Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5085

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
BK 134/04 Inkomstenbelasting 1998
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de juistheid van de in 2.2.1. vermelde correcties onder a, b, c, d, en h respectievelijk de in 2.2.2. vermelde correcties onder a en b.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 134/04 en 135/04 26 september 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op de beroepen van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Emmen gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de aan hem voor de jaren 1998 en 1999 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/ premieheffing volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1.1 Van belanghebbende is op 17 februari 2004 een beroepschrift ontvangen, ingediend door mr. A (Accountantskantoor B B.V.) te KK als gemachtigde (hierna: de gemachtigde) en aangevuld bij brief van 14 oktober 2004. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 24 januari 2004 betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1.1.2 Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.143.774, waarvan ƒ 1.398.903 belast naar het bijzondere tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met heffingsrente. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.1.3 Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en primair tot vernietiging van de aanslag, subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 114.882.

1.1.4 De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.142.626.

1.1.5 Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend welke bij het Hof is ingekomen op 1 november 2005.

1.1.6 De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.1.7 Van belanghebbende is op 24 juli 2006 een pleitnota ontvangen.

1.1.8 Bij een op 25 januari 2007 bij het Hof ingekomen brief heeft belanghebbende zijn pleitnota aangevuld.

1.2.1 Van belanghebbende is eveneens op 17 februari 2004 een beroepschrift ontvangen, ingediend door de gemachtigde en aangevuld bij brief van 14 oktober 2004. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 24 januari 2004 betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1.2.2 Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 199.524, waarvan ƒ 63.003 belast naar het bijzondere tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met heffingsrente. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2.3 Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en primair tot vernietiging van de aanslag, subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 179.576.

1.2.4 De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 198.421.

1.2.5 Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend welke bij het Hof is ingekomen op 1 november 2005.

1.2.6 De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden. 1.2.7 Van belanghebbende is op 24 juli 2006 een pleitnota ontvangen.

1.2.8 Bij een op 25 januari 2007 bij het Hof ingekomen brief heeft belanghebbende zijn pleitnota aangevuld.

1.3.1 De zaken zijn mondeling behandeld op de zittingen van 7 februari 2007 en 11 april 2007 te Leeuwarden en 16 mei 2007 te Assen.

Tijdens deze zittingen waren – telkens – aanwezig de belanghebbenden C, X en D, vergezeld van mr. A als gemachtigde van alle voormelde belanghebbenden, alsmede namens de inspecteur mr. E, bijgestaan door mr. F, mr. G en, ter zitting van 11 april 2007 en van 16 mei 2007, H; bij de zitting van 16 mei 2007 was namens de inspecteur voorts I aanwezig. Van het verhandelde tijdens de zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

Alle in de onderscheiden zaken ingebrachte stukken worden geacht over en weer in alle andere zaken te zijn ingebracht.

1.3.2 Het Hof heeft partijen met dagtekening 14 februari 2007 een brief gestuurd waarin de ter zitting van 7 februari 2007 met partijen gemaakte procedureafspraken zijn neergelegd.

1.3.3 Het Hof heeft partijen bij brief van 25 april 2007 verzocht nadere inlichtingen te verstrekken. Het Hof heeft daarbij de processen-verbaal van de zittingen van 7 februari 2007 en 11 april 2007 aan partijen toegezonden. De gemachtigde en de inspecteur hebben daarop gereageerd bij brieven van 8 mei 2007.

1.3.4. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 20 juni 2007 verzocht nadere inlichtingen te verstrekken inzake de proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij ongedagtekende brief, die bij het Hof is binnengekomen op 2 juli 2007. De inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2007 gereageerd op de brief van belanghebbende.

1.3.5. Bij brieven van 13 augustus 2007 en 16 augustus 2007 hebben partijen toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast.

2.1.1. Inleiding

J B.V. (hierna: Beheer) is opgericht in 1989. Nadat in 1995 haar echtgenoot was overleden, was mevrouw C (hierna: C) enig aandeelhoudster van Beheer.

Beheer hield op haar beurt alle aandelen in K B.V. (hierna: Supermarkten), met welke vennootschap zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormde.

C was directeur van zowel Beheer als Supermarkten.

In Supermarkten werd een supermarkt te Y geëxploiteerd. Supermarkten huurde de bedrijfspanden, gelegen aan de a-straat 11 en 17 te Y (hierna: de panden a-straat), van Beheer, die ook eigenaresse was van de daarboven gelegen woningen (a-straat 13 en 15).

De twee zoons van C, X (hierna: X) en D (hierna: D), tezamen ook aan te duiden als de zoons, waren werkzaam in het supermarktbedrijf in Y.

Ter financiering van de aankoop van een woonhuis door X heeft Beheer hem in mei 1996 een hypothecaire lening verstrekt tegen een rente van 4,5% per jaar.

Na het overlijden van de echtgenoot van C, zijn mr. L (hierna: L) en M (hierna: M) als juridisch en commercieel adviseur van de vennootschappen en de familie opgetreden. Daarbij werden ook de vennootschappen N B.V. (een beleggingskantoor, hierna: N) en O B.V. - naderhand omgedoopt in P B.V. (hierna: P) - ingeschakeld. De aandelen in P werden gehouden door L en M gezamenlijk, de aandelen in N door M.

De panden a-straat zijn aan de zoons verkocht en op 1 oktober 1997 geleverd voor een prijs van ƒ 1.640.000 verhoogd met omzetbelasting. Tegelijkertijd kochten de zoons van Beheer de bovenwoningen op nrs. 13 en 15 voor een bedrag van ƒ 179.500. De aankoop werd door de zoons gefinancierd met een door Beheer verstrekte lening van ƒ 1.941.300 tegen een rente van 5% per jaar. Tot zekerheid van haar vorderingen uit die lening verkreeg Beheer een recht van eerste hypotheek op de panden a-straat.

2.1.2. Verkoop supermarkt en panden

Nadat het Q-concern zijn interesse had getoond voor de overname van de supermarkt te Y, zijn daarover begin november 1997 onderhandelingen op gang gekomen die van de zijde van Beheer/Supermarkten hoofdzakelijk door L werden gevoerd.

Op 6 november 1997 heeft RR in opdracht van Q de panden a-straat (excl. de bovenwoningen) getaxeerd op ƒ 2.205.000.

Op 18 november 1997 zijn partijen het eens geworden over een overnamesom van ƒ 7.500.000 voor de supermarkt en het onroerend goed gezamenlijk. In februari 1998 is de koopsom op voorstel van L nader bepaald op ƒ 3.925.000 voor goodwill supermarkt, ƒ 360.000 voor inventaris/machines en ƒ 3.000.000 voor de panden, in totaal aldus op ƒ 7.285.000, zulks omdat Q in verband met de uitsplitsing van de koopsom, althans de toerekening van ƒ 3.000.000 daarvan aan de panden, een korting van ƒ 215.000 op de goodwill ter zake van de supermarkt had bedongen. De koopsom voor de panden is naderhand verminderd met ƒ 190.000 wegens (kosten van) vervuiling.

De koop/verkoop van de supermarkt en de panden voor de hiervoor vermelde koopsommen is neergelegd in overeenkomsten van 25 februari 1998.

De exploitatie van de supermarkt te Y kwam met ingang van 1 maart 1998 voor rekening en risico van Q. De levering van de panden a-straat heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 1 november 1999. In de periode tussen 1 maart 1998 en 1 november 1999 zijn de panden door (een maatschap van) de zoons verhuurd aan Q.

In de administratie van Beheer/Supermarkten zijn onder meer de volgende facturen van adviseurs opgenomen:

- Een factuur van L met als dagtekening 1 januari 1998, en als omschrijving “Voor de werkzaamheden van Mr L t.z.v. begeleiding van onderhandelingen inzake verkoop van onroerend goed en exploitatie supermarkt met diverse kandidaten conform afspraak”. Het bedrag van de factuur is ƒ 350.000, verhoogd met ƒ 61.250 omzetbelasting, totaal ƒ 411.250.

- Een factuur van N met als dagtekening 10 juli 1998, en als omschrijving “Afgesproken honorarium inzake R B.V.” Het bedrag van de factuur is ƒ 460.000, verhoogd met ƒ 80.500 omzetbelasting, totaal ƒ 540.500.

- Een factuur van S Belastingadviseurs met als dagtekening 28 december 1999, en als omschrijving “Werkzaamheden maanden april tot en met november 1999 betreffende werkzaamheden april/mei inzake aankoop panden en vervuiling”. Het bedrag van de factuur is ƒ 1.450, verhoogd met ƒ 253,75 omzetbelasting, totaal ƒ 1.703,75.

- Facturen van T, de accountants die de jaarrekeningen en belastingaangiften verzorgden.

De aan de supermarkt (goodwill en inventaris/voorraad) toegerekende verkoopopbrengst van ƒ 4.285.000 is door Q in maart 1998 betaald op een derdenrekening van L ten name van Beheer/Supermarkten.

Vervolgens is van die rekening een bedrag van ƒ 2.500.000 gestort op een rekening ten name van C bij de a-bank te T (Duitsland).

Van het resterende saldo op de derdenrekening zijn, afgezien van enkele kleinere overboekingen, de volgende betalingen gedaan:

- ƒ 205.640 is betaald op voormelde factuur van L

- ƒ 500.000 is gestort op een rekening ten name van U; dit bedrag is door Beheer/Supermarkten geboekt als lening aan V Ltd. (hierna ook: V);

- ƒ 500.025 is overgeboekt naar Beheer;

- ƒ 150.000 is overgeboekt naar Beheer;

- ƒ 500.000 is op deposito geplaatst als garantie voor Q;

- het eindsaldo van ƒ 134.552 is overgeboekt naar Beheer.

Van de a-bankrekening zijn onder meer de volgende betalingen verricht:

- ƒ 540.500 op de hiervoor vermelde factuur van N;

- ƒ 525.000 naar Beheer en vervolgens door Beheer aan P dan wel aan C, en bij Beheer als lening u/g geboekt.

Met het resterende bedrag zijn, deels via een DM-rekening, beleggingen gekocht. De beleggingsportefeuille werd beheerd door N.

De op de a-bankrekening bijgeboekte rente en beleggingsopbrengsten zijn niet begrepen in de aangiften inkomstenbelasting van Akkermans en evenmin in aangiften vennootschapsbelasting van Beheer.

2.1.3. Na de verkoop

Na de verkoop van de supermarkt te Y zijn de zoons zich gaan oriënteren op mogelijkheden om hun zakelijke carrière voort te zetten. Daartoe hebben zij in juni 1998 tezamen, via persoonlijke houdstervennootschappen, de vennootschap W B.V. (hierna: W) opgericht.

(a) Sheen

De zoons hebben vanaf maart 1998 werkzaamheden verricht in het kader van een plan om door hen ontworpen winkelwagentjes te laten produceren in China en deze vervolgens in de Nederlandse supermarktwereld te introduceren. Ter zake van die werkzaamheden heeft W 10 facturen uitgereikt ten name van “V” te YY. Deze facturen hebben betrekking op managementfees in de maanden maart tot en met december 1998. Op iedere factuur is een bedrag van ƒ 10.000 in rekening gebracht, zonder omzetbelasting, in totaal derhalve ƒ 100.000. In de administratie van W is een aan haar gerichte factuur van “V” te Hong Kong opgenomen. Deze factuur vermeldt als omschrijving “Management fee” en er is een bedrag van ƒ 68.000 op vermeld, zonder omzetbelasting.

(b) Vervangende investeringen

Op 10 juli 1998 heeft Supermarkten door bemiddeling van L de volgende aankopen verricht (hierna ook: de vervangende investeringen), zoals die blijken uit de onderscheiden onderhandse overeenkomsten en notariële akten:

- van AA B.V. (hierna: AA) werd een onderneming genaamd AA groothandel gekocht voor ƒ 1.000.000;

- van R B.V. (hierna: R) werd een supermarktbedrijf (met 1 kassa) in het huis van bewaring in BB gekocht voor ƒ 3.000.000;

- van P en CC B.V. (hierna: CC) werd een optie op alle aandelen R gekocht voor ƒ 850.000.

Tot de activa van Verhawe behoorden na de transactie nog de aandelen AA en een supermarktbedrijf in DD (met 10 kassa’s). Op basis van een overeenkomst met EE was R verplicht die supermarkt voor een bedrag van ƒ 800.000 (naar het Hof begrijpt: op basis van een right of first refusal) aan te bieden aan EE. P had haar deel van de aandelen in R kort tevoren, (ook) op 10 juli 1998, verworven van twee derde partijen.

Ter financiering van de aankopen van 10 juli 1998 heeft Supermarkten ƒ 2.200.000 van P geleend en ƒ 2.650.000 via W. Laatstgenoemd bedrag is uit hoofde van een overeenkomst waarin de zoons en W als geldnemers worden aangeduid, op 10 juli 1998 geleend bij b-Bank en vervolgens doorgeleend aan Supermarkten. W heeft in haar boekhouding een lening o/g van ƒ 2.650.000 (schuld aan b-Bank) en een lening u/g van ƒ 2.650.000 (vordering op Supermarkten) opgenomen. Als zekerheid voor haar lening u/g heeft b-Bank een recht van eerste hypotheek verkregen op de panden a-straat. Beheer heeft erin bewilligd dat haar (eerste) recht van hypotheek op de panden a-straat vanaf 10 juli 1998 als tweede werd gerangschikt. De kosten van de hypotheek ten behoeve van b-Bank zijn zowel door W als door Beheer als bedrijfskosten verwerkt. Op de lening van W aan Supermarkten is telkenjare rente bijgeboekt.

Nadat Supermarkten het optierecht op alle aandelen R had verkregen, is W tot bestuurder van R benoemd. W is managementdiensten gaan verrichten voor R; dit betrof met name de supermarkt in DD.

(c) Diverse zaken

In de loop van (de tweede helft van) 1998 heeft R onder de omschrijving “Dividend” bedragen tot een totaal van ƒ 605.000 overgemaakt aan W en, eveneens tot een totaal van ƒ 605.000, aan P. Deze betalingen berusten niet op enig dividendbesluit van (de aandeelhoudersvergadering van) R. In de jaarrekeningen van W vanaf 1998 zijn de ontvangen bedragen in rekening-courant als schuld aan R geboekt. In de jaarrekeningen van R zijn de onderhavige bedragen als vorderingen op W respectievelijk P geboekt.

In de loop van 1999 heeft Supermarkten de supermarkt in het huis van bewaring in BB voor ƒ 400.000 aan de voormalige grootaandeelhouder van R verkocht.

De omzet van de groothandel van AA bedroeg in 1998 ƒ 42.000 en de brutowinst ƒ 6.446. Vanaf 1999 had AA geen activiteiten meer.

Ter zake van de verkoop van de supermarkt te Y heeft Beheer een boekwinst van ƒ 3.925.000 (het aan goodwill toegerekende bedrag) in haar administratie verwerkt, welk bedrag zij als vervangingsreserve heeft afgeboekt op de (toegerekende) aankoopprijs van (in totaal) ƒ 4.000.000 van de supermarkt in het huis van bewaring in AA en de groothandel.

In november 1999 is ten tijde van de levering van de panden a-straat aan Q via de notaris ƒ 3.000.000 minus kosten aan de zoons betaald. Hiermee is de lening van de b-bank afgelost.

In de loop van 1999 heeft Supermarkten ƒ 520.000 geleend aan W.

2.1.4. Gebeurtenissen ná 1999 en aanslagregeling

Beheer heeft voor 1998 niet tijdig aangifte vennootschapsbelasting gedaan. Met dagtekening 30 december 2000 is de aanslag opgelegd, berekend naar een ambtshalve vastgesteld bedrag. Naar aanleiding van het tegen die aanslag gemaakte bezwaar zijn in september en oktober 2001 besprekingen gevoerd tussen vertegenwoordigers van de Belastingdienst en adviseurs van Beheer, onder wie L. Op 23 januari 2002 is een boekenonderzoek bij Beheer aangevangen, dat later is uitgebreid tot W. Het rapport van het boekenonderzoek is op 5 juni 2002 aan Beheer verzonden.

De uitkomsten van het onderzoek hebben in juni en juli 2002 geleid tot een aantal (navorderings- en naheffings-)aanslagen alsmede tot correcties op de aangiften, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting van Beheer en W respectievelijk C en de zoons.

In 2003 is het resterende saldo op de a-bankrekening, ongeveer € 250.000, naar een bankrekening bij d-bank ten name van C dan wel Beheer overgemaakt. Wat nog aan beleggingen via de a-bankrekening resteerde, was intussen (vrijwel) waardeloos geworden. Tegen (vennootschappen van) L en M zijn civiele procedures aanhangig gemaakt.

Op 5 mei 2004 heeft Supermarkten haar optie op de aandelen R uitgeoefend. R is daarna in een fiscale eenheid met Beheer/Supermarkten opgenomen.

2.1.5. Hof-procedure

Tijdens de zitting van 11 april 2007 zijn partijen het erover eens geworden dat voor de winstberekening van Beheer moet worden uitgegaan van een rentepercentage van 5,5% op de lening ad ƒ 1.941.300 van Beheer aan de zoons in verband met de aankoop van de panden a-straat en van 5,25% op de lening van Beheer aan X in verband met de aankoop van zijn woonhuis.

Tussen partijen is blijkens het op die zitting verhandelde in confesso dat – voor doeleinden van een zuivere vaststelling van de waarde die de panden a-straat voor de zoons vertegenwoordigden – de door RR getaxeerde waarde moet worden verminderd met het bedrag van ƒ 190.000 wegens de (kosten van) vervuiling en met een bedrag van ƒ 300.000 voor extra aan te leggen parkeerplaatsen; die waarde komt dan uit op ƒ 1.715.000.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft de inspecteur meegedeeld dat hij om praktische redenen afziet van het (alsnog) in aanmerking nemen van een spread bij W ter zake van de in- en doorlening van het bedrag van ƒ 2.650.000.

Ter zitting van 16 mei 2007 is tussen partijen komen vast te staan dat de factuur van V aan W ad ƒ 68.000 – wat daar verder van zij – nooit tot enige betaling door W heeft geleid en dat op de facturen van W aan V ad (in totaal) ƒ 100.000 slechts (in totaal) ƒ 70.000 is ontvangen. Met betrekking tot de betaling van ƒ 500.000 op een rekening ten name van “U” die door Beheer/Supermarkten (althans tot een bedrag van ƒ 499.999,50) als lening aan V is geboekt stelt Beheer zich op het standpunt dat het een daadwerkelijke investering (tot het genoemde bedrag in de vorm van een lening en voor ƒ 0,50 in de vorm van een 50%-aandelenbelang) in V betreft en dat deze investering inmiddels waardeloos is geworden. Belanghebbende heeft evenwel geen verlies te dezer zake op haar winst in aftrek gebracht. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de gestelde betaling van ƒ 500.000 aan V op geen enkele wijze traceerbaar is; de gemachtigde heeft daarvan desgevraagd ook geen bewijs kunnen bijbrengen.

De inspecteur heeft zich bij Beheer/Supermarkten op het standpunt gesteld dat de werkelijke waarde van de vervangende investeringen waarop de vervangingsreserve is afgeboekt (supermarkt huis van bewaring in BB en groothandel AA) niet meer was dan ƒ 400.000 zodat van de boekwinst op de supermarkt te Y ƒ 3.525.000 in de winst moet vrijvallen.

R heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1998 een boekwinst op de supermarkt in het huis van bewaring in BB aangegeven op basis van de verkoopsom zoals die in de desbetreffende overeenkomst van 10 juli 1998 was opgenomen. De aanslag, die dienovereenkomstig is opgelegd, is onherroepelijk geworden. De inspecteur acht zich niet bevoegd deze aanslag ambtshalve te herzien.

De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur bij het vaststellen van de fiscale gevolgen van de vervangende investeringen voor Beheer een consequente handel-wijze moet volgen met betrekking tot de toerekening van de aankoopprijs.

2.1.6. Vaststellingsovereenkomst

Ter zitting van 16 mei 2007 heeft de gemachtigde geaccepteerd dat de nota van S van ƒ 1.704 voor rekening van de zoons behoorde te komen.

Tijdens de zitting van 16 mei 2007 hebben partijen ten slotte een vaststellingsovereenkomst gesloten.

2.2.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 123.499. Bij het regelen van de aanslag heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht:

a. dividenduitkering lening W aan Beheer ƒ 1.325.000

b. dividenduitkering kosten hypotheek 33.278

c. dividenduitkering niet in rekening

gebrachte borgstellingsprovisie 6.625

d. dividenduitkering niet geaccepteerde factuur

van V 34.000

e. bijtelling gebruikelijk loon W 25.000

f. lagere afschrijving a-straat 11-17 8.907

g. lagere onderhoudskosten a-straat 11-17 2.465

h. andere opbrengst van arbeid in verband met

aankoop en verkoop panden a-straat 585.000

2.2.2. Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 127.614. Bij het regelen van de aanslag heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht:

a. dividenduitkering kosten hypotheek f 51.962

b. dividenduitkering niet in rekening

gebrachte borgstellingsprovisie 11.041

c. lagere afschrijving a-straat 11-17 8.907

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is de juistheid van de in 2.2.1. vermelde correcties onder a, b, c, d, en h respectievelijk de in 2.2.2. vermelde correcties onder a en b. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de aanslag voor het jaar 1998 tijdig is opgelegd.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en de processen-verbaal van de zittingen.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Nu partijen tijdens de zitting van 16 mei 2007 tot overeenstemming zijn gekomen over de beslechting van hun geschil betreffende de belasting, acht het Hof het in dat kader niet opportuun nog in te gaan op de stelling van belanghebbende dat in de bezwaarfase artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geschonden. Tijdens de zitting van 7 februari 2007 heeft het Hof overigens vastgesteld dat partijen het erover eens zijn (geworden) dat de feitelijke gang van zaken in de bezwaarfase niet wijst op strijd met voormelde bepaling.

4.2. Op de zitting van 16 mei 2007 hebben partijen, op voorstel van het Hof een vaststellingsovereenkomst gesloten en ondertekend. De inhoud van deze vaststellingsovereenkomst luidt als volgt:

(…)

Partijen zijn ter zake van de punten 2 tot en met 18 als volgt overeengekomen:

2. a-bankrekening

De 2,5 mio gulden die vanaf de derdenrekening van L ten behoeve van Beheer zijn overgeboekt naar de a-bankrekening t.n.v. mw. C zijn in beginsel als uitdeling aan te merken. Zulks met uitzondering van de volgende uiteindelijk aan Beheer ten goede gekomen bedragen: ƒ 540.500 betaald aan L t.z.v. een factuur betreffende optierecht aandelen R; ƒ 525.000 geboekt als lening van Beheer aan P dan wel mw. C. De inkomsten op de a-bankrekening dienen in de aangifte inkomstenbelasting van mw. C in aanmerking te worden genomen conform het standpunt van de inspecteur.

3. Verdeling verkoopprijs supermarkt/panden Y

De verdeling van de inspecteur wordt gevolgd met dien verstande dat bij de vaststelling van de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de taxatie RR: ƒ 1.715.000. Als uitdeling door beheer aan mw. C wordt in aanmerking genomen het meerdere van de verkoopprijs aan Q ad ƒ 2.810.000.

De correctie andere inkomsten uit arbeid bij de heren X en D vervalt.

4. Nota L ƒ 350.000 ex BTW

Correctie conform inspecteur met dien verstande dat het bedrag ponds-pondsgewijs (f 3 mio/ 4,5 mio) aan panden en goodwill wordt toegerekend.

5. Verdwenen bedrag ƒ 215.000

Correctie conform inspecteur. Derhalve bijtelling bij Beheer en uitdeling bij mw. C.

6. “Dividend” R

Conform belanghebbende. Geen uitdeling bij mw. C.

7. t/m 9

F 1.941.000 correctie ter zake van uitdeling lening heren X en D betreffende koop panden;

F 2.650.000 correctie ter zake van uitdeling lening van W aan Beheer;

F 520.000 correctie ter zake van uitdeling lening Beheer aan W;

Conform standpunt belanghebbenden, geen uitdeling.

10. V

F 500.000 correctie ter zake van uitdeling via derdenrekening L van Beheer aan mw. C wordt gehandhaafd.

11. Nota’s W/V

Per saldo wordt een bedrag van ƒ 70.000 bij W belast.

12. Nota N ad ƒ 540.000 betaald vanaf a-bankrekening zal zonodig alsnog bij Beheer in aftrek worden gebracht.

13. Renteposten correcties op leningen Beheer aan heren X en D (ƒ 1.941.000) en ter zake van aankoop woonhuis Z zullen niet worden gecorrigeerd in de IB-sfeer. Bij Beheer is de rente tot de op de zitting van 11 april 2007 afgesproken rentepercentages belast.

14. Bij de heren X en D resteren de al geaccepteerde correcties: gebruikelijk loon, lagere afschrijving a-straat en lagere onderhoudskosten a-straat.

15. De correctie vervangingsreserve.

Correctie conform inspecteur.

16. Aan het verzoek tot ambtshalve vermindering bij R wordt in het kader van deze totaaloplossing voldaan door middel van een vermindering van de belastbare winst van Beheer over 1998 van ƒ 2.975.700.

17. Ter zake van de omzetbelasting is ter zitting een compromis bereikt.

18. Kosten en rente b-lening ter zake van ƒ 2.650.000 lening van W aan Beheer: correctie inspecteur wordt gevolgd bij W.

4.3. Partijen hebben het Hof bij een door de inspecteur opgestelde en door de gemachtigde ondertekende brief van 12 juni 2007, aan het Hof toegezonden door de gemachtigde bij brief van 14 juni 2007, doen weten dat de vaststellingsovereenkomst wat belanghebbende betreft leidt tot vaststelling van het belastbaar inkomen van 1998 op ƒ 159.871 en van 1999 op ƒ 136.521.

4.4. Het Hof zal uitspraak doen met inachtneming van de tussen partijen bereikte overeenstemming.

5. De conclusie

De beroepen zijn gegrond.

6. De proceskosten

6.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) stelt het Hof het bedrag van de kosten van juridische bijstand overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 4,5 (proceshandelingen: beroepschrift, conclusie van repliek, drie mondelinge behandelingen, twee maal schriftelijke inlichtingen) ? 2 (wegingsfactor gewicht van de zaak) ? 1 (twee samenhangende zaken) x € 322, ofwel € 2.898.

Aan belanghebbende worden voorts de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen vergoed; het Hof stelt deze kosten in goede justitie op € 60. Het bedrag van de proceskostenvergoeding komt daarmee op € 2.958. Verdere volgens het Besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken.

Omdat sprake is van samenhangende zaken wordt in beide zaken de helft van dit bedrag ofwel € 1.479, toegewezen.

6.2. Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, die aanleiding zouden kunnen geven van de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding af te wijken, acht het Hof niet althans onvoldoende aanwezig. De door belanghebbende bepleite volledige vergoeding van haar kosten van juridische bijstand wijst het Hof dus af. Daarbij overweegt het Hof nog dat de gebrekkige communicatie in de bezwaar- en beroepsfase mede was te wijten aan de (aanvankelijke) opstelling van belanghebbende.

7. De beslissing

Het gerechtshof

In de zaak met kenmerk 134/04:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 159.871 (€ 72.546), met heffingsrente;

gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden, en

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.479, te betalen door de Staat.

In de zaak met kenmerk 135/04:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 136.521 (€ 61.950), met heffingsrente;

gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden, en

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.479, te betalen door de Staat.

Gedaan op 26 september 2007 door mr. E.F. Faase, voorzitter, mr. E.A.G. van der Ouderaa en mr. J. den Boer, leden van de belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers.

Op 5 oktober 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.