Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5541

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
24-000274-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat tussen verdachte en haar medeverdachten een zodanige nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan dat medeplegen kan worden bewezen. Verdachte heeft het door de medeverdachten geopperde plan in eerste instantie niet serieus genomen. Voorts heeft verdachte haar medeverdachten tegengas gegeven en geprobeerd hen ervan te weerhouden het plan uit te voeren. Ook gedurende het wachten op de passerende fietsers heeft zij nog tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij niet naar de latere slachtoffers toe moest gaan. Verdachte heeft zelf geen uitvoeringshandelingen verricht. Naar het oordeel van het hof had zij ten opzichte van haar medeverdachten een zodanige rol dat niet bewezen kan worden dat zij willens en wetens met hen heeft samengewerkt tot het verrichten van de door hen gepleegde handelingen. Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair, tweede subsidiair en derde subsidiair ten laste gelegde.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de misdrijven door op de uitkijk te staan. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de afrasteringspalen gepakt hadden teneinde naar de slachtoffers te gaan, heeft verdachte - blijkens haar verklaring bij de politie op 20 juli 2006, alsmede haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg - hen gewaarschuwd dat er fietsers aankwamen, waarna de medeverdachten hun handelingen eerst staakten en de afrasteringspalen uit het zicht hebben gelegd. Zij heeft zich vervolgens - op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarna met de palen de dijk opliepen - niet gedistantieerd van het gebeuren, noch heeft zij geprobeerd hulp te zoeken, terwijl zij ervan op de hoogte was dat haar medeverdachten de slachtoffers wilden gaan slaan en zij op enig moment het vrouwelijke slachtoffer heeft horen gillen. Zij is op dezelfde plek blijven wachten tot de medeverdachten haar met de gestolen auto kwamen ophalen. Alhoewel verdachte dat thans ontkent, moet het er gelet op haar verklaring bij de politie, alsmede in het licht van de eerdere waarschuwing die zij gaf, voor worden gehouden dat verdachte ook op dat moment op de uitkijk stond om te waarschuwen bij naderend onraad. Ook nadat de feiten waren gepleegd, heeft zij geen hulp voor de slachtoffers gezocht of een ambulance gebeld. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van moord, meermalen gepleegd, en acht met betrekking tot verdachte de als vierde subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan wettig en overtuigend bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000274-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-630414-06

Arrest van 12 oktober 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 1 februari 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in RIJ de Doggershoek, Den Helder te Den Helder,

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. W.Chr. de Roos, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft aan haar maatregelen opgelegd en voorts beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen ter zake van het primair ten laste gelegde medeplegen van moord, meermalen gepleegd, en haar een jeugddetentie voor de duur van elf maanden zal opleggen, met aftrek van de periode doorgebracht in voorarrest, alsmede de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geheel zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de wijzigingen zijn aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Aan verdachte is primair ten laste gelegd het medeplegen van moord, subsidiair het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, tweede subsidiair het medeplegen van doodslag en derde subsidiair diefstal in vereniging met geweld, terwijl het feit de dood tengevolge heeft, telkens meermalen gepleegd. Het vierde tot en met het achtste subsidiair betreffen dezelfde feiten, maar dan telkens met de deelnemingsvorm medeplichtigheid in plaats van medeplegen.

Uit de gedingstukken en de terechtzitting in hoger beroep leidt het hof zakelijk weergegeven de volgende feitelijke gang van zaken af.

Op 3 juli 2006 is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan vissen nabij hun woonplaats [woonplaats]. Zij hebben hier enkele uren aan de oever van het [kanaal] doorgebracht. Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden grote hoeveelheden alcohol genuttigd, ongeveer 8 halve liter blikken bier per persoon. Omstreeks half tien arriveerde het echtpaar [slachtoffer 1 en slachtoffer 2] met hun auto, een Opel Vectra, eveneens bij het [kanaal] om daar te gaan vissen, aan de andere kant van de dijk waar de verdachten zaten. [medeverdachte 1] kwam bij het zien van voornoemde auto op het idee deze te stelen. Verdachte heeft dit plan van [medeverdachte 1] in eerste instantie niet serieus genomen. [medeverdachte 2] reageerde afwijzend op het plan. [medeverdachte 1] probeerde [medeverdachte 2] vervolgens - in de Poolse taal, die verdachte gedeeltelijk begrijpt - te overreden om toch mee te doen met het plan, inhoudende dat zij de man en de vrouw op het hoofd zouden slaan met harde voorwerpen, zodat deze bewusteloos zouden raken en de verdachten de mogelijkheid hadden hun autosleutels te pakken. Als harde voorwerpen zouden zij de bij het kanaal aanwezige houten afrasteringspalen gebruiken. Verdachte heeft herhaaldelijk aangegeven niets in dit plan te zien en heeft geprobeerd medeverdachten hiervan te weerhouden. [medeverdachte 2] ging uiteindelijk toch mee met het plan van zijn vriend. Vervolgens zijn er twee palen uit de grond getrokken dan wel afgebroken, zodat beide medeverdachten elk een van de slachtoffers konden slaan.

Op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hun plan met de palen wilden uitvoeren, heeft verdachte hen gewezen op naderende fietsers. Hierop hebben de medeverdachten de houten palen weggelegd en gewacht tot de fietsers gepasseerd waren. Verdachte heeft op dat moment nog een keer aan [medeverdachte 2] aangegeven dat hij niet naar de slachtoffers toe moest gaan. De medeverdachten zetten hun plan echter voort. Zij zijn met de palen de dijk opgelopen, waar zij de situatie aan de andere kant van de dijk en de positie van de slachtoffers, die bezig waren hun visgerei te installeren, hebben verkend. Verdachte heeft op dit moment niets ondernomen. Zij heeft geen hulp gezocht bij eventuele passanten of met haar mobiele telefoon het alarmnummer gebeld, maar is blijven wachten tot de medeverdachten terug kwamen met de gestolen auto. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vanaf de dijk naar beneden gerend en hebben de man en vrouw met de palen meermalen met kracht op het hoofd geslagen, tot zij niet meer bewogen. Toen hebben zij de autosleutels gezocht en meegenomen. Met de auto hebben zij verdachte, die zich nog steeds op dezelfde plek bevond, opgepikt en zijn zij weggereden. De auto hebben zij verborgen. Hoewel verdachte nog heeft voorgesteld om een ambulance te waarschuwen, heeft geen van de betrokkenen nog iets ondernomen dat tot hulpverlening van de op dat moment mogelijk nog in leven zijnde slachtoffers had kunnen leiden. De lichamen van [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] zijn een dag later aangetroffen door een passant, die langs het kanaal zijn hond uitliet. Uit sectie op hun lichamen is gebleken dat zij zijn overleden aan de gevolgen van het hersenletsel dat hen door het geweld was toegebracht.

Door de advocaat-generaal is betoogd dat verdachte dient te worden veroordeeld wegens het medeplegen van moord, meermalen gepleegd. De raadsman van verdachte is van mening dat zowel medeplegen als medeplichtigheid bij de feiten niet kan worden bewezen, zodat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat tussen verdachte en haar medeverdachten een zodanige nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan dat medeplegen kan worden bewezen. Verdachte heeft het door de medeverdachten geopperde plan in eerste instantie niet serieus genomen. Voorts heeft verdachte haar medeverdachten tegengas gegeven en geprobeerd hen ervan te weerhouden het plan uit te voeren. Ook gedurende het wachten op de passerende fietsers heeft zij nog tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij niet naar de latere slachtoffers toe moest gaan. Verdachte heeft zelf geen uitvoeringshandelingen verricht. Naar het oordeel van het hof had zij ten opzichte van haar medeverdachten een zodanige rol dat niet bewezen kan worden dat zij willens en wetens met hen heeft samengewerkt tot het verrichten van de door hen gepleegde handelingen. Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair, tweede subsidiair en derde subsidiair ten laste gelegde.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de misdrijven door op de uitkijk te staan. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de afrasteringspalen gepakt hadden teneinde naar de slachtoffers te gaan, heeft verdachte - blijkens haar verklaring bij de politie op 20 juli 2006, alsmede haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg - hen gewaarschuwd dat er fietsers aankwamen, waarna de medeverdachten hun handelingen eerst staakten en de afrasteringspalen uit het zicht hebben gelegd. Zij heeft zich vervolgens - op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarna met de palen de dijk opliepen - niet gedistantieerd van het gebeuren, noch heeft zij geprobeerd hulp te zoeken, terwijl zij ervan op de hoogte was dat haar medeverdachten de slachtoffers wilden gaan slaan en zij op enig moment het vrouwelijke slachtoffer heeft horen gillen. Zij is op dezelfde plek blijven wachten tot de medeverdachten haar met de gestolen auto kwamen ophalen. Alhoewel verdachte dat thans ontkent, moet het er gelet op haar verklaring bij de politie, alsmede in het licht van de eerdere waarschuwing die zij gaf, voor worden gehouden dat verdachte ook op dat moment op de uitkijk stond om te waarschuwen bij naderend onraad. Ook nadat de feiten waren gepleegd, heeft zij geen hulp voor de slachtoffers gezocht of een ambulance gebeld. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van moord, meermalen gepleegd, en acht met betrekking tot verdachte de als vierde subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair, subsidiair, tweede subsidiair en derde subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht het aan verdachte vierde subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 3 juli 2006, in de gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging, opzettelijk en met voorbedachten rade een man, genaamd [slachtoffer 1], en een vrouw, genaamd [slachtoffer 2], van het leven hebben beroofd, immers hebben die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] met houten palen tegen/op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zijn overleden,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk in de nabijheid van de plaats van het misdrijf op de uitkijk te verblijven teneinde die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 1] bij onraad te waarschuwen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld vierde subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

vierde subsidiair: medeplichtigheid bij medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door RIJ De Doggershoek d.d. 5 januari 2007 een multidisciplinair rapport uitgebracht. De deskundigen N. Nieuwelink, gezondheidspsycholoog in opleiding, H. Backer, kinder- en jeugdpsychiater, en M. Kapteijns, psycholoog, concluderen in dit rapport dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond (in de zin van een antisociale gedragsstoornis) dat de feiten haar in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze begaan zijn en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is behulpzaam geweest bij de door haar vrienden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde moorden op de 73-jarige [slachtoffer 1] en de 71-jarige [slachtoffer 2]. Zoals reeds naar voren kwam uit de hierboven bij de bewijsoverweging uiteengezette feiten, was verdachte aanwezig toen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het plan bedachten en stond zij op de uitkijk toen haar medeverdachten hun plan uitvoerde, zoals hiervoor weergegeven. De lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn een dag later aangetroffen door een passant, die langs het kanaal zijn hond uitliet. Uit sectie op hun lichamen is gebleken dat zij zijn overleden aan de gevolgen van het hersenletsel dat hen door het geweld was toegebracht.

Het leed dat hiermee aan de nabestaanden van de slachtoffers is toegebracht, is bijzonder groot. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de zoon [zoon] en de schoonzoon [schoonzoon] van de slachtoffers blijkt hoe zeer het leven van de nabestaanden, de vijf kinderen en de vijftien kleinkinderen van het echtpaar, door de gebeurtenissen is beïnvloed. Niet alleen hebben zij hun dierbare ouders en grootouders verloren, ook moeten zij leven met de wetenschap dat deze op een zeer gewelddadige manier aan hun einde zijn gekomen en de laatste momenten van hun leven bijzonder beangstigend moeten zijn geweest.

Tevens hebben deze moorden - gepleegd op twee oudere, volstrekt willekeurige mensen, zonder enige andere aanleiding dan materieel gewin - de rechtsorde ernstig geschokt en hebben zij het veiligheidsgevoel aangetast, in de kleine gemeenschap van [plaats], maar ook ver daarbuiten.

Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie dient te worden opgelegd. Deze straf dient ter vergelding van het leed dat verdachte de nabestaanden van de slachtoffers heeft aangedaan en ter effening van de schok die aan de rechtsorde is toegebracht.

Bij de bepaling van de straf houdt het hof rekening met de jonge leeftijd van verdachte - zij was 15 ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, - alsmede met de omstandigheid dat zij niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van geweldsmisdrijven, zoals blijkt uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 september 2007, en dat de feiten haar zoals voornoemd in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het hof houdt voorts rekening met de op te leggen maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Alles tezamen genomen acht het hof de door de rechtbank opgelegde jeugddetentie passend en geboden.

Motivering van de op te leggen maatregel

In eerdergenoemd rapport van RIJ De Doggershoek werd geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. De deskundigen kwamen voorts tot onder meer de volgende conclusies in dit rapport - zakelijk weergegeven -:

Bij betrokkene is sprake van een antisociale gedragsstoornis. De kans is groot dat zij een antisociale persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt. Zij heeft een zeer gebrekkige gewetensfunctie en lijkt met name bezorgd te zijn over haar eigen lot. Betrokkene heeft geen weet van haar gebrek aan invoelend vermogen voor anderen, ervaart geen lijdensdruk en is niet gemotiveerd voor behandeling. In het verleden heeft zij ook meermalen blijk gegeven zich niet open te stellen voor hulp. De ongunstige houding van verdachte ten opzichte van het ten laste gelegde, de lange voorgeschiedenis van gedragsproblemen, de psychopathische persoonlijkheidskenmerken, de beperkte mogelijkheden van het thuismilieu en haar ontbrekende behandelmotivatie zijn factoren die de kans op recidive beïnvloeden. Geadviseerd wordt in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene en in het belang van de maatschappij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) op te leggen in de Doggershoek. Ambulante mogelijkheden tot behandeling van haar stoornis ontbreken en betrokkene is hiertoe ook niet gemotiveerd.

Gelet op dit rapport en op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen, is het hof van oordeel dat verdachte behandeld dient te worden voor haar gedragsstoornis en dat deze behandeling dient plaats te vinden in het kader van een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Gelet op het - naar het oordeel van het hof - aanwezige recidivegevaar, eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van die maatregel. Voorts is de maatregel - ter voorkoming van verdere scheefgroei van de persoonlijkheid van verdachte - in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat een PIJ maatregel overbodig is. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De gronden waarop de PIJ maatregel is geadviseerd zijn achterhaald. Verdachte - die reeds meer dan een jaar in de Doggershoek is gedetineerd - heeft met oog op haar toekomstplannen deelcertificaten gehaald en veel van de factoren die de recidivekans beïnvloeden zijn niet meer aanwezig. Voorts loopt er een procedure betreffende de ondertoezichtstelling van verdachte en ook in dit kader is behandeling in een besloten setting geadviseerd. Het verzoek een PIJ aan verdachte op te leggen dient derhalve te worden afgewezen. Subsidiair voert hij aan dat een nieuw rapport omtrent verdachte dient te worden opgemaakt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Verdachte functioneert momenteel weliswaar goed binnen de structuur van De Doggershoek, maar de aan deze feiten ten grondslag liggende gedragsstoornis is nog niet behandeld. Voornoemde deskundigen zijn van oordeel dat het recidivegevaar aanwezig is indien de stoornis van verdachte niet wordt behandeld en zij adviseren dat deze behandeling zal plaatsvinden in een gesloten setting. Ter terechtzitting van het hof is door getuige-deskundige Y. Tuin, maatschappelijk werker bij de Raad voor de Kinderbescherming, verklaard dat voornoemde conclusies nog steeds onverkort aan de orde zijn. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. De positieve wending in het leven van de verdachte is naar het oordeel van het hof niet zodanig dat behandeling niet meer nodig is. Derhalve acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ nog steeds noodzakelijk. Het omtrent verdachte gegeven advies in het kader van de ondertoezichtstelling staat hier los van.

Het verzoek van de raadsman een nadere rapportage te laten opmaken wijst het hof af. Het hof acht zich voldoende ingelicht omtrent de situatie van verdachte op grond van het voornoemde multidisciplinaire rapport d.d. 5 januari 2007 en de recente informatie van de Raad voor de Kinderbescherming, toegelicht door voornoemde getuige-deskundige ter terechtzitting van het hof.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij

In het geding in eerste aanleg heeft [benadeelde partij 1] zich door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij en 11.000 euro gevorderd, bestaande uit materiële kosten naar aanleiding van de uitvaart van de slachtoffers. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. Derhalve komt de gehele vordering in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman van verdachte heeft de vordering niet weersproken. Het hof acht aannemelijk geworden dat de nabestaanden, die zich op grond van artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij hebben gevoegd, als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade hebben geleden in de zin van de gevorderde kosten. Het hof zal deze kosten dan ook geheel toewijzen. Het hof acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd.

[benadeelde partij 2] heeft zich in het geding in eerste aanleg eveneens gevoegd als benadeelde partij. De rechtbank heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet overeenkomstig artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opnieuw gevoegd. Derhalve zal het hof op deze vordering geen beslissing nemen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 48, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair, subsidiair, tweede subsidiair en derde subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het verdachte vierde subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld vierde subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van tweehonderdvier dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

adviseert dat de maatregel zal worden ten uitvoer gelegd in de Rijksinrichting voor Jeugdigen "De Doggershoek" te Den Helder;

gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van een aansteker met opdruk "Auto Kemper";

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], [adres], [woonplaats], tot een bedrag van elfduizend euro;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van elfduizend euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], [adres], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentachtig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Kalsbeek, voorzitter, mr. J.A. Wiarda en mr. P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. M. Pier als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.