Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5080

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
BK 99/30129 Overschotheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende kan worden ontvangen in haar beroep, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 99/30129 5 oktober 2007

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z (hierna: de belanghebbende) tegen de (ambtshalve herziene) uitspraak van de inspecteur van Bureau Heffingen te Assen, thans de inspecteur van de Dienst Regelingen (hierna: de inspecteur) betreffende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag overschotheffing over het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 9 april 1996 is aan belanghebbende een ambtshalve naheffingsaanslag overschotheffing over het jaar 1995 opgelegd ten bedrage van ƒ 2.902,-. Er is tevens een verhoging opgelegd van 100 percent.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 29 november 1996 de naheffingsaanslag en de daarin begrepen verhoging van 100 percent gehandhaafd. Bij de ambtshalve herziening van de uitspraak, gedagtekend 30 september 1999, heeft de inspecteur het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van de overschotheffing gehandhaafd en de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging kwijtgescholden tot op 10 percent.

1.3 Op 11 november 1999 dient belanghebbende een beroepschrift (met bijlagen) in. De gronden van het beroep (met bijlagen) heeft het hof op 30 januari 2007 ontvangen. De inspecteur heeft op 11 mei 2007 zijn verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.4 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 september 2007, gehouden te Leeuwarden. Daar zijn verschenen belanghebbendes vertegenwoordiger A en de gemachtigde B, bijgestaan door C. Namens de inspecteur is verschenen D. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.5 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

2.1 Belanghebbende diende de overschotheffing 1995 vóór 1 februari 1996 op aangifte te voldoen. Omdat niet aan deze aangifteverplichting werd voldaan is de onderhavige naheffings-aanslag met verhoging opgelegd. Belanghebbende nam destijds deel aan de (boycot)actie van de stichting 'Wij zijn 't zat' te L (hierna de Stichting). In het kader van deze actie werden aangiften ingeleverd bij voornoemde Stichting en werden betalingen op een aparte bankrekening gestort.

2.2 Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag met verhoging op 23 april 1996 een pro forma bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is aangevuld bij brief van 26 mei 1996. Bij uitspraak van 29 november 1996 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de verhoging gehandhaafd. De uitspraak is geadresseerd aan belanghebbende. Op het van de inspecteur afkomstige afschrift van de uitspraak dat tot de gedingstukken behoort staat geschreven:

'Dit is alleen voor 1995

Geen formulieren ingevuld + is naar L gegaan'

Geen geld bel. +

2.3 Bij brief van 14 mei 1997 zendt belanghebbende alsnog de aangifte overschotheffing 1995 in. Tevens verzoekt zij de inspecteur de opgelegde aanslag ambtshalve te herzien. Bij de ambtshalve herziening van de uitspraak, gedagtekend 30 september 1999, handhaaft de inspecteur het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van de overschotheffing en scheldt hij de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging kwijt tot op 10 percent. In deze ambtshalve uitspraak maakt de inspecteur melding van de eerdere uitspraak van 29 november 1996. Bij de uitspraak voegt de inspecteur een rechtsmiddelenverwijzing.

2.4 Op 11 november 1999 dient belanghebbende pro forma een beroepschrift in. Hierin vermeldt zij dat beroep wordt ingesteld tegen de 'ambtshalve herziening uitspraak bezwaarschrift gericht tegen de naheffingsaanslag overschotheffing 1995'. Een afschrift van deze uitspraak van 30 september 1999 wordt bijgevoegd. Eerst ter zitting stelt belanghebbende dat zij de uitspraak van 29 november 1996 nimmer heeft ontvangen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende kan worden ontvangen in haar beroep, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.

3.2 Belanghebbende stelt dat zij de uitspraak van 29 november 1996 nimmer heeft ontvangen en dat de brief van 14 mei 1997 door de inspecteur als beroepschrift naar het hof had moeten worden doorgezonden. Zij acht de termijnoverschrijding verschoonbaar. Desgevraagd deelt zij mee dat zij een afschrift van de uitspraak van 29 november 1996 in 1999 heeft ontvangen toen zij, op haar verzoek, van de inspecteur het complete dossier ontving.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van 29 november 1996 naar belanghebbendes adres is gezonden en ook door haar is ontvangen. Hij wijst erop dat belanghebbende bij brief van 14 mei 1997 uitdrukkelijk heeft verzocht om een ambtshalve herziening van de aanslag.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken en hetgeen ter zitting is gezegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op de adressering van de uitspraak van 29 november 1996 (zie 2.2) is het hof van oordeel dat deze uitspraak aan belanghebbende is verzonden. Het hof acht op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de inspecteur de uitspraak naar de Stichting heeft gezonden. De schriftelijke aantekening op de uitspraak (zie 2.2) noopt geenszins tot die conclusie. Uit de tekst van de aantekening kan slechts worden opgemaakt dat aangifte en betaling naar de Stichting zijn gegaan. Over de adressering van de uitspraak zegt het niets. Gesteld noch gebleken is dat tussen de inspecteur en de Stichting een afspraak bestond dat de uitspraken naar de Stichting zouden worden gezonden.

4.2 Het hof acht dan ook bewezen dat belanghebbende de uitspraak van 29 november 1996 heeft ontvangen. Tegen de onderhavige naheffingsaanslag heeft belanghebbende op 23 april 1996 een pro forma bezwaarschrift en op 26 mei 1996 de gronden van het bezwaar ingediend. Bij brief van 14 mei 1997 verzoekt zij vervolgens om een ambtshalve herziening van de aanslag. Dit verzoek om ambtshalve herziening is alleen te begrijpen wanneer belanghebbende over de uitspraak van 29 november 1996 beschikte. Indien belanghebbende op dat moment namelijk onkundig was van die uitspraak, zou zij in de brief van 14 mei 1997 hebben gesproken over een aanvulling op de eerder ingediende bezwaren en zou zij de inspecteur hebben verzocht bij de uitspraak op bezwaar rekening te houden met de alsnog ingediende aangifte. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende (of haar adviseur) onbekend is met het begrip 'ambtshalve herziening'.

4.3 Vorenbedoeld oordeel vindt bevestiging in het feit dat belanghebbende na ontvangst van de ambtshalve herziening uitspraak van 30 september 1999, waarin de uitspraak van 29 november 1996 aan de orde komt, niet heeft gemeld dat zij deze uitspraak nimmer heeft ontvangen. Evenmin is dit gedaan in de aanvulling op het beroepschrift, terwijl belanghebbende en/of haar gemachtigde toen zeker weet hadden van die uitspraak omdat een afschrift daarvan door de inspecteur was toegezonden (zie 3.2). De mededeling dat de uitspraak nimmer was ontvangen had op dat moment voor de hand gelegen in verband met de ontvankelijkheid van het beroep. Dit had in ieder geval de gemachtigde moeten beseffen. Echter, pas nadat de inspecteur in zijn verweerschrift wijst op de niet-ontvankelijkheid van het beroep stelt belanghebbende dat de uitspraak van 29 november 1996 niet bij haar is aangekomen. In het licht van al het voorgaande acht het hof deze stelling ongeloofwaardig.

4.4 De uitspraak is gedagtekend 29 november 1996 en het beroepschrift is ingediend op 11 november 1999, derhalve buiten de termijn van zes weken. Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat geldt ook ingeval de brief van 14 mei 1997 als beroepschrift moet worden aangemerkt. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake.

4.5 Voor zover het beroepschrift overeenkomstig haar tekst (zie 2.4) betrekking heeft op de ambtshalve herziening uitspraak van 30 september 1999 is het beroep ook niet-ontvankelijk omdat tegen een ambtshalve beslissing geen rechtsmiddelen openstaan. De onjuiste rechtsmiddelenverwijzing van de inspecteur rechtvaardigt geen andere conclusie. Ook leidt dat niet tot teruggaaf van het griffierecht omdat in onderhavige zaak geen griffierecht is geheven.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld op 5 oktober 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van

mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 10 oktober 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.