Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4723

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
BK 116/06 Waterschapsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of het onderhavige perceel in de juiste omslagklasse is ingedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/1366

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 116/06

Uitspraakdatum: 28 september 2007

uitspraak van de eerste enkelvoudig belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 05/466 van de rechtbank Groningen van 7 juli 2006 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Hunze en Aa's,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2004 een aanslag waterschapsomslag voor het jaar 2004 opgelegd ten bedrage van € 1.104,08. Deze aanslag, met als aanslagnummer 0000000000 heeft betrekking op de categorie ongebouwd. De grieven van belanghebbende richten zich tegen de aanslag betreffende het perceel, kadastraal bekend als YYY 0000 met een oppervlakte van 11.75.05 ha.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 11 januari 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 7 juli 2006 (verzonden op 25 juli 2006) heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond geoordeeld.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtank.

Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlage) dat op 4 september 2006 bij het hof is ingekomen.

De heffingsambtenaar heeft op 8 november 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 De eerste enkelvoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 22 augustus 2007.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar mevrouw A en de heer B.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.2 Het onderhavige perceel is gelegen in een stuwpeilgebied dat vanuit waterstaatkundig opzicht is te beschouwen als een eenheid. Dit stuwpeilgebied is overeenkomstig de Omslagklassenverordening waterschap Hunze en Aa's 2000 (de Omslagklassenverordening) en de daarbij behorende kaart ingedeeld in omslagklasse 3.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het onderhavige perceel in de juiste omslagklasse is ingedeeld.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de in het geschil zijnde vraag ontkennend. Belanghebbende is van mening dat het perceel in de laagste omslagklasse, omslagklasse 1, moet worden ingedeeld. Hiertoe voert belanghebbende aan dat volgens hem bos- en natuurpercelen bij het waterschap Reest en Wieden in de laagste klasse zijn ingedeeld.

3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat het in geschil zijnde perceel in de juiste omslagklasse is ingedeeld.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 120, zevende lid, Waterschapswet, juncto artikel 2 Omslagklassenverordening zijn, ten einde te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging van onroerende zaken bij de toepassing van de omslagverordening leiden tot onevenredig voor- of nadeel voor de omslagplichtigen, in het taakgebied betreffende het kwantiteitsbeheer drie omslagklassen ingesteld voor de ongebouwde onroerende zaken. Deze omslagklassen zijn:

- klasse 1: onzichtbare afwatering;

- klasse 2: zichtbare afwatering zonder wateraanvoer;

- klasse 3: zichtbare afwatering met wateraanvoer.

4.2 Vaststaat dat het onderhavige perceel is gelegen in een stuwpeilgebied, dat vanuit waterstaatkundig opzicht is te beschouwen als een eenheid. Voorts staat vast dat dit stuwpeilgebied (als geheel) conform de vigerende Omslagklasseverordening en de daarbij behorende kaart is ingedeeld in omslagklasse 3. De juistheid van deze indeling heeft belanghebbende niet bestreden.

4.3 In eerste aanleg heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat het onderhavige perceel terecht en op goede gronden is ingedeeld in omslagklasse 3. Het hof neemt dit oordeel van de rechtbank, alsook de door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde gronden, over.

4.4 De door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grief betreffende zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De rechtbank heeft aangaande dit beroep terecht geoordeeld dat het het waterschap Hunze en Aa's vrij staat een regeling te hanteren die niet in strijd is met de wet, zonder daarbij op grond van het gelijkheidsbeginsel gebonden te zijn aan de handelwijze van andere heffende instanties.

4.5 Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 28 september 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 3 oktober 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.