Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4725

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
BK 66/06 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 66/06

Uitspraakdatum: 28 september 2007

uitspraak van de eerste enkelvoudig belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 05/1326 van de rechtbank Leeuwarden van 11 mei 2006 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lemsterland,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ) heeft de heffingsambtenaar bij beschikking van 25 februari 2005 de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 23 te Z (hierna: de onroerende zaak/ de woning) vastgesteld op € 212.500,--. De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. De waardepeildatum is 1 januari 2003.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 24 juni

2005, de waarde verlaagd en vastgesteld op € 187.500,--.

1.3 Bij uitspraak van 11 mei 2006 heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond geoordeeld.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlagen) dat op 21 juni 2006 bij het hof is ingekomen.

De heffingsambtenaar heeft op 2 augustus 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

Van belanghebbende is voorts op 9 augustus 2007 een schrijven (met bijlagen) binnengekomen.

1.5 De eerste enkelvoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 22 augustus 2007.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar mevrouw A.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.2 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een omstreeks 1979 gebouwde, middels een garage geschakelde woning met een inhoud van ongeveer 402 m3 en gelegen op een perceel van 368 m2.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de in het geschil zijnde vraag bevestigend. Belanghebbende voert hiertoe aan dat het openbaar groen naast zijn woning zodanig onverzorgd is dat dit een waardedrukkende invloed heeft op zijn woning.

3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat de waarde juist is vastgesteld. Hij voert hiertoe onder meer aan dat de vastgestelde waarde is ontleend aan de verkoopprijzen van referentieobjecten. Voorts stelt de heffingsambtenaar dat de waarde in de bezwaarfase reeds met € 25.000,-- is verlaagd in verband met achterstallig onderhoud van de woning.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economische verkeer).

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, kan de in artikel 17, tweede lid, van de WOZ bedoelde waarde voor woningen onder meer worden bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

4.3 Bij betwisting van de vastgestelde waarde rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 2003 - met inachtneming van de WOZ - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum.

4.4 Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van € 187.500,- verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar een taxatieverslag naar de waardepeildatum 1 januari 2003, waarin de verkooprijzen van drie referentieobjecten staan vermeld.

4.5 Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast van de waarde is geslaagd. Het hof neemt daarvoor de door de rechtbank in haar uitspraak opgenomen gronden over.

4.6 Aangaande de grief van belanghebbende dat de gemeente nalaat het openbaar groen naast zijn woning te snoeien overweegt het hof dat deze omstandigheid niet kan leiden tot een verlaging van de waarde, zoals belanghebbende voorstaat. Namens de heffingsambtenaar is in hoger beroep opnieuw de bereidheid om het openbaar groen aan de zijde van de woning, in overleg met belanghebbende, te snoeien, uitgesproken.

De mededeling van belanghebbende ter zitting dat hij geen contact met de gemeente wenst op te nemen, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van belanghebbende blijven.

4.7 Nu belanghebbende ook overigens geen feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die de waardevaststelling, dan wel de aan de gehanteerde referentiepercelen toe te kennen waarde, krachteloos maken en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat de waarde per de peildatum 1 januari 2003 ten bedrage van € 187.500,- op een te hoog bedrag is vastgesteld, ziet het hof ook anderszins geen reden tot verlaging van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde.

4.8 Het hiervoor overwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 28 september 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 3 oktober 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.