Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5348

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
24-002599-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ9367, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9367
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van dodelijk ongeval

Het hof acht op bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan roekeloos rijgedrag. Zij zijn immers dicht achter elkaar en met een te hoge snelheid gaan rijden op een bochtige weg waarop andere (zwakkere) verkeersdeelnemers aanwezig waren, hetgeen door hen, mede gelet op het tijdstip, omstreeks 20.00 uur, ook kon worden verwacht. Het kan daarom niet anders of beiden hebben welbewust het onaanvaardbare risico op het ernstige ongeval met dodelijke afloop genomen, dat zich vervolgens ook heeft voorgedaan. [het slachtoffer] is in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd en daar, enkele uren na het ongeval, aan de gevolgen daarvan gestorven. Aldus acht het hof bewezen dat haar overlijden in een zodanig rechtstreeks verband met de aanrijding staat dat zij daardoor is gedood in de zin van de tenlastelegging. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gebleken.

Nu bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met [de medeverdachte], op de plaats en het tijdstip die hier van belang zijn, zich roekeloos in het verkeer heeft gedragen, kunnen de gevolgen daarvan - te weten het overlijden van [het slachtoffer] - hem eveneens worden toegerekend. Dat het niet verdachte maar [de medeverdachte] is geweest die feitelijk in botsing met [het slachtoffer] kwam, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002599-06

Parketnummer eerste aanleg: 17-880193-06

Arrest van 10 oktober 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 2 november 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J. van Rooij, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf en heeft voorts een beslissing genomen op de onder verdachte in beslag genomen auto, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

Verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair aan hem ten laste gelegde feit en hem veroordeelt voor de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof daarbij twee bijzondere voorwaarden stelt, te weten de bijzondere voorwaarde dat verdachte onder toezicht van de reclassering wordt gesteld (ook als dit inhoudt dat verdachte een cognitieve vaardigheidstraining zal moeten volgen) en de bijzondere voorwaarde van elektronisch toezicht voor de duur van 4 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een ontzegging voor de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren wordt opgelegd. Ten aanzien van de in beslag genomen auto heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze wordt verbeurdverklaard.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair

Verdachte heeft betoogd dat hij - anders dan [de medeverdachte] - ter plaatse van de kruising van de Spanjaardslaan en de Rengerslaan waar het ongeval heeft plaatsgevonden, niet sneller heeft gereden dan ongeveer 50 kilometer per uur. Bovendien was hij in het geheel niet bezig met het rijgedrag van [de medeverdachte], doch reed hij voor zichzelf. Van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beide bestuurders was geen sprake. Nu, aldus de raadsman van verdachte, medeplegen niet kan worden bewezen, kan het ongeval tussen [de medeverdachte] en [het slachtoffer], verdachte niet worden toegerekend. Verdachte dient daarom eveneens te worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Het hof begrijpt het verweer van verdachte aldus dat hem geen roekeloos rijgedrag op de kruising kan worden verweten nu hij aldaar reed met een snelheid van om en nabij de toegestane 50 kilometer per uur. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Met betrekking tot het rijgedrag van verdachte, rijdende in een rode Honda Civic, en medeverdachte [de medeverdachte], rijdende in een blauwe Volkswagen Golf, zijn door de [getuige 1] en [getuige 2] verklaringen afgelegd. [getuige 1] heeft op 28 juni 2006 - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij het geluid hoorde van een snel rijdende auto waarmee hij bedoelt dat de bestuurder met veel motorlawaai reed. Hij zag dat vanuit het centrum een rode auto naderde die naar zijn inschatting met een snelheid van 70 kilometer per uur reed. Hij zag direct achter de rode auto een blauwe auto rijden. Deze auto reed op dezelfde manier, met een gelijke snelheid als de rode auto. Door de manier van rijden had de getuige de indruk dat de bestuurders van de beide auto's met elkaar aan het racen waren. Uit de verklaring van [getuige 2] van 29 juni 2006, die zij onder ede heeft gehandhaafd ter zitting in eerste aanleg, volgt dat zij, rijdende in de richting van de kruising, zag dat een voor haar tegemoet komende rode auto een ontwijkende slinger moest maken voor een vrouwelijke fietser. Zij zag dat zeer dicht achter deze rode auto een paars/blauwe auto reed die tegen deze fietser botste. Het rijgedrag van de bestuurders van de rode en de paars/blauwe auto omschrijft de getuige als racen. Ze reden zeer snel achter elkaar. Zij schat de snelheid rond de 80 kilometer per uur omdat de bestuurder van de rode auto, nadat hij de slinger om de fietser maakte, moeite moest doen om zijn auto weer recht te krijgen.

Alhoewel het in zijn algemeenheid niet eenvoudig is om de snelheid van een rijdend voertuig in te schatten en verklaringen die op schattingen zijn gebaseerd terughoudend moeten worden beoordeeld, volgt uit voornoemde verklaringen, in onderling verband en samenhang gelezen, genoegzaam dat verdachte op het kruispunt van de Spanjaardslaan en de Rengerslaan roekeloos heeft gereden waarbij de snelheid van verdachte hoger is geweest dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Daarbij betrekt het hof het proces-verbaal verkeersongevalanalyse van 5 september 2005 waaruit blijkt dat [de medeverdachte], die blijkens voornoemde getuigenverklaringen met gelijke snelheid vlak achter verdachte reed, een snelheid had tussen de 73 en 77 kilometer per uur op het moment dat hij remde voor [het slachtoffer].

Het hof is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte plaatsvond in bewuste en nauwe samenwerking met [de medeverdachte]. In dit verband blijkt uit de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte en [de medeverdachte] dat zij, nadat zij elkaar op 28 juni 2006 hadden getroffen, hadden besloten gezamenlijk naar een vriend van verdachte te gaan, waarbij [de medeverdachte] achter verdachte aan is gereden omdat hij niet wist waar deze vriend woonde. [de medeverdachte] omschrijft hun rijstijl als vrij vlot waarbij de snelheid opliep tot 65 kilometer per uur. Uit zijn verklaring blijkt dat verdachte, die soms op [de medeverdachte] uitliep, vervolgens weer gas terugnam om hem bij te laten komen. Reeds hieruit leidt het hof af dat verdachte - anders dan hij heeft aangevoerd - niet alleen voor zichzelf reed maar zich bij zijn rijgedrag bewust was van, en rekening hield met de achter hem rijdende [medeverdachte]. Een en ander wordt bevestigd in de diverse verklaringen van getuigen waarbij het hof, naast de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] voornoemd, onder meer acht heeft geslagen op de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4]. Deze getuigen hebben - in onderling verband en samenhang gelezen - verklaard dat zij de indruk hadden dat de bestuurders van de rode en blauwe auto bij elkaar hoorden en dat zij tegen elkaar aan het racen waren. Beide auto's trachtten elkaar op of nabij de Noorderbrug in te halen waarbij de snelheid volgens getuige [getuige 3] hoger dan 50 kilometer per uur lag, de motoren van genoemde auto's hoog in de toeren zaten en men flink aan het doortrekken was. [getuige 4] heeft verklaard dat de auto's "pittig" reden en dat het rijgedrag abnormaal was.

Dan zijn er ten slotte de verklaringen van [getuige 5] die zag dat een op de Spanjaardslaan rijdende donkerkleurige Volkswagen Golf, na de Noorderbrug ter hoogte van een viskraam een voor hem rijdende personenauto inhaalde en vervolgens met hoge snelheid uit zicht verdwijnt. De Spanjaardslaan maakt, aldus de getuige, een bocht naar rechts die hij ter hoogte van de viskraam niet kon overzien. [getuige 6], die blijkens zijn verklaring op dat moment uit tegenovergestelde richting kwam, verklaart hierover dat de bestuurder van een blauwe Volkswagen Golf ter hoogte van de viskraam langs de Spanjaardslaan erg hard reed en hem bijna aanreed. Ook de auto die voor hem reed werd bijna door de Volkswagen geraakt. Kort daarna hoort de getuige piepende banden en een harde klap, en ziet hij in zijn achteruitkijkspiegel een vrouw door de lucht vliegen. Met betrekking tot deze inhaalmanoeuvre heeft [de medeverdachte] verklaard dat hij, toen hij op de Noorderbrug reed, zag dat verdachte op het kruisingsvlak van de Spanjaardslaan en de Eeweg en Westersingel zonder gas te verminderen een voor hem rijdende auto inhaalde. Dat was bij een bocht, in het midden van het centrum met bomen. Volgens [de medeverdachte] geen geweldige plek om in te halen, maar hij liet zich door deze inhaalmanoeuvre van verdachte "opnaaien" en heeft vervolgens op zijn beurt de auto ook ingehaald.

Het hof acht op grond van het voorgaande, te bezien in samenhang met de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan roekeloos rijgedrag. Zij zijn immers dicht achter elkaar en met een te hoge snelheid gaan rijden op een bochtige weg waarop andere (zwakkere) verkeersdeelnemers aanwezig waren, hetgeen door hen, mede gelet op het tijdstip, omstreeks 20.00 uur, ook kon worden verwacht. Het kan daarom niet anders of beiden hebben welbewust het onaanvaardbare risico op het ernstige ongeval met dodelijke afloop genomen, dat zich vervolgens ook heeft voorgedaan. [het slachtoffer] is in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd en daar, enkele uren na het ongeval, aan de gevolgen daarvan gestorven. Aldus acht het hof bewezen dat haar overlijden in een zodanig rechtstreeks verband met de aanrijding staat dat zij daardoor is gedood in de zin van de tenlastelegging. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gebleken.

Nu bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met [de medeverdachte], op de plaats en het tijdstip die hier van belang zijn, zich roekeloos in het verkeer heeft gedragen, kunnen de gevolgen daarvan - te weten het overlijden van [het slachtoffer] - hem eveneens worden toegerekend. Dat het niet verdachte maar [de medeverdachte] is geweest die feitelijk in botsing met [het slachtoffer] kwam, doet daaraan niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1 subsidiair:

hij op 28 juni 2006 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat verdachte roekeloos, samen met [de medeverdachte], met de door hen bestuurde auto's op de Spanjaardslaan en andere voor het openbaar verkeer openstaande wegen is gaan rijden en met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur de kruising van de Spanjaardslaan en de eveneens voor het openbaar verkeer openstaande weg de Rengerslaan is opgereden, waarna die [de medeverdachte] zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarbij die [de medeverdachte], met dat door hem bestuurde motorrijtuig is aangereden tegen de bestuurster van een fiets die op dat moment de rijbaan van die Spanjaardslaan aan het oversteken was waardoor die bestuurster, [het slachtoffer], werd gedood.

2:

hij op 28 juni 2006, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof - te weten cannabinoïden (THC, 11-OH-THC en THC-COOH), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen - dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

onder 1 subsidiair: medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander wordt gedood;

onder 2: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte en [de medeverdachte] hebben op roekeloze wijze aan het verkeer deelgenomen door nabij het centrum van Leeuwarden, op een tijdstip waarop zich nog meerdere mensen op de weg bevonden, met een snelheid van (op sommige momenten ruim) boven de toegestane 50 kilometer per uur achter elkaar aan te rijden. Uit meerdere getuigenverklaringen blijkt dat omstanders op grond van het rijgedrag van verdachte en zijn medeverdachte de indruk hadden dat zij tegen elkaar aan het racen waren. Verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat zijn gedrag een gevaarlijke situatie zou opleveren. Door desondanks samen met zijn medeverdachte op deze manier aan het verkeer deel te nemen heeft hij geen verantwoordelijkheidsgevoel getoond ten opzichte van medeweggebruikers en heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het gebeuren onder invloed verkeerde van cannabis, terwijl hij wist of kon weten dat zijn rijvaardigheid daardoor negatief kon worden beïnvloed.

Dramatisch gevolg van het verkeersgedrag van beide verdachten is de aanrijding van [de medeverdachte] met een overstekende fietser, [het slachtoffer], die in het ziekenhuis nog diezelfde dag aan haar verwondingen is overleden. Ter terechtzitting in hoger beroep is de heer [de schoonzoon van het slachtoffer], schoonzoon van het slachtoffer, gehoord. Uit zijn verklaring blijkt dat [het slachtoffer] een levenslustige, vrolijke vrouw was, die nog midden in de samenleving stond en die een grote rol vervulde in het leven van haar kinderen en kleinkinderen. Haar leven eindigde door het handelen van verdachten voortijdig. Met haar overlijden is aan haar nabestaanden een groot leed aangedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof de indruk gewekt dat hij niet zwaar onder het gebeurde gebukt gaat en ook weinig compassie heeft met het slachtoffer en haar nabestaanden. Hij heeft ter terechtzitting weliswaar emoties laten zien, maar die leken voornamelijk te zijn ingegeven door de gevolgen die het ongeval voor hemzelf kan hebben, zoals de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Het hof acht - vooral gelet op het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 18 september 2007 en de door rapporteur A.M.M. Koot daarop ter terechtzitting gegeven nadere toelichting - echter aannemelijk dat deze houding voor een groot deel is ingegeven door een persoonlijkheidsproblematiek die, naar het hof begrijpt, hem niet kan worden aangerekend.

Verdachte is, blijkens een uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister d.d. 1 mei 2007, vóór het onderhavige feit eerder voor strafbare feiten, waaronder een verkeersdelict, veroordeeld.

Het hof merkt nog op dat, nu sprake is van - kort gezegd - medeplegen van roekeloze verkeersdeelname, het van ondergeschikt belang is wie van de verdachten degene is geweest die het slachtoffer daadwerkelijk heeft aangereden. Vast staat dat een en ander door hun beider roekeloosheid heeft plaatsgevonden. Het hof acht de rol van beide verdachten in die zin dan ook min of meer inwisselbaar en het gedrag van verdachte dus even strafwaardig als dat van de medeverdachte.

Alle omstandigheden van de zaak in aanmerking nemend, waaronder de mate van schuld die het hof bewezen acht en de gevolgen van de aanrijding, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. Wat betreft de hoogte van de straf overweegt het hof dat artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 met ingang van 1 februari 2006 is gewijzigd: voor de gevallen waarin de schuld bestaat in roekeloosheid is het strafmaximum nader bepaald op zes jaren. Deze strafverzwarende omstandigheid is van toepassing omdat het feit na genoemde datum is gepleegd. In de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), die op dit punt dateren van 27 mei 2005, is nog geen rekening gehouden met deze wetswijziging, waarin een veranderde houding van de samenleving ten opzichte van dit type misdrijven tot uitdrukking is gebracht. Het hof is echter, de wetswijziging in aanmerking genomen, van oordeel dat in de gevallen waarin de dood van een ander te wijten is aan de roekeloosheid van de bestuurder van een motorvoertuig, in het algemeen met niet minder dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden kan worden volstaan. Bijzondere omstandigheden die er toe zouden leiden dat in dit geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, zijn niet gebleken.

Daarbij is het hof, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat verdachte in beginsel een even zware straf dient opgelegd te krijgen als [de medeverdachte], aan wie de rechtbank een straf heeft opgelegd als hiervoor overwogen. Ook het hof zal aan [de medeverdachte] bij het heden ook in zijn zaak te wijzen arrest een gevangenisstraf van achttien maanden opleggen. Het hof houdt echter rekening met de omstandigheid dat verdachte al weer geruime tijd op vrije voeten is en zijn reïntegratie inmiddels in volle gang heeft gezet. Het wederom ondergaan van een detentie zal voor verdachte dan ook ingrijpender gevolgen hebben, reden waarom het hof een deel van de aan hem op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm zal opleggen. Omdat die vorm van bestraffing nog onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit zal het hof tevens elektronisch toezicht opleggen. Mevrouw P.J.M. van Dijk en de heer J.J.M. ter Voert van de reclassering in hun adviesrapport d.d. 18 september 2007 achten deze oplegging van elektronisch toezicht mogelijk. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard elektronisch toezicht te ondergaan en de daaraan verbonden voorwaarden na te komen.

De heer A.M.M. Koot van de reclassering adviseert met betrekking tot de mogelijke strafrechtelijke afdoening van deze zaak, zoals vermeld in voormeld voorlichtingsrapport en verwoord in zijn toelichting ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - om, bij oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, daarbij als bijzondere voorwaarde te stellen dat verdachte onder toezicht van de reclassering wordt gesteld. In het kader van dit reclasseringstoezicht zal de reclassering verdachte een cognitieve vaardigheidstraining laten volgen. Doel van deze training is - kort gezegd - mensen eerst te laten denken alvorens te handelen. Rapporteur acht deze training wenselijk nu verdachte zijns inziens een persoon is die juist eerst handelt - vaak vanuit zijn emoties - en daarna pas denkt, welk gedrag hem meermaals in de problemen brengt. Het hof kan zich in deze gedachtegang vinden. Mede gelet op de indruk die het hof ter terechtzitting van de persoon van verdachte heeft gekregen zal het hof het advies van de reclassering daarom opvolgen en als bijzondere voorwaarde stellen dat verdachte onder reclasseringstoezicht wordt gesteld, zoals in het dictum nader zal worden vermeld.

Tot slot is het hof van oordeel dat - gelet op het bijzonder gevaarzettende verkeersgedrag van verdachte op de weg - aan hem een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden lange duur dient te worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De door het hof verbeurd te verklaren auto is daarvoor vatbaar. Immers met behulp van die auto zijn de hiervoor bewezenverklaarde feiten begaan, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat deze toebehoort aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8 (oud), 175 (oud), 176 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien dit inhoudt het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

stelt daarnaast als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd gedurende vier maanden onder elektronisch toezicht zal stellen met inachtneming van hetgeen in het rapport van de Stichting Reclassering Nederland van 18 september 2007 is geadviseerd en van hetgeen op basis daarvan tussen de veroordeelde en de Reclassering zal worden overeengekomen;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarde hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vijf jaren;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

een personenauto, Honda Civic, 3d 1,5 DX, kleur rood.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. H.L.C. Hermans, voorzitter,

mr. S.J. van der Woude en mr. P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.