directeur] heeft immers op dit punt verklaard:

"Uiteindelijk heb (het hof leest) ik aan [de accountmanager] meegedeeld dat indien hij het contract met terugwerkend kracht zou willen laten ingaan, dit voor mij bespreekbaar zou worden. Op die manier zag ik een mogelijkheid om toch enige compensatie te krijgen voor alle volume die we in de loop der jaren bij Rendo hadden ondergebracht".

Hieruit volgt wel dat over de terugwerkende kracht van het contract is gesproken, maar niet in welke zin. Ook overigens blijkt dat niet uit zijn verklaring. De verklaring van [de directeur] moet dan ook als onvoldoende specifiek op dit punt worden aangemerkt.

De verklaring van [de analist] werpt naar het oordeel van het hof geen ander licht op de zaak. [de analist] heeft - voor zover hier van belang - verklaard:

"De heer [de directeur] heeft (daarna) aangegeven aan de heer [de accountmanager] dat de Raamovereenkomst met terugwerkende kracht per 01 januari 2005 moet ingaan. Hierdoor zouden alle leveringsovereenkomsten die ingangsdatum 01 januari 2005 en later hebben, vallen onder de Raamovereenkomst. De heer [de accountmanager] nam dit in beraad en heeft mij verzocht om aan te geven om hoeveel kWh het ging."

Uit deze verklaring kan ook niet worden afgeleid dat op 10 juni 2005 met [de accountmanager] is besproken dat de energieleveringscontracten die vanaf 1 januari 2005 waren gesloten, onder de werking van de raamovereenkomst zouden (moeten) worden gebracht. [de analist] refereert in zijn verklaring wel aan de door ECNed voorgestane uitleg, maar uit de wijze van formulering door [de analist] leidt het hof af dat het hier om een door hemzelf getrokken conclusie gaat en niet om een weergave van hetgeen daadwerkelijk volgens [de analist] door de bij het gesprek aanwezige personen is verklaard. Een en ander geldt temeer nu zijn verklaring op dit punt niet wordt ondersteund door die van [de directeur] en evenmin door de verklaring van [de accountmanager] (zie productie 2 bij conclusie van dupliek in prima). Het hof wijst erop dat ook volgens [de accountmanager] is besproken hoeveel kWh met de terugwerkende kracht van het contract mogelijkerwijs gemoeid zou zijn, maar [de accountmanager] brengt dit in verband met het aantal overeenkomsten dat vanaf 1 januari 2005 was gesloten en het bedrag aan provisie, dat Rendo dientengevolge aan ECNed verschuldigd zou zijn.

9.1 ECNed heeft onder punt 3.15 van de memorie van grieven aangeboden de door haar voorgestane uitleg van de raamovereenkomst, zoals deze volgens haar blijkt uit de uitlatingen en gedragingen van [de directeur] en [de analist], te bewijzen. Zij heeft hierbij verwezen naar de verklaringen die zij reeds in het geding heeft gebracht en die het hof hiervoor heeft besproken. Nu uit deze verklaringen niet (voldoende) blijkt van feiten of omstandigheden waarop de door ECNed voorgestane uitleg van de overeenkomst gebaseerd kan worden, is het hof van oordeel dat ECNed onvoldoende heeft gesteld om haar tot bewijslevering toe te laten, zodat dit aanbod wordt gepasseerd. Gelet hierop strandt ook grief IV die klaagt over het niet toelaten tot bewijslevering door de rechtbank.

9.2 De stellingen van ECNed dat uit de hiervoor genoemde overgelegde verklaringen niet blijkt dat tijdens het gesprek van 10 januari 2005 is gesproken over de zogenaamde "doorschuifmogelijkheid" (grief VI) en dat het doorschuiven van provisie naar de klant niet gebruikelijk zou zijn (grief V) doen aan vorenstaande conclusies niet af en behoeven dan ook bij gebrek aan relevantie geen verdere bespreking.

10. ECNed stelt zich daarnaast op het standpunt dat bij de uitleg van de overeenkomst veel belang moet worden gehecht aan een tweetal e-mails, die zij na verzending van de in geding zijnde facturen op 12 juli 2005 en 19 augustus 2005 van Rendo (geschreven door [de accountmanager] voornoemd) heeft ontvangen (grief VII). Uit die e-mails kan volgens haar (impliciet) worden afgeleid dat Rendo het aanvankelijk eens was met de uitleg die ECNed aan de overeenkomst geeft, hetgeen op de juistheid van haar standpunt in deze procedure duidt, aldus ECNed.

10.1 Het hof overweegt hieromtrent dat ECNed in ieder geval niet gevolgd kan worden voor zover het om de e-mail van 19 augustus 2005 gaat, nu [de accountmanager] daarin aan [de directeur] meedeelt dat de facturen zijn gebaseerd op een verkeerde grondslag en dat uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst slechts recht op een vergoeding bestaat voor zover het om (nieuwe) aanmeldingen vanaf 1 januari 2005 gaat.

10.2 Wat betreft de e-mail van 12 juli 2005 overweegt het hof dat, wat er verder ook zij van de inhoud hiervan, hieraan niet de betekenis kan worden gehecht die ECNed daaraan toegekend wil zien nu feiten of omstandigheden die eerst na de totstandkoming van de rechtshandeling zijn voorgevallen, (in principe) geen rol spelen bij de uitleg van de inhoud van de rechtshandeling. Onder omstandigheden kan dit weliswaar anders zijn (zie bijvoorbeeld HR 20 mei 1994, NJ 1994, 574), maar het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval geen termen aanwezig zijn om een uitzondering op het hiervoor vermelde uitgangspunt aan te kunnen nemen en te spreken van een zodanige gedraging van Rendo, dat deze een doorslaggevende ondersteuning voor het door ECNed voorgestane standpunt oplevert. Het hof wijst er hierbij op dat de betalingstoezegging die in deze e-mail besloten ligt - waarbij het hof in het midden laat of deze toezegging van de zijde van Rendo bevoegdelijk is gedaan - niet noodzakelijkerwijs hoeft te duiden op het door Rendo volgen van de door ECNed bepleite uitleg, terwijl de stukken evenzeer de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een al dan niet overhaaste beslissing bij gebrek aan voldoende gegevens, voor welke duiding van de gebeurtenissen steun valt te vinden in de correspondentie die daarna is gevolgd en waarbij de betalingstoezegging is ingetrokken. Onder deze omstandigheden is er onvoldoende grond voor het oordeel dat Rendo zich na de contractsluiting heeft gedragen op een wijze die overeenstemt met de uitleg die ECNed aan de overeenkomst geeft.

11. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat aan de (in geding zijnde) inhoud van het contract de door ECNed verdedigde betekenis kan worden gehecht. De grieven III tot en met VII falen derhalve voor zover zij niet bij het vorenstaande aansluiten, terwijl zij voor het overige bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven.

12. In aansluiting hierop overweegt het hof nog dat de inhoud van een onderhandse akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de in die akte vervatte verklaring. Dit brengt mee dat, behoudens tegenbewijs, er vanuit gegaan moet worden dat de akte op juiste wijze weergeeft wat partijen zijn overeengekomen. Het leveren van tegenbewijs is in dit geding evenwel niet aan de orde nu ECNed niet heeft gesteld dat partijen een andere afspraak hebben gemaakt dan in de akte wordt vermeld.

13. ECNed maakt met grief II bezwaar tegen r.o. 5.4 van het beroepen vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de vordering niet kan worden toegewezen voor zover het gaat om overeenkomsten voor energielevering tussen Rendo en derden, waarbij ECNed niet betrokken is geweest. Uit de toelichting op de grief leidt het hof af dat ECNed deze overweging als zodanig niet bestrijdt, maar dat het haar erom gaat dat zij uit hoofde van de overeenkomst met Rendo een vergoeding wil ontvangen voor de overeenkomst die laatstgenoemde met Naber Plastics voor de periode 2005-2006 heeft gesloten. Volgens ECNed is deze overeenkomst wel degelijk door haar tussenkomst gesloten, hetgeen met name zou blijken uit de inhoud van de producties 13 en 14 bij conclusie van repliek in prima.

13.1 Het hof overweegt hieromtrent dat Rendo van meet af aan - verwezen zij naar de hiervoor bedoelde e-mail van 12 juli 2005 - (gemotiveerd) heeft weersproken dat de overeenkomst tussen haar en Naber Plastics door de bemiddeling van ECNed tot stand is gekomen, terwijl op grond van de door ECNed overgelegde producties niet - althans niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt - als vaststaand kan worden aangenomen dat dit wél het geval is. Nu ECNed op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, moet er bij de beoordeling van het geschil vanuit worden gegaan dat geen sprake is geweest van bemiddelingswerkzaamheden in de zin van de raamovereenkomst, die recht geven op provisie.

13.2 Los van het vorenstaande overweegt het hof dat, als een en ander al anders zou zijn, dit ECNed toch niet zou hebben gebaat. Rendo heeft immers ook tot haar verweer aangevoerd - en met stukken onderbouwd, zie de producties met nummer 5.24 in haar akte overlegging producties in prima - dat de in geding zijnde overeenkomst met Naber Plastics reeds in 2004 is gesloten. ECNed heeft de juistheid van dit verweer niet betwist, zodat gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen ECNed in zoverre geen aanspraak kan maken op provisie.

13.3 De grief faalt.

14. Grief VIII heeft geen zelfstandige inhoud en behoeft derhalve geen bespreking.

15. Het aanbod van ECNed om te bewijzen hoeveel energie zij sinds het begin van haar bestaan bij Rendo heeft ondergebracht wordt als niet ter zake dienende gepasseerd.

De slotsom

16. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van ECNed als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 1,5 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt ECNed in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Rendo tot aan deze uitspraak op € 2.435,00 aan verschotten en € 2.446,50 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Janse en Telman, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 oktober 2007.