Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4575

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
24-000266-05 en 24-002140-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om een herziening op grond van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafvordering, hierop neerkomende dat herziening aan de orde kan zijn op grond van de omstandigheid dat bij onderscheiden arresten, in kracht van gewijsde gegaan, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, die niet zijn overeen te brengen. [Verdachte 1] en [verdachte 2] zijn beiden veroordeeld voor het plegen van éénzelfde feit, te weten een steekpartij op 22 januari 1993, waarbij [slachtoffer] werd verwond. In dat verband heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 11 januari 2005 het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 12 juli 1994 in de zaak van verdachte [verdachte 1] vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 24-000266-05 en 24-002140-05

Parketnummers eerste aanleg: 08-005439-93 en 08-008944-96 en 08-004285-97

Arrest van 1 oktober 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na verwijzing, in herziening, door de Hoge Raad der Nederlanden, in de strafzaak tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Smit, advocaat te Almelo,

en tegen

[verdachte 2],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Boonstra, advocaat te Leeuwarden.

Het gaat in deze zaak om een herziening op grond van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafvordering, hierop neerkomende dat herziening aan de orde kan zijn op grond van de omstandigheid dat bij onderscheiden arresten, in kracht van gewijsde gegaan, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, die niet zijn overeen te brengen. [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn beiden veroordeeld voor het plegen van éénzelfde feit, te weten een steekpartij op 22 januari 1993, waarbij [slachtoffer] werd verwond. In dat verband heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 11 januari 2005 het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 12 juli 1994 in de zaak van verdachte [verdachte 1] vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak naar het hof Leeuwarden verwezen om, met inachtneming van zijn arrest, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Bij datzelfde arrest heeft de Hoge Raad der Nederlanden tevens het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 mei 1998 in de zaak van verdachte [verdachte 2], voor zover dit betrekking heeft op de zaak met parketnummer 08-008944-96 en de strafoplegging, vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak in zoverre naar het hof Leeuwarden verwezen om, met inachtneming van zijn arrest, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Hoge Raad heeft het hof opgedragen bij een en dezelfde uitspraak recht te doen.

De vonnissen waarvan beroep

De rechtbank Almelo heeft verdachte [verdachte 1] bij het vonnis d.d. 19 oktober 1993 wegens poging tot doodslag op [slachtoffer] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, zoals in dat vonnis omschreven.

Deze rechtbank heeft verdachte [verdachte 2] bij het vonnis d.d. 5 september 1997 wegens dezelfde poging tot doodslag op [slachtoffer] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, hem vrijgesproken van het onder parketnummer 08-004285-97 ten laste gelegde en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

Zowel in de zaak tegen verdachte [verdachte 1] als in de zaak tegen verdachte [verdachte 2] zijn de officier van justitie en de verdachte op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is, met toepassing van de bijzondere regeling van artikel 474, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg en op de terechtzittingen in hoger beroep van het hof te Arnhem en van dit hof.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte [verdachte 1] zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

Ten aanzien van verdachte [verdachte 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de straf voor het misdrijf met parketnummer 08-004285-97, welke zaak thans niet aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal vaststellen op een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof verdachte [verdachte 2] ter zake van het ten laste gelegde onder arrondissementsparketnummer 08-008944-96 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal de beide vonnissen vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlasteleggingen

Aan dit arrest zijn gehecht fotokopieën van de inleidende dagvaardingen. De inhoud van de tenlasteleggingen wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen aan de verdachte [verdachte 2] is ten laste gelegd de navolgende bewijsmiddelen.

De verdachte [verdachte 2] zal omwille van de leesbaarheid overal worden aangeduid als '[verdachte 2]' of alleen '[verdachte 2]', ook wanneer hij in de oorspronkelijke bewijsmiddelen '[roepnaam verdachte 2]' of '[roepnaam verdachte 2]' wordt genoemd. Er bestaat geen mogelijkheid van verwarring omtrent de persoon die bedoeld wordt. In alle gevallen gaat het om de verdachte [verdachte 2].

1. Een proces-verbaal, nummer RPVRZV/93/002732, d.d. 5 februari 1993 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], opperwachtmeester der Rijkspolitie groep Vriezenveen, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], wachtmeester 1e kl der Rijkspolitie groep Vriezenveen en op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], wachtmeester 1e kl der Rijkspolitie groep Vriezenveen (dossierpagina's 4 tot en met 10 van een dossier, nummer GPALLO/93-000326, d.d. 5 februari 1993 op ambtseed opgemaakt door

[verbalisant 1], op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], allen voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van verbalisanten:

Op 22 januari 1993 werd door mevrouw [moeder van het slachtoffer] politieassistentie verzocht, omdat haar zoon [slachtoffer] met een mes was gestoken. Wij zagen dat uit een wond in de onderbuik van [slachtoffer] bloed liep. Hij klaagde over pijn in die onderbuik en verklaarde daar te zijn gestoken. Ik, [verbalisant 3], hoorde [slachtoffer] zeggen, dat hij vermoedelijk gestoken was door [verdachte 2]. Ik hoorde hem die naam driemaal noemen. [getuige 1] verklaarde dat [slachtoffer] problemen had gehad in en voor de woning van [verdachte 1] te [plaats], gemeente [gemeente].

2. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 15 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [verbalisant 3]:

Na het incident heeft [slachtoffer] mij gezegd dat [verdachte 2] had gestoken. De term 'vermoedelijk' is in dat proces-verbaal opgenomen, omdat de rechter uiteindelijk bepaalt wie de dader is. [slachtoffer] zelf heeft het woord 'vermoedelijk' niet gebruikt. Toen ik in 1993 bij het slachtoffer kwam, dreigde hij bewusteloos te raken. Ik heb hem toen nog gevraagd wie de dader was en hij zei dat [verdachte 2] hem had gestoken.

[verdachte 2] had een reputatie waardoor mensen bang voor hem waren. [verdachte 1] had niet zo'n gewelddadige reputatie als [verdachte 2].

3. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 16 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [slachtoffer]:

Ik was op de bewuste dag in de woning van [verdachte 1]. Ik kreeg woorden met [verdachte 2]. Ik heb hem met een mes gezien. Ik heb [verdachte 1] niet met een mes gezien. Ik heb [verdachte 2] buiten wel met een mes gezien. Toen ik naar buiten ging, bleef [verdachte 1] binnen. [verdachte 2] was al buiten. Ik heb buiten geen anderen gezien. Ik weet zeker dat ik buiten was, toen ik ben gestoken. Ik heb alleen [verdachte 2] buiten gezien. Ik heb gezien dat [verdachte 2] het mes onderhands in zijn hand had en dat de punt van dat mes naar boven wees.

[verdachte 2] heeft een behoorlijke naam. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij vuurwapengevaarlijk is.

4. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL0510/93-002732, d.d. 16 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd (dossierpagina's 9 en 10 van een dossierproces-verbaal, nummer 93-002732, d.d. 31 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [slachtoffer]:

Op 22 januari 1993 waren in perceel [adres] te [plaats] [verdachte 2], [getuige 1] en ik. [getuige 2] was ook thuis. Op een gegeven moment ging ik naar buiten. Terwijl ik naar de auto liep, keek ik om in de richting van de woning van [verdachte 1]. Toen zag ik, dat [verdachte 2] buiten was en naar mij toeliep. Ik zag dat hij een mes in zijn hand vasthield. Ik heb [verdachte 1] niet gezien. Ik zag dat mijn hele onderbuik en broek besmeurd waren met bloed. Ik weet nog dat de politie kwam en mij vroeg wie mij gestoken had. Ik heb toen gezegd, dat [verdachte 2] dat gedaan had. [verdachte 2] was degene die buiten stond met het mes in zijn hand. Ik weet dat [verdachte 2] iedereen bedreigt met een vuurwapen. Ik ben bang dat hij op mij gaat schieten. Dat was ik toen ook.

5. Een schriftelijk stuk, zijnde een aanvraagformulier medische informatie, d.d. 25 januari 1993 opgemaakt door B.W. Schiff, chirurg (dossierpagina 54 van een dossier, nummer GPALLO/93-000326, voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van B.W. Schiff:

Medische informatie betreffende [slachtoffer].

Steekwond links van de navel.

Bij operatie meer dan 2500 ml bloed in de buik. Vier gaten/steekwonden in de dunne darm. Daarom deel dunne darm verwijderd. Zonder operatie zou hij zijn overleden.

6. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 16 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [verdachte 2]:

Ik had veel bier op. Ik kan mij vaag herinneren dat er buiten een worsteling met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

7. Een proces-verbaal van verhoor, nummer RPVRZV/93/002732, d.d. 22 januari 1993 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd, en op ambtseed opgemaakt door D.J.M. Jansen, wachtmeester 1e kl der Rijkspolitie groep Vriezenveen (dossierpagina's 42 tot en met 43 van een dossier, nummer GPALLO/93-000326, voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [verdachte 2]:

Op 22 januari 1993 was ik met mijn gezin bij [verdachte 1] en zijn vriendin [getuige 2] in [plaats]. [slachtoffer] en [getuige 1] kwamen bij [verdachte 1] aan de deur.

8. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL0510/93-002732, d.d. 12 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd (dossierpagina's 6 tot en met 8 van een dossierproces-verbaal, nummer 93-002732, voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [verdachte 1]:

Op 22 januari 1993 waren de volgende personen in mijn woning in [plaats]: [getuige 3], [verdachte 2], [getuige 2] en ikzelf. Op een bepaald moment werden [slachtoffer] en [getuige 1] binnengelaten. Ik heb [slachtoffer] uit de woning gezet. Toen hij buiten was, liet ik hem los. [verdachte 2] kwam als laatste weer binnen.

Ik zag dat [verdachte 2] een groot broodmes in zijn hand had. Ik zag dat er bloed aan dat mes zat, want het snijgedeelte was rood. [verdachte 2] liep naar de keuken en waste zijn handen.

Ik hoorde dat hij zei: 'Ik heb hem neergestoken.' [verdachte 2] had bloed in zijn broek.

Dat moest [getuige 2] eruit wassen. Direct na mijn aanhouding durfde ik niet te vertellen dat [verdachte 2] had gestoken, want hij bedreigde mij en mijn vriendin. We waren heel bang voor hem.

9. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 15 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 2]:

Ik heb altijd verklaard dat [verdachte 1] niet heeft gestoken. Hetgeen ik op 8 augustus 1996 heb verklaard, is de waarheid. De reden voor het feit dat ik eerst anders heb verklaard, is dat ik onder druk stond. Ik was bang voor [verdachte 2].

Hij reed steeds langs mijn huis. Ik stond er alleen voor. [verdachte 1] zat onschuldig vast. Ik ben altijd al bang geweest voor [verdachte 2]. [verdachte 2] bedreigde me. Op de avond van de steekpartij zei hij tegen mij dat ik mijn mond moest houden. Als ik dat niet deed, zou hij mij de schuld van de steekpartij geven. Ik heb gezien dat het mes werd afgewassen. Ik heb met een doekje de broek van [verdachte 2] schoongemaakt. Het klopt dat [verdachte 1] ten tijde van de steekpartij binnen was. Als ik het filmpje in mijn hoofd afspeel, zie ik dat [verdachte 2] [slachtoffer] neerstak. [verdachte 1] stond in de kamer. Ik heb gezien dat [verdachte 2] stak. [verdachte 2] wist dat ik bang voor hem was. Ik blijf erbij dat [verdachte 1] niet heeft gestoken. Ik ben bang voor [verdachte 2], omdat ik weet hoe hij is en met wie hij omgaat. Hij heeft mij onder druk gezet.

10 . Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 16 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 2]:

Ik heb gezien dat [verdachte 2] [slachtoffer] stak. Ik heb geholpen de vlek uit de broek van [verdachte 2] weg te halen. [verdachte 2] heeft zelf het mes afgewassen. Ik weet zeker dat [verdachte 1] op het moment van de steekpartij binnen was. De broek van [verdachte 2] moest worden schoongemaakt.

11. Een proces-verbaal van het getuigenverhoor, R.C.-nummer 96/718, d.d. 6 november 1996 opgemaakt, inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 2]:

Ik ben bereid om als getuige een verklaring af te leggen. Ik wil niet dat [verdachte 2] erbij is, omdat ik dan dichtklap. [verdachte 2] heeft gezegd dat hij erbij mocht zitten en dat ik dan toch niets zou durven zeggen. De verklaring die ik in augustus 1996 bij de politie heb afgelegd is de juiste verklaring. Direct na de steekpartij in 1993 heb ik tegen de politie gezegd dat ik niet wist wie er gestoken had, omdat [verdachte 2] dezelfde avond tegen mij gezegd had, dat wij niet mochten zeggen dat hij had gestoken. Ik was bang voor [verdachte 2]. [verdachte 2] bedreigde mij. Ik heb zelf gezien dat [verdachte 2] [slachtoffer] heeft gestoken.

12. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL0510/93-002732, d.d. 8 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd (dossierpagina's 3 en 4 van een dossierproces-verbaal, nummer 93-002732, d.d. 31 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 2]:

Op 22 januari 1993 kwamen [getuige 1] en [slachtoffer] bij onze woning aan de [adres] te [plaats]. In onze woning waren toen aanwezig [verdachte 2], [getuige 3], twee kinderen en mijn vriend [verdachte 1]. Ik hoorde dat [verdachte 2] en [slachtoffer] onenigheid hadden. [slachtoffer] en [getuige 1] liepen naar de voordeur en verlieten ons huis. Ik zag dat [verdachte 2] opstond, naar de keukenla liep, deze opende en daaruit een broodmes pakte. Hij liep met het mes in de hand naar de voordeur. Ik hoorde dat hij zei: 'Ik steek hem hartstikke dood.' Ik zag dat [verdachte 2] [slachtoffer] aanviel. [slachtoffer] viel daardoor. Ik zag dat [verdachte 2] [slachtoffer] krachtig met het mes in de buik stak. Hij haalde het mes direct uit de buik van [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte 2] naar binnen liep en daarbij schreeuwde: 'Ik heb hem gestoken, ik heb hem gestoken.' Ik zag dat [verdachte 2] vervolgens het mes afwaste onder de kraan in de keuken. Ook zag ik dat hij bloed in zijn broek had. Ik moest dat er snel uitwassen. Ik hoorde dat [verdachte 2] zei: 'Je moet niet zeggen dat ik dat gedaan heb.'

De verklaring die ik destijds (het hof begrijpt: in 1993) aflegde was niet waar. Ik heb die verklaring zo afgelegd, omdat ik bang ben voor [verdachte 2]. [verdachte 2] zei ook nog tegen mij, dat hij wilde zeggen dat ik gestoken had.

13. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 16 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 3]:

Uit angst voor de verdachte [verdachte 2] heb ik tot en met gisteren 15 januari 2007 anders verklaard. Het klopt dat ik heb gezien dat [verdachte 2] [slachtoffer] heeft gestoken. Het klopt ook dat ik geholpen heb de broek van [verdachte 2] schoon te maken. Op het moment van de steekpartij heb ik [verdachte 1] helemaal niet gezien. Ik zag dat [slachtoffer] op [verdachte 2] afliep. [verdachte 2] had een mes in zijn hand. Ik heb één steekbeweging gezien. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel. Ik heb gezien dat er bloed in de broek van [verdachte 2] zat.

[getuige 2] heeft de broek schoongemaakt. Dit heb ik gezien. [verdachte 2] heeft mij gevraagd om wat anders te verklaren dan ik had gezien. Dit vroeg hij meteen dezelfde avond.

14. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 15 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 4]:

[verdachte 2] heeft zelf tegen mij gezegd dat hij degene was die heeft gestoken. Hij zei: '[roepnaam verdachte 1] zit vast, maar die zegt toch niets. Ik heb gestoken.' Dit was in de tijd dat de steekpartij plaatsvond. (Met '[roepnaam verdachte 1]' wordt de verdachte [verdachte 1] bedoeld, zo begrijpt het hof).

15. Een proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 16 januari 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 5]:

Het klopt dat [verdachte 2] bij ons kwam en dat hij vertelde dat hij iemand had gestoken. Hij wilde eerst [verdachte 1] de schuld geven. Later zei hij dat hij het zelf had gedaan. Ongeveer twee dagen nadat ik mijn verklaring bij de politie had afgelegd, heeft [verdachte 2] tegen mij gezegd: 'Dit flik je me niet weer.'

16. Een proces-verbaal van verhoor, nummer PL0510/93-002732, d.d. 8 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd (dossierparagraaf 00.3 van een dossierproces-verbaal, nummer 93-002732, d.d. 31 augustus 1996 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd), inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 5]:

Ik weet, dat er op 22 januari 1993 een steekpartij is geweest voor de woning van [verdachte 1] en [getuige 2]. Ik weet ook dat direct na de steekpartij twee personen zijn opgepakt. Dat waren [verdachte 1] en [verdachte 2]. [verdachte 1] moest toen op het bureau blijven en [verdachte 2] mocht naar huis. [verdachte 2] is, toen hij weer thuis kwam, bij mij geweest. Ik hoorde dat hij toen tegen mij zei: "Ik heb er een aan het mes gestoken." Ik heb er nooit over willen praten, maar nu wel, omdat er een verkeerde vastzit. Ik wil niet dat mijn naam bij [verdachte 2] bekend wordt.

Ik wil deze verklaring wel bevestigen, maar ik wil onbekend blijven, omdat ik [verdachte 2] niet vertrouw.

17. Een proces-verbaal van het getuigenverhoor, R.C.-nummer 96/718, d.d. 6 november 1996 opgemaakt, inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [getuige 5]:

Direct na de steekpartij in 1993 kwamen [getuige 2] en [getuige 3] bij mij thuis en vertelden dat er gestoken was. Later kwam [verdachte 2] binnen en vertelde ook dat er gestoken was en dat hij dat had gedaan. [verdachte 2] heeft toen ook nog gezegd dat [roepnaam verdachte 1] (het hof begrijpt: [verdachte 1]) het op zich had genomen, omdat [roepnaam verdachte 1] voor zoiets misschien minder straf zou krijgen. Ik ben doodsbenauwd voor [verdachte 2] en ik vertrouw hem niet.

Nadere bewijsoverweging

Het hof overweegt met betrekking tot de getuigenverklaringen als volgt.

Deze zaak kenmerkt zich door de uitzonderlijke omstandigheid dat diverse getuigen na verloop van tijd anders of meer uitgebreid zijn gaan verklaren dan zij aanvankelijk hadden gedaan. Het hof staat voor de taak vast te stellen aan welke van de verklaringen geloof moet worden gehecht. Om die taak naar behoren te kunnen vervullen, heeft het hof de in dit verband meest in aanmerking komende getuigen zelf gehoord. Het spreekt immers vanzelf dat grote behoedzaamheid moet worden betracht bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van getuigen die in hun verklaringen niet consequent zijn. En daarbij komt het tijdsverloop na de pleegdatum van het delict (22 januari 1993), het eerste proces (1993/1994), het tweede proces (1997/1998) en de onderhavige behandeling voor dit hof (2006/2007). Wie zal zeggen dat de getuigen later niet opnieuw anders zullen verklaren? Om die reden zijn de getuigen grondig ondervraagd en indien er gerede twijfel rees aan het waarheidsgehalte van de verklaringen is proces-verbaal van meineed opgemaakt. Het hof heeft op grond van dit indringende onderzoek de overtuiging bekomen dat de thans voor het bewijs gebruikte verklaringen van de desbetreffende getuigen op waarheid berusten.

Daarbij speelt een belangrijke rol, zoals hieronder nader zal worden overwogen, dat voor het hof is komen vast te staan dat de aanvankelijk door hen afgelegde verklaringen zijn ingegeven door angst voor de persoon van [verdachte 2]. Voorts is van belang dat de 'nieuwe' verklaringen steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals de verklaringen van het slachtoffer van de steekpartij, [slachtoffer]. Weliswaar heeft (ook) [slachtoffer] later [verdachte 1] als dader aangewezen, maar dat deed hij niet uit eigen beweging, maar op aangeven van de getuige [getuige 1], die ter zitting van dit hof niet meer zo zeker van zijn zaak was.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft kort na het incident tegenover de verbalisant Egbertsen verklaard dat [verdachte 2] hem had gestoken (bewijsmiddelen 1 en 2). Dit verklaarde hij kort voordat hij het bewustzijn verloor. Zowel ter zitting van het hof op 16 januari 2007 als tijdens de politieverhoren in 1996 heeft [slachtoffer] opnieuw verklaard dat hij niet [verdachte 1], maar [verdachte 2] buiten met een mes heeft gezien (bewijsmiddelen 3 en 4).

Getuige [getuige 5] heeft in 1993 geen verklaring afgelegd met betrekking tot het ten laste gelegde feit. In 1996 en ter terechtzitting van dit hof heeft zij echter wel verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn eensluidend in die zin dat [verdachte 2] haar op de dag van de steekpartij heeft gezegd dat hij degene was die gestoken heeft (bewijsmiddelen 15, 16 en 17). De getuige [getuige 3] heeft aanvankelijk verklaard dat [verdachte 1] degene was die [slachtoffer] had gestoken. [getuige 3] heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 16 januari 2007 haar verklaring in die zin gewijzigd dat [verdachte 2] degene is die [slachtoffer] heeft gestoken (bewijsmiddel 13). [getuige 2] heeft in 1993 verklaard dat zij de steekpartij niet heeft gezien. In 1996 heeft zij anders verklaard, met dien verstande dat zij verdachte [verdachte 2] als dader van de steekpartij aanwees (bewijsmiddelen 11 en 12) en ook ter zitting van het hof heeft zij dit verklaard (bewijsmiddelen 9 en 10). Beide getuigen zeggen in eerste instantie anders te hebben verklaard uit angst voor [verdachte 2].

De getuige [getuige 4] heeft ter zitting van het hof d.d. 15 januari 2007 verklaard dat verdachte [verdachte 2] zelf heeft gezegd dat hij [slachtoffer] had gestoken (bewijsmiddel 14).

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in 1993 uit angst voor verdachte [verdachte 2] aan zijn verzoek voldeed om in strijd met de waarheid [verdachte 1] als de dader van de steekpartij aan te wijzen. Getuige [getuige 2] heeft om diezelfde reden verdachte [verdachte 2] niet willen aanwijzen als dader.

Vanwege de angst die [verdachte 2] hen inboezemde is getuige [getuige 2] in 1996 bij de rechter-commissaris buiten aanwezigheid van verdachte [verdachte 2] gehoord. Ook getuige [getuige 5] heeft aangegeven dat zij ter zitting van het hof alleen dan een verklaring wilde afleggen, indien dit buiten aanwezigheid van [verdachte 2] zou plaatsvinden. Voor het hof staat aldus vast dat de verklaringen die door een aantal getuigen in 1993 zijn afgelegd en waarin [verdachte 1] als dader is aangewezen, tot stand zijn gekomen doordat de getuigen zich geïntimideerd voelden door [verdachte 2], ook al moge het zo zijn dat niet altijd van rechtstreekse intimidatie door woord en gebaar van zijn kant sprake was.

Het hof baseert zich daarbij niet alleen op de verklaringen van de getuigen waaruit die angst blijkt (bewijsmiddelen 3, 4, 8, 9, 11, 12, 16 en 17), maar ook op de gewelddadige reputatie die verdachte [verdachte 2] blijkens de verklaring van [verbalisant 3] had (bewijsmiddel 2) en op de justitiële documentatie van [verdachte 2]. Uit het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 11 juni 2007 blijkt immers dat [verdachte 2] in 1993 reeds diverse malen contact met politie en Justitie had gehad onder meer terzake van geweldsdelicten. Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van de getuigen, die zij in 1993 hebben afgelegd en waarin verdachte [verdachte 1] als dader is aangewezen, ongeloofwaardig.

Het hof acht de verklaring, die het slachtoffer [slachtoffer] kort na het incident heeft afgelegd, van doorslaggevend belang. Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer], op het moment dat hij dreigde het bewustzijn te verliezen direct na het gebeuren, een verklaring naar waarheid heeft afgelegd. Uit geen van alle afgelegde verklaringen volgt dat allebei de verdachten bij of in de buurt van het slachtoffer waren op het moment van de steekpartij, zodat het slachtoffer zich niet in de dader vergist kan hebben. De reden voor de wijziging in de verklaring van [slachtoffer] dat niet [verdachte 2], maar [verdachte 1] hem had gestoken, moet liggen in het feit dat getuige [getuige 1] hem tijdens een bezoek in het ziekenhuis vertelde dat [verdachte 1] de dader was, zoals [slachtoffer] zelf verklaard heeft (bewijsmiddelen 3 en 4). Zoals al is overwogen, heeft [getuige 1] ter zitting van dit hof verklaard thans niet meer zeker te zijn van zijn observatie dat [verdachte 1] [slachtoffer] heeft gestoken. Deze getuige verklaarde dat hij de gehele dag drinkt en dat hij ten tijde van de steekpartij nogal wat bier gedronken had, waarmee hij kennelijk bedoelde dat zijn verklaring niet serieus moet worden genomen. Dat doet het hof dan ook niet.

De overige ter zitting gehoorde getuigen wijzen thans allen [verdachte 2] aan als degene die [slachtoffer] heeft gestoken, hetzij als ooggetuige, hetzij als degene die dit van [verdachte 2] zelf hebben gehoord.

De getuigen [getuige 6] en [getuige 7], buren van verdachte [verdachte 1], hebben in 1993 verklaard over een vechtpartij buiten voor de woning van verdachte [verdachte 1]. Klaarblijkelijk hebben deze buren gezien, dat er een handgemeen is geweest tussen [verdachte 1] en [slachtoffer]. Gelet op de verklaringen van de andere getuigen, welke verklaringen hiervoor zijn opgenomen, neemt het hof aan dat het moment van het handgemeen een ander moment dan dat van de steekpartij betreft. De getuigenverklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] doen daarmee dan ook geen afbreuk aan de overtuiging van het hof dat het ten laste gelegde door verdachte [verdachte 2] is gepleegd.

Na de steekpartij is de trui van verdachte [verdachte 1] in beslag genomen. Op de achterzijde van deze trui is bloed aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat dit bloed afkomstig was van het slachtoffer [slachtoffer]. Gelet op de veelheid aan bewijs tegen verdachte [verdachte 2] - dat daarmee ontlastend is voor verdachte [verdachte 1] - doen de resultaten van het bloedonderzoek geen twijfel rijzen aan het daderschap van [verdachte 2]. De bloedsporen moeten op een ander moment dan dat van het toebrengen van de messteek op de trui van [verdachte 1] zijn gekomen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is

dat verdachte [verdachte 2] de messteek bij het slachtoffer [slachtoffer] heeft toegebracht.

Vrijspraak

Op grond van het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachte [verdachte 1] de messteek bij [slachtoffer] heeft toegebracht, sterker nog, het hof is ervan overtuigd dat niet hij, maar [verdachte 2] het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Gelet daarop acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte [verdachte 1] is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht ter zake van verdachte [verdachte 2] bewezen dat:

hij op 22 januari 1993 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de buik heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte [verdachte 2] als voormeld - voor zover thans in hoger beroep aan de orde - meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte [verdachte 2] strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 22 januari 1993 heeft verdachte [verdachte 2] getracht het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven door - na een ruzie die in de woning van [verdachte 1] plaatsvond - buiten met een mes in de buik van die [slachtoffer] te steken. Hierdoor ontstond een ernstige, hevig bloedende wond. Het slachtoffer is met spoed geopereerd en heeft ten gevolge van zijn verwondingen enkele dagen in coma gelegen. Door de verwonding heeft het slachtoffer meer dan twee en een halve liter bloed verloren.

Daarnaast diende een deel van de dunne darm verwijderd te worden, vanwege de perforaties die door de messteek in de darmwand waren ontstaan. Het letsel zou zonder medisch ingrijpen dodelijk zijn geweest. Verdachte [verdachte 2] heeft op deze wijze niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft met zijn daad tevens een ernstig gebrek aan respect voor menselijk leven getoond.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 11 juni 2007, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten en dat hij zich, ook na het plegen van het onderhavige misdrijf, opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige geweldsmisdrijven.

Op grond van voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats is.

Verdachte [verdachte 2] was erop gebrand zichzelf te vrijwaren. Zo blijkt uit de verklaring van [getuige 2], die zij ter terechtzitting van het hof d.d. 15 januari 2007 heeft afgelegd (bewijsmiddel 9), dat verdachte tegen haar had gezegd dat zij in strijd met de waarheid moest verklaren over zijn daderschap en dat hij, mocht zij toch de waarheid zeggen, zou verklaren dat zijzelf het slachtoffer had gestoken. Ook [getuige 3] heeft ter zitting van het hof d.d. 16 januari 2007 verklaard dat verdachte haar had gevraagd niet te verklaren dat hij [slachtoffer] had gestoken (bewijsmiddel 13). Uit angst voor verdachte [verdachte 2] heeft ook zij vervolgens in strijd met de waarheid verklaard dat [verdachte 1] de dader was.

Het recht kent het uitgangspunt dat niemand gehouden is zichzelf strafrechtelijk te belasten. Dat uitgangspunt is geen vrijbrief om er bij anderen op aan te dringen niet naar waarheid te verklaren. Het is een kwalijke zaak dat verdachte op de hiervoor vermelde wijze er actief aan heeft bijgedragen dat [verdachte 1] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden - en deze straf ook heeft uitgezeten - voor de poging tot doodslag op [slachtoffer], die door hemzelf - [verdachte 2] - is gepleegd. [verdachte 1] heeft erg geleden onder het feit dat hij ten onrechte is veroordeeld. Bovendien heeft dit handelen van verdachte [verdachte 2] een goede procesgang gefrustreerd. Het hof is van oordeel dat dit een omstandigheid is die tot een hogere strafoplegging dan de gevorderde vijftien maanden gevangenisstraf zou moeten leiden.

Artikel 476, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering laat echter niet toe dat een hogere straf wordt opgelegd dan bij het vernietigde arrest is gedaan. Hoewel de onderhavige zaak een zeer oude zaak betreft, is het hof van oordeel dat er, mede in aanmerking genomen de bijzondere aard van deze procedure, geen sprake is van het overschrijden van de redelijke termijn en dat er ook overigens geen aanleiding bestaat rekening te houden met het tijdsverloop.

Het hof zal, gelet op het voorgaande, aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijftien maanden.

Het hof te Arnhem heeft bij arrest van 29 mei 1998 [verdachte 2] een straf van 24 maanden opgelegd voor de poging tot doodslag op [slachtoffer], die in deze herzieningsprocedure aan de orde is, alsmede voor een poging tot doodslag op [verdachte 1] ten laste gelegd onder parketnummer 08-004285-97, waarvan de rechtbank, zoals hiervoor reeds is overwogen, hem nog had vrijgesproken. Het hof dient, met toepassing van artikel 476, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf voor die laatste poging tot doodslag te bepalen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat die straf wordt bepaald op negen maanden. De verdediging heeft zich daartegen niet verzet. Rekening houdende met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte, zal het hof de advocaat-generaal in haar vordering volgen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud), 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP IN HERZIENING:

vernietigt de vonnissen, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte [verdachte 1] ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte [verdachte 2] onder parketnummer 08-008944-96 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte [verdachte 2] strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte [verdachte 2] als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte 2] terzake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

bepaalt de straf in de zaak met parketnummer 08-004285-97 op een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde [verdachte 2] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verzoekt de griffier afschriften van dit arrest te zenden aan de Hoge Raad der Nederlanden, het gerechtshof te Arnhem en de rechtbank te Almelo.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. H.L.C. Hermans, voorzitter,

mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. K. Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. C. Coster als griffier.