Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB2596

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
Parketnummer: 24-000458-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feitelijke gang van zaken vastgesteld.

Het voor verdachte onverwachts beëindigen van de relatie tussen [slachtoffer 2] en verdachte heeft bij hem veel frustratie doen ontstaan. De frustratie bij verdachte nam toe toen korte tijd later bleek dat [slachtoffer 2] een nieuwe relatie had, terwijl zij dat tegenover verdachte eerder had ontkend. Naar de mening van verdachte had de nieuwe partner van [slachtoffer 2], te weten [slachtoffer 1], zijn plaats ingenomen. In de aanloop naar de confrontatie op 22 oktober 2006 heeft verdachte enkele malen doodsbedreigingen geuit ten aanzien van [slachtoffer 1]. Op 22 oktober 2006 is zijn frustratie tot een uitbarsting gekomen. Verdachte heeft die avond een feest bezocht, heeft vervolgens bewust een mes bij zich gestoken, heeft in het plaatselijke café naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gezocht en is daarna naar zijn voormalige woning gegaan, alwaar [slachtoffer 2] op dat moment met [slachtoffer 1] aanwezig was. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij 'voor [slachtoffer 1] kwam'. Hij is de woning binnengedrongen en is, met het mes vooruit gericht in zijn hand, rechtstreeks naar de slaapkamer gelopen waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanwezig waren. Nabij de slaapkamerdeur vond hij [slachtoffer 2] op zijn weg en heeft hij haar in de borst gestoken. [slachtoffer 2] heeft hieromtrent onder meer verklaard: "In mijn beleving prikte hij mij en trok het mes weer uit mijn borst." Vervolgens heeft verdachte zich in de slaapkamer op [slachtoffer 1] gericht.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] met het mes in de buik gestoken en hem aldus ernstig verwond. Verdachte heeft vervolgens de woning verlaten. Op straat bevond zich ook [slachtoffer 2] die na de confrontatie met verdachte naar buiten was gevlucht. Verdachte heeft op dat moment [slachtoffer 2] met rust gelaten. Verdachte is vervolgens opnieuw de woning binnengegaan en heeft zich wederom op [slachtoffer 1] gericht waarbij hij hem nog heeft geschopt en geslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000458-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-880320-06

Arrest van 20 augustus 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

22 februari 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Boonstra, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder

1 primair ten laste gelegde en de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewijsoverweging

Aan verdachte is onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegd, respectievelijk, poging tot moord op [slachtoffer 1] en poging tot moord, althans poging tot doodslag op [slachtoffer 2]. Verdachte heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde ontkend met voorbedachten rade, althans opzettelijk te hebben gehandeld. Hij heeft hieromtrent - zakelijk weergegeven - verklaard dat zijn handelen enkel was gericht op een confrontatie met [slachtoffer 1] en dat zijn opzet niet was gericht op de dood van [slachtoffer 2].

Het hof heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feitelijke gang van zaken vastgesteld.

Het voor verdachte onverwachts beëindigen van de relatie tussen [slachtoffer 2] en verdachte heeft bij hem veel frustratie doen ontstaan. De frustratie bij verdachte nam toe toen korte tijd later bleek dat [slachtoffer 2] een nieuwe relatie had, terwijl zij dat tegenover verdachte eerder had ontkend. Naar de mening van verdachte had de nieuwe partner van [slachtoffer 2], te weten [slachtoffer 1], zijn plaats ingenomen. In de aanloop naar de confrontatie op 22 oktober 2006 heeft verdachte enkele malen doodsbedreigingen geuit ten aanzien van [slachtoffer 1]. Op 22 oktober 2006 is zijn frustratie tot een uitbarsting gekomen. Verdachte heeft die avond een feest bezocht, heeft vervolgens bewust een mes bij zich gestoken, heeft in het plaatselijke café naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gezocht en is daarna naar zijn voormalige woning gegaan, alwaar [slachtoffer 2] op dat moment met [slachtoffer 1] aanwezig was. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij 'voor [slachtoffer 1] kwam'. Hij is de woning binnengedrongen en is, met het mes vooruit gericht in zijn hand, rechtstreeks naar de slaapkamer gelopen waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanwezig waren. Nabij de slaapkamerdeur vond hij [slachtoffer 2] op zijn weg en heeft hij haar in de borst gestoken. [slachtoffer 2] heeft hieromtrent onder meer verklaard: "In mijn beleving prikte hij mij en trok het mes weer uit mijn borst." Vervolgens heeft verdachte zich in de slaapkamer op [slachtoffer 1] gericht.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] met het mes in de buik gestoken en hem aldus ernstig verwond. Verdachte heeft vervolgens de woning verlaten. Op straat bevond zich ook [slachtoffer 2] die na de confrontatie met verdachte naar buiten was gevlucht. Verdachte heeft op dat moment [slachtoffer 2] met rust gelaten. Verdachte is vervolgens opnieuw de woning binnengegaan en heeft zich wederom op [slachtoffer 1] gericht waarbij hij hem nog heeft geschopt en geslagen.

Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer 2] na kalm beraad en rustig overleg heeft getracht van het leven te beroven. Uit verdachtes verklaring en zijn feitelijke handelwijze blijkt dat het zijn bedoeling was om [slachtoffer 1] te treffen en dat hij op weg naar [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] op zijn weg vond en ook haar eenmaal heeft gestoken. Het hof is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte zich in de aanloop naar de feiten tevens bedreigend heeft uitgelaten in de richting van [slachtoffer 2] en haar eerder een keer heeft geschopt, op zichzelf niet kan worden afgeleid dat verdachte haar op 22 oktober 2006 opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven wilde beroven.

Dat verdachte [slachtoffer 2] niet met voorbedachten rade van het leven wilde beroven blijkt naar het oordeel van het hof tevens uit de omstandigheid dat hij, nadat hij [slachtoffer 1] had gestoken en met het mes nog bij zich, [slachtoffer 2] op straat trof en haar toen met rust heeft gelaten.

Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tijdens de confrontatie met [slachtoffer 2] op 22 oktober 2006 de (voorwaardelijke) opzet had haar van het leven te beroven. Het hof overweegt hieromtrent dat verdachte [slachtoffer 2] met een mes in haar borst heeft gestoken op het moment dat [slachtoffer 2] zich op een circa 1 meter brede overloop bevond om de woning te verlaten, terwijl verdachte met het mes voor zich er langs wilde om de slaapkamer te betreden. Uit de medische verklaring omtrent het bij [slachtoffer 2] geconstateerde lestel blijkt dat een steekwond zoals door verdachte is toegebracht, in principe dodelijk is. Het hof is van oordeel dat het ook voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het onder deze omstandigheden toebrengen van een dergelijke steekwond de aanmerkelijke kans meebrengt dat de ander als gevolg daarvan zal komen te overlijden. Verdachte heeft met zijn handelwijze deze kans willens en wetens aanvaard.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen de aan verdachte onder 2 primair ten laste gelegde poging tot moord, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht het aan verdachte onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 oktober 2006, te Paesens, in de gemeente Dongeradeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] met een mes in zijn buik heeft gestoken/gesneden en na voornoemde handeling die [slachtoffer 1] met kracht tegen zijn hoofd en borst heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 22 oktober 2006, te Paesens, in de gemeente Dongeradeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes in haar borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 primair: poging tot moord;

2 primair: poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is multidisciplinair gerapporteerd. Uit het psychiatrisch rapport d.d. 28 januari 2007 van S.U. Leeuwestein blijkt onder meer dat er bij verdachte sprake is van onvermogen om gevoelens tot uitdrukking te brengen. In normale omstandigheden functioneert zijn geweten op volwassen niveau, echter in zeer uitzonderlijke situaties blijkt zijn geweten te disfunctioneren. De rapporteur is van mening dat er geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is een krenkbare, zich deels afhankelijk opstellende man, hetgeen in bijzondere omstandigheden tot een agressieve uitbarsting kan leiden.

Uit het psychologisch rapport d.d. 31 januari 2007 van J.P. Pauw blijkt onder meer dat er in de loop van de maanden na de scheiding bij verdachte sprake was van toenemende depressie met suïcidale ideatie, een hoog spanningsniveau, emotionele labiliteit, verminderde impulscontrole en boosheid. Zijn persoonlijkheid wordt gekenmerkt door narcistische trekken. Verdachte is gevoelig voor vernedering en krenking.

Naar de mening van de rapporteur was er ten tijde van het plegen van de feiten sprake van deze problematiek en kan het ten laste gelegde verdachte gelet op het voorgaande in licht verminderde mate worden toegerekend.

Het hof neemt de voornoemde conclusies uit de rapporten van de deskundigen over voor wat betreft verdachtes psychische toestand ten tijde van het begaan van de feiten en maakt deze tot de zijne. Met betrekking tot verdachtes toerekeningsvatbaarheid verschillen de deskundigen van mening. Het hof is, gelet op hetgeen in de rapporten wordt vermeld omtrent verdachtes psychische toestand ten tijde van het begaan van de feiten, van oordeel dat verdachte ter zake van deze feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer 2] en haar nieuwe partner, [slachtoffer 1], getracht van het leven te beroven. Aanleiding tot de delicten was het - enkele maanden eerder - verbreken van de relatie door [slachtoffer 2]. Naar de mening van verdachte had [slachtoffer 2] met haar eenzijdige beslissing geen rekening gehouden met zijn gevoelens en was hij onrechtvaardig behandeld. Op de avond waarop verdachte de bewezenverklaarde feiten beging, is de frustratie aangewakkerd en uiteindelijk tot een uitbarsting gekomen. Verdachte heeft die avond veel over zijn verbroken relatie gesproken en naar eigen zeggen 10 tot 15 glazen bier gedronken. Verdachte is hevig geëmotioneerd van het feest vertrokken met de bedoeling [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Hij heeft vervolgens eerst een mes bij hem thuis opgehaald en is daarmee naar een café gereden waar hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verwachtte te treffen. Toen zij daar niet aanwezig bleken te zijn is hij naar zijn voormalige woning gereden. Verdachte is de woning binnengedrongen door de voordeur te vernielen en is naar de slaapkamer gegaan. Daar heeft hij eerst [slachtoffer 2] aangetroffen en haar met het mes in de borst gestoken. Uit de medische verklaring hieromtrent blijkt dat deze messteek op het borstbeen is afgeketst waardoor geen dodelijk letsel is veroorzaakt. Daarna heeft verdachte [slachtoffer 1] zeer ernstig verwond door hem op zodanige wijze met het mes in de buik te steken dat diens organen (darmen) deels buiten zijn lichaam raakten. Verdachte heeft daarop enige tijd de woning verlaten maar is vervolgens teruggegaan en heeft [slachtoffer 1] - die door zijn toedoen al zwaargewond op de grond lag - meermalen geschopt en geslagen.

Verdachte heeft met zijn agressieve en onbeheerste gedrag een zeer beangstigende en traumatiserende situatie voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen ontstaan. Beiden hebben niet alleen voor hun eigen leven gevreesd maar ook voor dat van de ander.

[slachtoffer 2] heeft hieromtrent ter terechtzitting zakelijk weergegeven onder meer verklaard dat zij ernstig is getroffen door het feit dat haar ex-partner met wie zij jarenlang heeft samengeleefd, heeft getracht haar van het leven te beroven. De beelden van wat zich heeft afgespeeld ziet zij telkens opnieuw voor zich.

De confrontatie met het letsel dat verdachte aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht is ook zeer pijnlijk voor haar. Tot op heden vreest zij voor een herhaling van wat zich heeft voorgedaan. Uit de toelichting bij haar vordering benadeelde partij blijkt voorts dat zij als gevolg van het feit tien weken niet heeft kunnen werken. Tevens heeft zij een ontsierend litteken overgehouden aan de steekwond die verdachte haar heeft toegebracht.

Uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] blijkt onder meer dat hij als gevolg van het feit in shock is geraakt. [slachtoffer 1] heeft operaties moeten ondergaan en is negen dagen in een ziekenhuis opgenomen waarvan twee dagen op de intensive care-afdeling. Daarnaast heeft hij letsel aan zijn handen overgehouden doordat hij zich tegen verdachte moest verweren. Een deel van zijn linkerhand is nog gevoelloos. Als gevolg van het feit zijn sterk ontsierende littekens op zijn handen en buik ontstaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting omtrent de aanleiding tot de delicten onder meer verklaard dat hij zich door [slachtoffer 2] aan de kant gezet voelde. Het feit dat zij de relatie in zijn ogen onverwacht verbrak, hem uit hun gezamenlijke woning zette en vervolgens een relatie bleek te hebben met een gezamenlijke vriend, heeft hem uitermate gekrenkt. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij niet in staat is zijn emoties te uiten. Eén en ander heeft er toe geleid dat hij in een extreme woede-uitbarsting de bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Het hof is van oordeel dat - wat er ook zij van de hevige emoties die verdachte ondervond - dit op geen enkele wijze afbreuk kan doen aan het volstrekt ontoelaatbare van de zeer ernstige feiten die verdachte heeft begaan.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 mei 2007 blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof houdt tevens rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Het hof is van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur recht doet aan de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Het hof houdt bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf - naast de voornoemde feiten en omstandigheden - tevens rekening met de door het hof in soortgelijke zaken opgelegde straffen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er sprake is van eenmaal een poging tot moord en eenmaal een poging tot doodslag. Gelet hierop acht het hof de gevorderde gevangenisstraf te hoog.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur zoals in eerste aanleg is bepaald, passend en geboden is.

De benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit en € 4.426,68 aan schadevergoeding gevorderd.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep voort.

De vordering is door verdachte en zijn raadsman niet betwist.

Het hof is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als direct gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en dat deze rechtstreekse schade begroot kan worden op het gevorderde bedrag. Het hof zal dit bedrag toewijzen en acht voorts oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd en geboden.

[slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit en € 1.058,80 aan schadevergoeding gevorderd.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep voort.

De vordering is door verdachte en zijn raadsman niet betwist.

Het hof is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als direct gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en dat deze rechtstreekse schade begroot kan worden op het gevorderde bedrag. Het hof zal dit bedrag toewijzen en acht voorts oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd en geboden.

Verbeurdverklaring

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is onder verdachte een mes inbeslaggenomen, zoals vermeld op de bij de stukken gevoegde beslaglijst. Het hof zal dit mes verbeurd verklaren nu het aan verdachte toebehoort en de bewezenverklaarde feiten met behulp van dit mes zijn begaan.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de aan verdachte onder 2 primair ten laste gelegde poging tot moord niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde en de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen zoals hiervoor vermeld, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

mes met zwart heft;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van € 4.426,68 (vierduizend vierhonderdzesentwintig euro en achtenzestig cent);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 4.426,68 (vierduizend vierhonderdzesentwintig euro en achtenzestig cent) ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tweeënvijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van € 1.058,80 (duizend achtenvijftig euro en tachtig cent);

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 1.058,80 (duizend achtenvijftig euro en tachtig cent) ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. S. van de Steeg als griffier, zijnde

mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.