Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5471

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
0700474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Straatverbod / tenuitvoerlegging / lijfsdwang

LIMOR is een instelling die opvang en begeleiding verleent aan dak- en thuislozen. Zij exploiteert een woonvoorziening. Geïntimeerde heeft in deze woonvoorziening gewoond.

Geïntimeerde heeft sedert jaren een verslavingsproblematiek. Hij heeft een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis met een gegeneraliseerde angststoornis. Hij denkt in rampen, is psychotisch geweest en is dan heel wantrouwig en achterdochtig. Hij heeft zich agressief opgesteld jegens mede-bewoners en personeel van de woonvoorziening, waarbij tevens sprake was van bedreiging met een mes.

De voorzieningenrechter heeft in de onderhavige procedure geïntimeerde een straatverbod opgelegd voor het gebied dat is gelegen binnen een straal van 1000 meter vanaf de woonvoorziening en een contactverbod ten aanzien van LIMOR en haar personeel, onder verbeurte van een dwangsom. Een verzoek om toepassing van lijfsdwang heeft de voorzieningenrechter in eerste aanleg afgewezen.

LIMOR heeft hoger beroep aangetekend en vordert een straatverbod voor de gehele plaats waar de woonvoorziening is gevestigd en heeft opnieuw verzocht aan de dwangsommen de mogelijkheid van toepassing van lijfsdwang te verbinden.

Het hof breidt het straatverbod van geïntimeerde uit tot de gehele bebouwde kom van de gemeente waar de woonvoorziening is gevestigd. Het hof ziet van het mogelijk maken van lijfsdwang, met name omdat in dit geval de lijfsdwang het karakter van een bestraffing zou kunnen aannemen en omdat het hof de speciaal-preventieve werking van lijfsdwang ten opzichte van geïntimeerde bepaald gering acht.

Dit betekent niet dat de effectiviteit van het straatverbod (nagenoeg) illusoir zou zijn. Het kan immers, zoals elk in executoriale vorm gegeven rechterlijke uitspraak, dit met behulp van de openbare macht ten uitvoer te leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 585
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2008/10 met annotatie van Noot mr. M. Beekhoven van den Boezem onder «JBPR» 2008/6.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 10 oktober 2007

Rolnummer 0700474

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

stichting Landelijke Instelling voor Maatschappelijke Ondersteuning en Rehabilitatie,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: LIMOR,

procureur: mr. S. Maakal,

voor wie heeft gepleit mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie heeft gepleit mr. L.S. Wachters, advocaat te Delfzijl.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 6 juli 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 juli 2007 is door LIMOR hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 8 augustus 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende grieven, luidt na wijziging van eis:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis d.d. 6 juli 2007 van de Rechtbank Groningen en opnieuw rechtdoende de vordering(en) van LIMOR alsnog moge toewijzen, in die zin, dat het Gerechtshof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.

Primair

geïntimeerde verbiedt om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen arrest zich op te houden c.q. te bevinden in de bebouwde kom van [plaats] (begrenst door de plaatsnaamborden "[plaats]");

dan wel

Subsidiair

geïntimeerde verbiedt om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen arrest zich op te houden binnen een straal van 3.000 meter, althans binnen een door het Gerechtshof in goede justitie te bepalen straal, rond de woonvoorziening de Greidhoek van LIMOR te [plaats];

2.

geïntimeerde verbiedt om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen arrest op welke dan ook contact op te nemen met appellante en/ of haar personeelsleden;

3.

geïntimeerde verbiedt om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen arrest zich bedreigend, beledigd en/ of leugenachtig jegens appellante en haar personeelsleden uit te laten, zowel in woord als geschrift als op enig andere denkbare wijze;

4.

bepaalt dat bij iedere overtreding van het onder 1 gevorderde ter keuze van appellante hetzij geïntimeerde een dwangsom van € 250,= per geconstateerde overtreding verbeurt, te voldoen binnen 48 uur nadat deze overtreding aan hem is betekend, doch met een maximum van € 10.000,=, hetzij appellante het verbod onder 1 ten uitvoer kan doen leggen bij lijfsdwang, met dien verstande dat de termijn gedurende welke deze lijfsdwang ten uitvoer kan worden gelegd wordt bepaald op acht dagen per overtreding, met een maximum van een jaar (dan wel in redelijkheid door het Gerechtshof te bepalen andere termijnen);

subsidiair

het onder 1 gevorderde op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 250,= per geconstateerde overtreding, te voldoen vinnen 48 uur nadat deze overtreding aan hem is betekend, doch met een maximum van € 10.000,=;

5.

het onder 2 en 3 gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per geconstateerde overtreding, te voldoen binnen 48 uur nadat deze overtreding aan hem is betekend, doch met een maximum van € 10.000,=;

6

waarbij appellante wordt gemachtigd om de onder 1, 2 en 3 gevorderde verboden zo nodig met behulp van de sterk arm van politie en justitie te effectueren;

7.

althans een zodanige beslissing te nemen als het Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

8.

Met, in alle gevallen, een veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de beide instanties.""

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad

- de door Limor aangevoerde grieven ongegrond te verklaren;

- het vonnis op 6 juli 2007 door de Rechtbank te Groningen tussen partijen gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende door Limor in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar die vorderingen te ontzeggen;

- met veroordeling van Limor in de kosten van de procedure in beide instanties."

Limor heet in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"Limor meent dat het incidenteel appèl, zoals dat is ingesteld tegen het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen d.d. 6 juli 2007 (zaaknummer/rolnummer 94999/ KG ZA 07-219) ongegrond is en dientengevolge afgewezen dient te worden.

Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten onder overlegging van een pleitnota door LIMOR.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd waartoe [geïntimeerde] diens procesdossier heeft overgelegd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen.

De grieven

LIMOR heeft in het principaal appel drie grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

1. Voor zover van belang in het verband van de beoordeling van het geschil in kort geding, staan de volgende feiten vast als gesteld en erkend dan wel als onvoldoende weersproken:

- LIMOR is een instelling die opvang en begeleiding verleent aan dak- en thuislozen. Zij exploiteert te [plaats] een woonvoorziening, genaamd [woonvoorziening ].

- Het verblijf door bewoners in de percelen van LIMOR geschiedt op vrijwillige basis en is gegrond op een overeenkomst die wordt gesloten tussen de bewoner en LIMOR.

- Op 27 april 2007 is [geïntimeerde] in [woonvoorziening ] komen wonen.

- [geïntimeerde] heeft sedert jaren een verslavingsproblematiek. Hij heeft een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis met een gegeneraliseerde angststoornis. Hij denkt in rampen, is psychotisch geweest en is dan heel wantrouwig en achterdochtig. [geïntimeerde] heeft een justitieel verleden, en is gedetineerd geweest voor de handel in drugs.Voorafgaand aan zijn verblijf in [woonvoorziening ] is [geïntimeerde] elders afgekickt van een drugs- en alcoholverslaving. Hij gebruikt medicatie.

- Op of omstreeks 13 juni 2007 en kort daarna heeft [geïntimeerde] zich agressief opgesteld jegens mede-bewoners en personeel van [woonvoorziening ], waarbij tevens sprake was van bedreiging met een mes. Daarvan is tegen hem door een mede-bewoner aangifte gedaan bij de politie. In deze periode gebruikte hij ook alcohol.

- De politie heeft [geïntimeerde] vervolgens door een arrestatieteam laten aanhouden. Na diens vrijlating op 15 juni 2007 heeft LIMOR een particulier beveiligingsbedrijf ingeschakeld in afwachting van het vertrek van [geïntimeerde].

- Sinds 28 juni 2007 is [geïntimeerde] woonachtig in een instelling te [plaats].

2. De voorzieningenrechter heeft in de onderhavige procedure, waarbij [geïntimeerde] in de eerste aanleg verstek heeft laten gaan, hem een straatverbod opgelegd voor het gebied dat is gelegen binnen een straal van 1000 meter vanaf [woonvoorziening ] alsmede een contactverbod ten aanzien van LIMOR en haar personeel, en heeft hem tevens verboden om zich bedreigend, beledigend en/of leugenachtig jegens LIMOR en haar personeel uit te laten, alles gedurende de periode van een jaar na betekening van het vonnis, en onder verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per overtreding tot een maximum van € 10.000,--. Het meer of anders gevorderde (waaronder met name lijfsdwang) heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

3. LIMOR is hiervan in (principaal) appel gekomen met drie grieven, in essentie ertoe strekkende dat het straatverbod wordt gewijzigd aldus dat het zich uitstrekt tot de bebouwde kom van [plaats] subsidiair tot een straal van drie kilometer vanaf [woonvoorziening ]. Daarnaast heeft LIMOR bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de lijfsdwang die zij in prima had gevorderd in relatie tot mogelijke overtredingen door [geïntimeerde] van de op te leggen verboden.

4. [geïntimeerde] heeft met zijn grief in het incidenteel appel aangevoerd – kortweg – dat de noodzaak tot het geven van een voorziening in kort geding ontbrak nu zijn gedrag daartoe onvoldoende aanleiding bood, en hij niet voornemens is om naar [plaats] te gaan en contact te zoeken met [woonvoorziening ].

5. Met LIMOR is het hof van oordeel dat het handelen van [geïntimeerde] zoals dat – door [geïntimeerde] weliswaar gebagatelliseerd doch overigens ontoereikend weersproken – uit de stukken blijkt en hierboven sterk verkort is weergegeven, bezien tegen de achtergrond van de problematiek van [geïntimeerde] en na afweging van de wederzijdse belangen, een toereikende grondslag biedt tot het treffen van een voorlopige voorziening die (rechts)bescherming biedt aan LIMOR en haar personeel alsmede aan de bewoners van [woonvoorziening ]. Nu onweersproken is gesteld dat bedoeld personeel verspreid over de bebouwde kom van [plaats] woonachtig is, is daarmee gegeven dat LIMOR een toereikend belang heeft bij een straatverbod dat zich uitstrekt tot de bebouwde kom van [plaats]. Het hof betrekt hierbij ook de opstelling van [geïntimeerde] waaruit volgt dat hij, nu hij aangeeft niet voornemens te zijn zich te [plaats] op te houden, niet onevenredig zwaar zal worden getroffen door een straatverbod zoals hiervoor omschreven. Tegen de beperking van één jaar na betekening van het vonnis in prima – op 26 juli 2007 – is door LIMOR geen bezwaar aangevoerd, zodat ook het hof van deze beperking zal uitgaan.

6. Gezien het voorgaande acht het hof een toereikende grondslag aanwezig om (ook) de beide andere voorzieningen die in prima zijn toegewezen, in stand te houden.

7. Voor de veroordeling van [geïntimeerde] om de eventueel te verbeuren dwangsommen te betalen binnen 48 uur na betekening van elke overtreding, acht het hof met de rechtbank evenwel geen grond aanwezig.

8. Met betrekking tot de vraag of de verboden dienen te worden ondersteund met dwangsommen of met lijfsdwang, overweegt het hof als volgt. Aan LIMOR kan worden toegegeven dat dwangsommen in het onderhavige geval een geringe preventieve werking zullen hebben, nu [geïntimeerde] geen enkel vermogen heeft waarop deze dwangsommen zonodig zouden kunnen worden verhaald. Daar staat tegenover dat de daadwerkelijke toepassing van lijfsdwang onontkoombaar met zich brengt dat, als gevolg van die toepassing, de overtreding van een op te leggen straat- of contactverbod wordt beëindigd, in welk geval de lijfsdwang het karakter van een bestraffing aanneemt. Bovendien schat het hof de speciaal-preventieve werking van lijfsdwang ten opzichte van [geïntimeerde] bepaald gering in, nu de stukken aanleiding geven tot de voorlopige conclusie dat een eventueel toekomstig normafwijkend gedrag van [geïntimeerde] zal worden ingegeven door diens persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, en niet zozeer het resultaat zal zijn van een rationele afweging van voor- en nadelen van het plegen van een overtreding van de opgelegde verboden. Om deze redenen zal (ook) het hof afzien van het mogelijk maken van lijfsdwang.

9. Het hof deelt niet de door LIMOR ten pleidooie geuite vrees dat zonder lijfsdwang de handhaving van het op te leggen straatverbod (nagenoeg) illusoir zou zijn. Immers bevat een in executoriale vorm gegeven rechterlijke uitspraak (na betekening daarvan aan de wederpartij) blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 430 Rv, “een bevel aan de regterlijke ambtenaren, deurwaarders, en de openbare magt, om dezelve ten uitvoer te leggen”, zodat in de vermelding “in naam der Koningin” op de grosse van een rechterlijke uitspraak ligt besloten de opdracht aan de openbare macht om desgevraagd de uitspraak ten uitvoer te leggen of bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging. In zoverre is dan ook de machtiging door de rechter van eiser om de uitspraak zo nodig met de “sterke arm” ten uitvoer te leggen, strikt genomen overbodig, ofschoon veelal wel gewenst om (ongefundeerde) aarzeling aan de zijde van de politie om in actie te komen, te overwinnen. Wel zal het hof de te verlenen machtiging tot tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm beperken tot het effectueren van het straatverbod, nu inschakeling van de sterke arm het hof niet passend voorkomt ter handhaving van de overige (contact)verboden.

10. De conclusie uit het voorgaande luidt als volgt. Het vonnis van de voorzieningenrechter, waarvan beroep, zal worden vernietigd, doch slechts voorzover daarin het straatverbod is beperkt tot het gebied binnen een straal van 1000 meter vanaf de vestiging van LIMOR te [plaats]. Toegewezen zal worden een straatverbod voor de bebouwde kom van [plaats]. Voor al het overige zal het beroepen vonnis worden bekrachtigd. Voorzover de principale grieven met het voorgaande overeenstemmen, treffen zij doel, en voor het overige kunnen zij niet tot vernietiging leiden. Het incidenteel appel zal worden verworpen.

11. Nu LIMOR in het principaal appel slechts ten dele in het gelijk zal worden gesteld, acht het hof termen aanwezig om de kosten daarvan aldus te compenseren dat ieder de eigen kosten draagt.

Met betrekking tot het incidenteel appel dient [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij te worden aangemerkt en mitsdien in de kosten te worden veroordeeld.

12. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 6 juli 2007, waarvan beroep, doch slechts voor zover in het dictum sub 4.1 een straal van 1000 meter tot de woonvoorziening van LIMOR te [plaats] is neergelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verbiedt [geïntimeerde] om gedurende een periode van een jaar na betekening van het vonnis in prima, zich op te houden c.q. zich te bevinden binnen de bebouwde kom van de gemeente [plaats], welke bebouwde kom wordt aangegeven door de plaatsnaamborden “[plaats]”;

verklaart dit verbod uitvoerbaar bij voorraad;

machtigt LIMOR om bovengenoemd verbod te effectueren met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

bekrachtigt voor al het overige het vonnis van 6 juli 2007;

wijst af hetgeen LIMOR in hoger beroep meer of anders heeft gevorderd;

compenseert de kosten van het principaal appel aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

In het incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van LIMOR te begroten op nihil aan verschotten en € 447,-- voor salaris (0,5 punt in tarief II), en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Van der Hoek, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 oktober 2007.