Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5538

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
24-003131-06
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2007:BA4035, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de moord op de 73-jarige [slachtoffer 1] en de 71-jarige [slachtoffer 2]. Zeer ernstige delicten, die voor grote maatschappelijke onrust hebben gezorgd. De bewuste avond, 3 juli 2006, is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] gaan vissen nabij hun woonplaats [woonplaats]. Zij hebben hier enkele uren aan de oever van het [kanaal] doorgebracht. Door verdachte en [medeverdachte 1] werden grote hoeveelheden alcohol genuttigd, ongeveer 8 halve liter blikken bier per persoon. Omstreeks half tien arriveerde het echtpaar [slachtoffer 1 en slachtoffer 2] met hun auto, een Opel Vectra, eveneens bij het [kanaal] om daar te gaan vissen, aan de andere kant van de dijk waar de verdachten zaten. Verdachte kwam bij het zien van voornoemde auto op het idee deze te stelen. In eerste instantie reageerde [medeverdachte 1] net als [medeverdachte 2] afwijzend op dit voorstel, maar na enige overreding besloot hij toch mee te gaan met het door verdachte ontwikkelde plan, inhoudende dat zij de man en de vrouw op het hoofd zouden slaan met harde voorwerpen, zodat deze bewusteloos zouden raken en de verdachten de mogelijkheid hadden hun autosleutels te pakken. Als harde voorwerpen zouden zij de bij het kanaal aanwezige houten afrasteringspalen gebruiken. Vervolgens zijn er twee palen uit de grond getrokken dan wel afgebroken, zodat beide verdachten elk een van de slachtoffers konden slaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001160-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-630413-06

Arrest van 12 oktober 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 27 april 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft hem een maatregel opgelegd en beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen ter zake van het primair ten laste gelegde en hem een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren zal opleggen, met aftrek van de periode doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de wijzigingen zijn aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het aan verdachte primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 juli 2006, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een man, genaamd [slachtoffer 1], en een vrouw, genaamd [slachtoffer 2], van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] met houten palen tegen/op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zijn overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

primair: medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door het Pieter Baan Centrum d.d. 21 december 2006 een multidisciplinair rapport uitgebracht. De deskundigen A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, en J.M. Oudejans, psycholoog, concluderen in dit rapport dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond (in de zin van een dreigende of beginnende antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid) dat de feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voorts is door kinder- en jeugdpsychiater W.K. Noorda een psychiatrisch rapport d.d. 5 april 2007 uitgebracht. Hij concludeert dat de feiten verdachte vanwege zijn gedragsstoornis in licht verminderde feiten kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

De rechtbank heeft verdachte met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht als bedoeld in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof – net als de officier van justitie in eerste aanleg - eveneens met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren gevorderd. De raadsman van verdachte is van oordeel dat ten aanzien van verdachte - die 17 jaar oud was ten tijde van het bewezen verklaarde - het sanctierecht voor jeugdigen dient te worden toegepast. Subsidiair is hij van mening dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze begaan zijn en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de moord op de

73-jarige [slachtoffer 1] en de 71-jarige [slachtoffer 2]. Zeer ernstige delicten, die voor grote maatschappelijke onrust hebben gezorgd. De bewuste avond, 3 juli 2006, is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] gaan vissen nabij hun woonplaats [woonplaats]. Zij hebben hier enkele uren aan de oever van het [kanaal] doorgebracht. Door verdachte en [medeverdachte 1] werden grote hoeveelheden alcohol genuttigd, ongeveer 8 halve liter blikken bier per persoon. Omstreeks half tien arriveerde het echtpaar [slachtoffer 1 en slachtoffer 2] met hun auto, een Opel Vectra, eveneens bij het [kanaal] om daar te gaan vissen, aan de andere kant van de dijk waar de verdachten zaten. Verdachte kwam bij het zien van voornoemde auto op het idee deze te stelen. In eerste instantie reageerde [medeverdachte 1] net als [medeverdachte 2] afwijzend op dit voorstel, maar na enige overreding besloot hij toch mee te gaan met het door verdachte ontwikkelde plan, inhoudende dat zij de man en de vrouw op het hoofd zouden slaan met harde voorwerpen, zodat deze bewusteloos zouden raken en de verdachten de mogelijkheid hadden hun autosleutels te pakken. Als harde voorwerpen zouden zij de bij het kanaal aanwezige houten afrasteringspalen gebruiken. Vervolgens zijn er twee palen uit de grond getrokken dan wel afgebroken, zodat beide verdachten elk een van de slachtoffers konden slaan.

Op het moment dat [medeverdachte 1] en verdachte hun plan wilden uitvoeren, werden zij door [medeverdachte 2] gewezen op naderende fietsers. De houten palen werden hierop weggelegd en verdachte en [medeverdachte 1] hebben gewacht tot de fietsers gepasseerd waren. Daarna hebben zij - ondanks dit rustmoment, waarop zij tot bezinning hadden kunnen komen - hun plan voortgezet. Zij zijn met de palen de dijk opgelopen, waar zij de situatie aan de andere kant van de dijk en de positie van de slachtoffers, die bezig waren hun visgerei te installeren, hebben verkend. Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte 1] van de dijk naar beneden gerend en hebben de man en vrouw met de palen meermalen met kracht op het hoofd geslagen, tot zij niet meer bewogen. Toen hebben zij de autosleutels gezocht en meegenomen. Met de auto hebben zij [medeverdachte 2] opgepikt, die nog aan de andere kant van de dijk stond te wachten, en zijn zij weggereden. De auto hebben zij verborgen. Hoewel [medeverdachte 2] nog heeft voorgesteld om een ambulance te waarschuwen, hebben de verdachten niets ondernomen dat tot hulpverlening van de op dat moment mogelijk nog in leven zijnde slachtoffers had kunnen leiden. De lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn een dag later aangetroffen door een passant, die langs het kanaal zijn hond uitliet. Uit sectie op hun lichamen is gebleken dat zij zijn overleden aan de gevolgen van het hersenletsel dat hen door het geweld was toegebracht.

Het leed dat de verdachten hiermee aan de nabestaanden van de slachtoffers hebben toegebracht is bijzonder groot. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de zoon [zoon] en de schoonzoon [schoonzoon] van de slachtoffers blijkt hoe zeer het leven van de nabestaanden, de vijf kinderen en de vijftien kleinkinderen van het echtpaar, door de gebeurtenissen is beïnvloed. Niet alleen hebben zij hun dierbare ouders en grootouders verloren, ook moeten zij leven met de wetenschap dat deze op een zeer gewelddadige manier aan hun einde zijn gekomen en de laatste momenten van hun leven bijzonder beangstigend moeten zijn geweest.

Tevens hebben deze moorden de rechtsorde ernstig geschokt en hebben zij het veiligheidsgevoel aangetast, in de kleine gemeenschap van [plaats], maar ook ver daarbuiten.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en voornoemde omstandigheden dient naar het oordeel van het hof het volwassenenstrafrecht te worden toegepast als bedoeld in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. De conclusie van kinder- en jeugdpsychiater Noorda voornoemd, dat de persoonlijkheid van verdachte geen aanleiding biedt om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, doet hieraan niets af. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die behoren tot de ernstigste die het Wetboek van Strafrecht kent, gepleegd tegen twee oudere, volstrekt willekeurige mensen, zonder enige andere aanleiding dan materieel gewin. Het hof zal het jeugdsanctierecht derhalve buiten toepassing laten.

Bij de bepaling van de straf neemt het hof in aanmerking dat verdachte zodanig excessief geweld heeft gebruikt dat de dood hierop een te verwachten gevolg was. Voorts heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte in Nederland niet vaker is veroordeeld wegens het plegen van geweldsmisdrijven, zoals blijkt uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 september 2007.

Alles tezamen genomen dient aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur te worden opgelegd. Het hof is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar rechtvaardigen. Hoewel het hof zich realiseert dat levensdelicten als in de onderhavige zaak zich moeilijk lenen voor onderlinge vergelijking, is bij bepaling van deze straf rekening gehouden met de straffen die het hof in enigszins soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Het hof ziet in de omstandigheid dat de feiten verdachte in licht/enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend echter reden om een lagere gevangenisstraf op te leggen. Blijkens voornoemd rapport van het PBC was verdachte vanwege factoren in zijn persoonlijkheidsstructuur en zijn gebrekkige gewetensfunctie minder dan een normaal mens in staat de consequenties van zijn gedrag te overzien en een andere gedragskeuze te maken. Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. Het hof is van oordeel dat dit een matigende werking op de straf dient te hebben en zal verdachte derhalve een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar opleggen. Aangezien de deskundigen zich niet of niet voldoende hebben uitgelaten over de recidivekans naar aanleiding van zijn persoonlijkheidsproblematiek, ziet het hof geen aanleiding om verdachte hiervoor in een strafrechtelijk kader te laten behandelen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij

In het geding in eerste aanleg heeft [benadeelde partij 1] zich door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij en 11.000 euro gevorderd, bestaande uit materiële kosten naar aanleiding van de uitvaart van de slachtoffers. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. Derhalve komt de gehele vordering in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman van verdachte heeft de vordering niet weersproken. Het hof acht aannemelijk geworden dat de nabestaanden, die zich op grond van artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij hebben gevoegd, als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade hebben geleden in de zin van de gevorderde kosten. Het hof zal deze kosten dan ook geheel toewijzen. Het hof acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd.

[benadeelde partij 2] heeft zich in het geding in eerste aanleg eveneens gevoegd als benadeelde partij. De rechtbank heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet overeenkomstig artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opnieuw gevoegd. Derhalve zal het hof op deze vordering geen beslissing nemen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 77b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], [adres], [woonplaats], tot een bedrag van elfduizend euro;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van elfduizend euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], [adres], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentachtig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Kalsbeek, voorzitter, mr. J.A. Wiarda en mr. P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. M. Pier als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.