Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4722

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
BK 113/06 Afvalstoffenheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag voor de afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/36

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 113/06

Uitspraakdatum: 28 september 2007

uitspraak van de eerste enkelvoudig belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 05/771 van de rechtbank Assen van 3 juli 2006 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 25 februari 2005 een aanslag voor de afvalstoffenheffing over het jaar 2005 opgelegd ten bedrage van € 243,80.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 22 juni

2005 de aanslag verminderd met een bedrag van € 67,20 tot op € 176,60 aangezien sprake was van een eenpersoonshuishouden.

1.3 Bij uitspraak van 3 juli 2006 (verzonden op 10 juli 2006) heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond geoordeeld.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtank.

Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlagen) dat op 17 augustus 2006 bij het hof is ingekomen.

De heffingsambtenaar heeft op 6 oktober 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 De eerste enkelvoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 22 augustus 2007.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar mevrouw A.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.2 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van het perceel a-weg 3 te L. Het perceel betreft een recreatiewoning die door belanghebbende wordt gebruikt. Er is sprake van gebruik door een eenpersoonshuishouding.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag voor de afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de in het geschil zijnde vraag ontkennend. Belanghebbende voert hiertoe aan dat er geen sprake is van geregelde afvalstromen en dat hij bovendien voor het perceel niet beschikt over afvalcontainers. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan toegevoegd dat het afval niet bij het perceel, maar op circa 300 m daarvan verwijderd, door de gemeente wordt ingezameld.

3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat de aanslag terecht is opgelegd. Er is sprake van gebruik van het perceel, hetgeen bepalend is voor het belastbaar feit van deze heffing. De weg gelegen tussen het perceel van belanghebbende en de inzamelplaats is voor circa de helft onverhard en is niet toegankelijk voor de vuilniswagens van de gemeente.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd en nader aangevuld op de wijze zoals hiervoor omschreven.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Op grond van artikel 229 , eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

4.2 Ingevolge artikel 10.21 van de Wet milieubeheer draagt de gemeente er zorg voor dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

4.3 Op grond van artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan elke gemeente ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4.4 Uit de verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2005 en de daarbij behorende tarieventabel van de gemeente Westerveld blijkt dat de belasting per perceel per belastingjaar € 176,60 bedraagt, indien het perceel wordt gebruikt door één persoon.

4.5 Vaststaat dat belanghebbende in het onderhavige jaar feitelijk gebruik heeft gemaakt van het perceel. De omstandigheid dat er, zoals belanghebbende aanvoert, niet sprake is van geregelde afvalstromen, is dan niet relevant.

4.6 Voor het beantwoorden van de ter zitting opgeworpen vraag of de gemeente Westerveld haar inzamelingsverplichting nakomt nu het inzamelingspunt circa 300m van het perceel van belanghebbende is verwijderd overweegt het hof het volgende. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de weg tussen het inzamelingspunt en het perceel van belanghebbende ten dele onverhard is en niet geschikt is voor de door de gemeente gebruikte vuilniswagens. Belanghebbende heeft deze verklaring niet gemotiveerd bestreden. Nu de inzamelingsverplichting niet verder strekt dan de openbare en toegankelijke wegen, komt de gemeente haar inzamelingsverplichting ook na nu de inzamelingsplaats feitelijk op grote afstand van het perceel van belanghebbende is gelegen.

4.7 De omstandigheid dat belanghebbende niet beschikt over een afvalcontainer, komt voor zijn eigen rekening en risico, nu de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat een hiertoe strekkend verzoek van belanghebbende direct zou worden ingewilligd.

4.8 Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 28 september 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 3 oktober 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.