Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4425

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
0700473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In de (enige) grief wordt, kort samengevat, betoogd dat de voorzieningenrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat de litigieuze afspraak d.d. 24 januari 2007 een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden behelst. Dit berust evenwel op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Naar het oordeel van het hof is de voorzieningenrechter met [appellante ] ervan uitgegaan dat de litigieuze verklaring van 24 januari 2007 een voorovereenkomst tot het wijzigen van het vigerende huwelijksgoederenstelsel van partijen behelst. Terecht is vervolgens in het beroepen vonnis op grond van het bepaalde in artikel 6:226 BW - inhoudende dat indien de wet voor de totstandkoming van een overeenkomst een vormvereiste stelt, dit voorschrift van overeenkomstige toepassing is op een overeenkomst waarbij een partij in wier belang dit voorschrift strekt zich tot het aangaan daarvan verplicht - geconcludeerd tot de nietigheid van die onderhandse (voor)overeenkomst aangezien deze de notariële vorm ontbeert (vgl. HR 27 juni 2003, NJ 2003, 534). Dat de voorgeschreven notariële vorm in deze in het belang is te achten van beide partijen is naar het oordeel van het hof zonneklaar. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat allerlei onvoldoende doordachte uitlatingen van (aanstaande) echtgenoten vérstrekkende en wellicht niet voorziene consequenties zouden kunnen krijgen. De door de wetgever beoogde bescherming bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden via de ex artikel 1:115 BW verplichte notariële tussenkomst en de daarmee gepaard gaande voorlichting zou daarmee in feite illusoir zijn. Gedoeld wordt hier in het bijzonder op de zogenaamde Belehrungspflicht als geregeld in artikel 43 lid 1 van de Wet op het Notarisambt, welke wetsbepaling mede is geënt op de in HR 20 januari 1989, NJ 1989, 766 (Groningse huwelijkse voorwaarden) geformuleerde waarschuwingsplicht van de notaris voor de aan een bepaalde rechtshandeling verbonden risico's alsmede op de wilscontrolerende functie die met zich brengt dat de notaris controleert of de bedoelingen van partijen in de akte juist en volledig zijn weergegeven (vgl. HR 8 april 1983, NJ 1984, 785). Bedoelde voorlichting en waarschuwing, c.q. wilscontrole bij de complexe rechtsfiguur van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk, met alle financiële en fiscale repercussies van dien, is evenzeer gewenst als het huwelijk van de echtelieden binnen afzienbare tijd door echtscheiding zal worden ontbonden (zoals in casu het geval is).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 115
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 226
Wet op het notarisambt
Wet op het notarisambt 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/136
EB 2007, 86

Uitspraak

Arrest d.d. 19 september 2007

Rolnummer 0700473

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante ],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente ],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante ],

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente ],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.F. Rouwé-Danes.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 29 juni 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 juli 2007 is door [appellante ], onder intrekking van een exploot van 11 juli 2007, hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 8 augustus 2007.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Voorzieningenrechter te Groningen d.d. 29 juni 2007 tussen partijen onder rolnummer 94659/KG ZA 07-191 gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde te veroordelen, om binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen arrest, op eerste verzoek van appellante en zonder enig voorbehoud, zijn medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van een wijziging van de vigerende huwelijksvoorwaarden tussen partijen in die van gemeenschap van goederen, zulks op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 5000,= voor iedere dag dat geïntimeerde hiermee in gebreke blijft. Een en ander, zoveel mogelijk op de minuut en op alle dagen en uren."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"a. De vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel het beroep te verwerpen, en het vonnis, waarvan beroep te bevestigen, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

b. De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante ] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de in het beroepen vonnis vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht zodat daarvan ook in appel zal worden uitgegaan. Op grond daarvan, en hetgeen ook overigens onbestreden is, staat tussen partijen het navolgende vast:

a. Partijen zijn op 2 mei 1975 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, houdende 'koude uitsluiting' behoudens een beperkte gemeenschap van inboedel.

b. In de loop van 2006 heeft [geïntimeerde] laten weten dat hij van de echt wil scheiden van [appellante ]. [geïntimeerde] heeft vervolgens de echtelijke woning in [plaats] verlaten.

c. Op 24 januari 2007 is [geïntimeerde] naar [plaats] gegaan. Daar heeft [geïntimeerde] de volgende handgeschreven verklaring opgesteld:

”[plaats]

24 januari 2007

Hierbij verklaren wij [appellante ] geb [geboortedatum ] te [plaats] en [geïntimeerde] geb te [plaats ] op [geboortedatum ] onze huwelijkse voorwaarden te willen wijzigen in alg gemeenschap van goederen.”

d. Partijen hebben beide deze verklaring ondertekend.

Kern van het geschil

2. In de kern komt het geschil erop neer dat [appellante ] nakoming van de in rechtsoverweging 1 sub c geciteerde overeenkomst vraagt en uit dien hoofde op straffe van een dwangsom in kort geding de veroordeling van [geïntimeerde] vordert tot medewerking aan het tot stand brengen van een wijziging van de vigerende huwelijkse voorwaarden in die van - lees algehele (toevoeging hof) - gemeenschap van goederen. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Het hof wijst er in dit verband nog op dat uit de in eerste aanleg overgelegde stukken blijkt dat zowel het privé- als het (in diverse vennootschappen ondergebrachte) zakelijke vermogen van [geïntimeerde] zeer aanzienlijk is.

Behandeling van de grief

3. Gelet op de onderhavige kwestie is naar het oordeel van het hof de spoedeisendheid gegeven: de litigieuze huwelijksvermogensrechtelijke regimeswijziging dient nog staande huwelijk haar beslag te krijgen en in confesso is dat partijen in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld. In hoeverre de vordering zich leent voor behandeling in kort geding - die naar haar aard gericht is op een voorlopige voorziening - laat het hof in het midden nu, zoals hierna zal blijken, de gevraagde veroordeling zal worden afgewezen.

4. In de (enige) grief wordt, kort samengevat, betoogd dat de voorzieningenrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat de litigieuze afspraak d.d. 24 januari 2007 een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden behelst. Dit berust evenwel op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Naar het oordeel van het hof is de voorzieningenrechter met [appellante ] ervan uitgegaan dat de litigieuze verklaring van 24 januari 2007 een voorovereenkomst tot het wijzigen van het vigerende huwelijksgoederenstelsel van partijen behelst. Terecht is vervolgens in het beroepen vonnis op grond van het bepaalde in artikel 6:226 BW - inhoudende dat indien de wet voor de totstandkoming van een overeenkomst een vormvereiste stelt, dit voorschrift van overeenkomstige toepassing is op een overeenkomst waarbij een partij in wier belang dit voorschrift strekt zich tot het aangaan daarvan verplicht - geconcludeerd tot de nietigheid van die onderhandse (voor)overeenkomst aangezien deze de notariële vorm ontbeert (vgl. HR 27 juni 2003, NJ 2003, 534). Dat de voorgeschreven notariële vorm in deze in het belang is te achten van beide partijen is naar het oordeel van het hof zonneklaar. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat allerlei onvoldoende doordachte uitlatingen van (aanstaande) echtgenoten vérstrekkende en wellicht niet voorziene consequenties zouden kunnen krijgen. De door de wetgever beoogde bescherming bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden via de ex artikel 1:115 BW verplichte notariële tussenkomst en de daarmee gepaard gaande voorlichting zou daarmee in feite illusoir zijn. Gedoeld wordt hier in het bijzonder op de zogenaamde Belehrungspflicht als geregeld in artikel 43 lid 1 van de Wet op het Notarisambt, welke wetsbepaling mede is geënt op de in HR 20 januari 1989, NJ 1989, 766 (Groningse huwelijkse voorwaarden) geformuleerde waarschuwingsplicht van de notaris voor de aan een bepaalde rechtshandeling verbonden risico's alsmede op de wilscontrolerende functie die met zich brengt dat de notaris controleert of de bedoelingen van partijen in de akte juist en volledig zijn weergegeven (vgl. HR 8 april 1983, NJ 1984, 785). Bedoelde voorlichting en waarschuwing, c.q. wilscontrole bij de complexe rechtsfiguur van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk, met alle financiële en fiscale repercussies van dien, is evenzeer gewenst als het huwelijk van de echtelieden binnen afzienbare tijd door echtscheiding zal worden ontbonden (zoals in casu het geval is).

5. De onderhavige overeenkomst dient ex artikel 3:39 BW als nietig te worden beschouwd en nakoming daarvan kan bij gevolg niet in rechte worden afgedwongen. Derhalve kan verder voorbij worden gegaan aan het door [geïntimeerde] gestelde misbruik van omstandigheden. De door [appellante ] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen, wat daar verder ook van zij, behoeven in het licht van het vorenstaande geen verdere bespreking.

6. De grief faalt derhalve.

Slotsom

7. Het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. Nu het hier echtelieden betreft, zal het hof de kosten compenseren, met dien verstande dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing:

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 29 juni 2007;

compenseert de kosten, des dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, en Breemhaar en Hidma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 19 september 2007.