Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5076

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
BK 99/30110 Overschotheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

a. Moet belanghebbende geacht worden te hebben voldaan aan de normen gesteld bij of krachtens de Wet op het punt van het in aanmerking komen voor een gereduceerd tarief op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 4, van de Wet jo. artikel 2 Besluit voorwaarden afzetovereenkomsten (: het Besluit)? Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat het hierbij uitsluitend gaat om de mestafzetovereenkomsten met G BV (mestnummer 000000000), die onder productie 6 bij de aanvulling op het beroepschrift als eerste twee stukken zijn opgenomen.

b. Heeft belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht op het gereduceerde tarief?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 99/30110 5 oktober 2007

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X C.V. te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van Bureau Heffingen, thans de inspecteur van de Dienst Regelingen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de overschotheffing over het jaar 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Met dagtekening 28 november 1996 is aan de belanghebbende voor het jaar 1992 op grond van de Meststoffenwet (: de Wet) een naheffingsaanslag in de overschotheffing opgelegd ten bedrage van f 10.535,50 (zonder verhoging).

1.2. De belanghebbende heeft tegen voormelde naheffingsaanslag tijdig een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 30 september 1999 de overschotheffing verminderd tot f 10.321,30.

1.3. De belanghebbende heeft tegen deze uitspraak een beroepschrift (met bijlagen) ingediend dat op 3 november 1999 bij het gerechtshof is ingekomen. Op 30 januari 2007 is een aanvulling (met bijlagen) op het beroepschrift ontvangen. Van de inspecteur is op 2 mei 2007 een verweerschrift (met bijlagen) ontvangen.

1.4. De zaak is behandeld ter zitting van 6 september 2007, gehouden te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen A (gemachtigde van belanghebbende), de heer B (commanditair vennoot) en de heer C, werkzaam bij D te L, ter bijstand. Tevens is namens de inspecteur verschenen de heer E.

1.5. Ter voormelde zitting heeft mr. Velema de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. De inspecteur heeft (zonder bezwaar van belanghebbende) ter zitting een kopie van een brief van 25 april 1995 aan belanghebbende overgelegd.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1 De belanghebbende exploiteert een fokvarkensbedrijf. Vennoten zijn de heer B (commanditair vennoot) en E B.V. (beherend vennoot). Blijkens een schrijven van Bureau Heffingen van 25 september 1997 is geregistreerd dat het bedrijf 2,17 ha grond in eigen gebruik heeft.

2.2 Belanghebbende neemt biggen af van F BV om deze op te fokken tot een bepaalde leeftijd, waarna zij aan derden worden verkocht. Tijdens de productiefase wordt mest geproduceerd.

2.3 Belanghebbende is een niet grondgebonden bedrijf. De geproduceerde mest wordt niet in het eigen bedrijf benut of uitgereden. Belanghebbende beschikt over een behoorlijke mestkelder en mestsilo, die van tijd tot tijd worden geleegd. De mest wordt dan naar elders getransporteerd.

2.4 Voor het jaar 1992 heeft belanghebbende na daartoe te zijn uitgenodigd het haar toegezonden aangifteformulier overschotheffing ingevuld geretourneerd en het door haar op het aangifteformulier berekende heffingsbedrag voldaan.

2.5 Bij de controle van de aangifte heeft de inspecteur geconstateerd dat er te weinig heffing is betaald, doordat bij de berekening van de heffing door belanghebbende ten onrechte het gereduceerde tarief is toegepast.

2.6 Daarom heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, welke de inspecteur bij uitspraak op bezwaar heeft verminderd tot f 10.321,30.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen. a. Moet belanghebbende geacht worden te hebben voldaan aan de normen gesteld bij of krachtens de Wet op het punt van het in aanmerking komen voor een gereduceerd tarief op grond van het bepaalde in artikel 13, lid 4, van de Wet jo. artikel 2 Besluit voorwaarden afzetovereenkomsten (: het Besluit)? Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat het hierbij uitsluitend gaat om de mestafzetovereenkomsten met G BV (mestnummer 000000000), die onder productie 6 bij de aanvulling op het beroepschrift als eerste twee stukken zijn opgenomen.

b. Heeft belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht op het gereduceerde tarief?

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.4 Belanghebbende heeft ter zitting haar aanbod om de heer I als getuige te horen, ingetrokken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. De mestafzetovereenkomst met G, die onder productie 6 bij de aanvulling op het beroepschrift als eerste is opgenomen betreft de periode 1 januari 1989 tot 1 januari 2000. In deze overeenkomst staat vermeld dat de producent (belanghebbende) dierlijke meststoffen bij de gebruiker zal afzetten, terwijl de gebruiker zich verplicht deze dierlijke meststoffen van de producent te ontvangen en aan te wenden op bedrijven in tekortgebieden, waar plaatsingsmogelijkheid voor deze mest is.

In de kop van de eerste overeenkomst staat vermeld "G" en "Handel in mest en kalkmergel".

4.2 De mestafzetovereenkomst met G BV (mestnummer 000000000), die onder productie 6 bij de aanvulling op het beroepschrift als tweede is opgenomen, noemt dezelfde hoeveelheid mest en hetzelfde aantal kilogrammen fosfaat en betreft dezelfde periode als de onder 4.1 genoemde overeenkomst. De tweede overeenkomst is niet getekend.

4.3. Het hof leidt uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is vermeld af dat G (BV) een handelsonderneming is die de mest van belanghebbende afneemt en deze op landbouwgrond van derden afzet. Belanghebbende heeft dit ter zitting ook erkend. Een dergelijke handelaar kan niet worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de artikelen 1 en 2 van het Besluit. Belanghebbende kan derhalve niet in aanmerking komen voor het gereduceerde tarief als bedoeld in artikel 13, lid 4, van de Wet. Hierbij merkt het hof op dat de eerste overeenkomst ook niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 2 van het Besluit aan een afzetovereenkomst stelt.

4.4 Belanghebbende heeft blijkens de uitspraak op bezwaar in 1992 612 kg fosfaat afgevoerd naar I te M met mestnummer 000000001. Betreffende deze ondernemer heeft de inspecteur de afzetovereenkomst wel goedgekeurd en wel korting verleend. Uit het voorgaande blijkt dat belanghebbende bekend moet zijn geweest met het verschil tussen I met mestnummer 000000001 en G (BV) met mestnummer 000000000. De stelling van belanghebbende dat de volgens de tekst van de afzetovereenkomsten met G (BV) aangegane afzetovereenkomsten (op onjuist briefpapier) in feite met I zouden zijn aangegaan, komt het hof niet aannemelijk voor. Deze stelling kan belanghebbende bovendien niet baten nu alle -uit afleveringsbewijzen blijkende- leveringen aan I door de inspecteur zijn geaccepteerd.

4.5 Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat zij de afzetovereenkomst met G (BV) naar de inspecteur heeft gestuurd. De inspecteur heeft ter zitting opgemerkt dat de onder 4.2 genoemde afzetovereenkomst op 17 mei 1995 door hem is ontvangen en dat hij deze bij brief van 30 augustus 1995 heeft "foutgemeld" richting belanghebbende. De gemachtigde van belanghebbende heeft dit ter zitting bevestigd. Deze foutmelding zit bij de stukken die als productie 6 bij de aanvulling op het beroepschrift zijn gevoegd. De inspecteur deelde voorts ter zitting mee dat hij er van uit gaat dat eventuele andere ingezonden afzetovereenkomsten betreffende G (BV) eveneens door hem zijn foutgemeld richting belanghebbende, maar dat hij deze foutmeldingen door het lange verloop van de procedure niet meer kan produceren.

Het hof acht hetgeen belanghebbende ter zake van het insturen van de afzetovereenkomsten heeft opgemerkt onvoldoende om tegenover de geloofwaardige mededelingen van de inspecteur belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel ter zake van het in geschil zijnde gereduceerde tarief in het gelijk te stellen.

4.6 Voorts heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de Wet niet naar de bedoeling van de wetgever wordt uitgelegd indien geen rekening wordt gehouden met handel van mest via intermediairs. De besluitgever zou hebben verzuimd om te voorzien in handel via intermediairs.

Mede gelet op het onder 4.8 overwogene heeft het hof evenwel geen aanwijzingen dat het Besluit niet zou stroken met de bedoeling van de Wet.

4.7 Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen grondloze bedrijven en andere bedrijven, zodat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof heeft geen reden te veronderstellen dat de wetgever zich niet bewust is geweest van het onderscheid tussen grondloze bedrijven en andere bedrijven. De tekst van artikel 13, lid 4, aanhef en letters a en b, van de Wet wijst reeds op het tegendeel. Schending van het gelijkheidsbeginsel is niet aannemelijk geworden. Overigens wijst het hof erop dat het met name de grondloze bedrijven zijn die het mestoverschot veroorzaken.

Overigens is schending van een of meer beginselen van behoorlijk bestuur ook niet aannemelijk geworden.

4.8 Latere wijzigingen in de Wet en de daarbij behorende wetsgeschiedenis kunnen er niet toe leiden dat moet worden afgeweken van de voor het onderhavige jaar geldende duidelijke tekst van artikel 13, lid 4, van de Wet jo. artikel 2 van het Besluit.

4.9 Ook overigens heeft belanghebbende geen argumenten aangevoerd die het kunnen rechtvaardigen haar in het gelijk te stellen.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Reeds daarom is het voor het hof niet mogelijk de inspecteur tot een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuurrecht (: Awb) te veroordelen. Het hof kan de zaak ook niet doorverwijzen naar de civiele rechter.

5. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing.

Het gerechtshof

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 5 oktober 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en

voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 10 oktober 2007 afschrift per aangetekende post

verzonden aan beide partijen.