Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB1588

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
0500480
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de door artikel 1:401 BW gegeven mogelijkheid om wijziging te verzoeken van een alimentatiebeschikking een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt tot wijziging van deze beschikking, ook ingeval die beschikking tot stand is gekomen door bedrog in de procedure, het achterhouden van gegevens van beslissende aard en/of door valse stukken. Hierop gelet is het hof van oordeel dat de aard van een alimentatiebeschikking zich verzet tegen een verzoek tot herroeping. Dit betekent dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek tot herroeping van de alimentatiebeschikking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 402
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 386
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 390
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 391
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/420
NJF 2007, 463
RFR 2007, 116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 juli 2007

Rekestnummer 0500480

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.H. Lanting,

advocaat mr. L.R.G. Uneken,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.R. van den Elst,

advocaat mr. H. Veldman.

Het procesverloop

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2005, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, over te gaan tot algehele herroeping van de uitspraak van het hof van 14 januari 2004 en herstel van die procedure in de staat waarin partijen vóór die uitspraak waren, en derhalve de gehele heropening van het geding te bevelen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 6 januari 2006, heeft de man zijn gronden voor het verzoek tot herroeping aangevuld en gepersisteerd bij het verzoek als gedaan bij het oorspronkelijk verzoekschrift van 14 november 2005 voornoemd. Bij zijn tweede aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 25 januari 2006, heeft de man zijn verzoek tot herroeping uitgebreid tot de beschikkingen van het hof van 19 maart 2003 en 10 september 2003.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 januari 2006, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden en verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot herroeping althans hem het verzoek te ontzeggen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een fax-bericht van 10 maart 2006 van mr. Van den Elst met bijlagen en een brief van 16 maart 2006 van mr. Uneken.

Ter zitting van 4 april 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De inleiding

1. Bij beschikking van 1 mei 1996 heeft de rechtbank Leeuwarden de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 19 december 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. Bij beschikking van 18 april 2001 heeft de rechtbank Leeuwarden -op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage te haren behoeve- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand -19 december 1996- bepaald op ƒ 15.000,- per maand.

3. Na tussenbeschikkingen van het hof van 19 maart 2003 en 10 september 2003 heeft het hof bij beschikking van 14 januari 2004 in hoger beroep (ingesteld van de zijde van de man) voornoemde beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

4. Het door de man tegen de beschikking van 14 januari 2004 ingestelde beroep in cassatie is vervolgens ongegrond verklaard c.q. afgewezen.

5. Bij verzoekschrift van 14 november 2005 heeft de man verzocht over te gaan tot herroeping van de uitspraak van het hof van 14 januari 2004 met herstel van die procedure in de staat waarin partijen vóór die uitspraak waren, en derhalve de gehele heropening van het geding te bevelen. Bij aanvullend verzoekschrift van 6 januari 2006 heeft de man zijn gronden voor het verzoek tot herroeping aangevuld en gepersisteerd bij het verzoek. Bij tweede aanvullend verzoekschrift van 25 januari 2006 heeft de man zijn verzoek tot herroeping uitgebreid tot de uitspraken van het hof van 19 maart 2003 en 10 september 2003.

6. De man heeft zich voorts bij afzonderlijk verzoekschrift van 6 januari 2006 gewend tot het hof met het verzoek -kort gezegd- bij wege van voorlopige voorziening op de voet van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 386 Rv de tenuitvoerlegging van de beschikking van 14 januari 2004 van het hof alsmede die van de beschikking van 18 april 2001 van de rechtbank Leeuwarden te schorsen.

7. Bij beschikking van 10 mei 2006 heeft het hof, bij wege van voorlopige voorziening, voornoemd verzoek tot schorsing toegewezen voor wat betreft de beschikking van 18 april 2001 van de rechtbank en de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schorsing voor wat betreft de beschikking van 14 januari 2004 van het hof.

De herziening

* de standpunten

8. De man verzoekt het hof over te gaan tot herroeping van de alimentatiebeschikking van 14 januari 2004 van het hof, waarbij de beschikking van 18 april 2001 van de rechtbank is bekrachtigd, en van de aan de beschikking van 14 januari 2004 voorafgegane tussenbeschikkingen van 19 maart 2003 en 10 september 2003. De man stelt -zakelijk weergegeven- dat de beslissing van het hof tot stand is gekomen door bedrog in de procedure van de zijde van de vrouw en/of het achterhouden van gegevens van beslissende aard door de vrouw en/of door het overleggen van valse stukken door de vrouw, telkenmale ten aanzien van haar behoefte.

9. De vrouw voert hiertegen -kort gezegd- aan -onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis- dat herroeping van een alimentatiebeschikking niet mogelijk is, omdat de aard van die beschikking zich daartegen verzet. De man zou in de visie van de vrouw, uitgaande van de juistheid van zijn stellingen/gronden, niet een verzoek tot herroeping maar een verzoek tot wijziging van de alimentatiebeschikking behoren in te dienen. Zij wijst er in dat verband op dat de man inmiddels ook een tweetal verzoeken tot wijziging heeft ingediend bij de rechtbank te Leeuwarden en dat beide verzoeken daar nog aanhangig zijn.

* het wettelijk kader

10. Ingevolge het bepaalde in artikel 390 Rv kan een beschikking op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.

11. Ingevolge het bepaalde in artikel 382 Rv in verbinding met artikel 391 Rv kan een beschikking worden herroepen indien deze:

a. berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

b. berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de verzoekende partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

* de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot herroeping

12. Het hof stelt in deze voorop dat het rechtsmiddel herroeping een uitzondering is op de regel dat procedures een einde moeten hebben en dat een eenmaal afgedane zaak niet opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden -de zogenaamde herroepingsgronden, thans opgenomen in artikel 382 Rv- wordt op deze regel inbreuk gemaakt doordat een procespartij gelegenheid krijgt een reeds in kracht van gewijsde gegane beschikking aan te tasten.

13. Het hof is het eens met de vrouw dat een alimentatiebeschikking -en een geschil betreffende alimentatie- naar de aard daarvan vooral hierdoor wordt gekenmerkt dat rechterlijke uitspraken betreffende levensonderhoud ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 BW in beginsel vatbaar zijn voor wijziging indien bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (zodat deze uitspraak vanaf de aanvang niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven) dan wel indien sinds de uitspraak de daaraan ten grondslag liggende gegevens in relevante mate zijn gewijzigd (zodat deze uitspraak niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven).

14. Ten aanzien van het begrip onjuiste en/of onvolledige gegevens is -in het licht van de strekking en reikwijdte van artikel 1:401 BW en de wijze waarop in de jurisprudentie aan dat artikel invulling en toepassing wordt gegeven- rechtens niet relevant de reden waarom bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens c.q. de reden van de onjuist- of onvolledigheid. Ook ingeval de gegevens onjuist en/of onvolledig zijn door toedoen van een van de procespartijen, bijvoorbeeld door bedrog in de procedure, het achterhouden van gegevens van beslissende aard en/of door valse stukken, staat de mogelijkheid van wijziging van de beschikking ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 BW in beginsel open.

15. Blijkens de wetsgeschiedenis (de memorie van toelichting) van de wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580, tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (wetsvoorstel 26 855, nr. 3) wordt de alimentatiebeschikking ook genoemd als voorbeeld van een beschikking waarvan de aard zich tegen een verzoek tot herroeping zou verzetten. Uit de nadere toelichting kan worden afgeleid dat juist een alimentatiebeschikking zich tegen herroeping verzet, omdat artikel 1:401 BW de mogelijkheid biedt om een dergelijke beschikking te allen tijde te wijzigen.

16. Het vorenstaande doet de vraag rijzen of een alimentatiebeschikking zich naar haar aard wel leent voor herroeping. Alvorens deze vraag te beantwoorden, zal het hof het rechtsmiddel herroeping en de procedure strekkende tot wijziging van een alimentatiebeschikking op grond van het bepaalde in artikel 1:401 BW nader in ogenschouw nemen waarbij het hof aandacht zal schenken aan de voortgezette tenuitvoerlegging van de alimentatiebeschikking en de ingangsdatum in het kader van de herbeoordeling dan wel de wijziging van de alimentatiebeschikking.

17. Het hof onderkent dat aan de herroeping zoals de regeling van herroeping met ingang van 1 januari 2002 vorm heeft gekregen in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering twee bijzondere voorzieningen zijn verbonden die rechtstreeks de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, de beschikking waarvan herroeping wordt verzocht, betreffen. De gehele of gedeeltelijke heropening door de rechter -die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist heeft bevonden- van het (oorspronkelijke) rechtsgeding, schorst op grond van het bepaalde in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 388 lid 1 Rv -en derhalve van rechtswege- de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking geheel dan wel, bij een gedeeltelijke heropening, in zoverre. Daarnaast staat op grond van het bepaalde in artikel 386 Rv tweede volzin, aan de partij die het verzoek tot herroeping heeft gedaan, de mogelijkheid open om de rechter die over de herroeping oordeelt te verzoeken, bij wege van voorlopige voorziening, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen.

18. Beide hiervoor genoemde voorzieningen bieden een procespartij die een verzoek tot herroeping heeft gedaan op het punt van de (schorsing van de) tenuitvoerlegging van de bestreden alimentatiebeschikking weliswaar (extra) waarborgen boven het verzoek tot wijziging van dezelfde beschikking op grond van het bepaalde in artikel 1:401 BW, maar vergelijkbare voorzieningen c.q. beslissingen kunnen ingeval een verzoek tot wijziging van deze alimentatiebeschikking op grond van onjuiste en/of onvolledige gegevens als bedoeld in artikel 1:401 BW wordt gedaan ook op grond van het geldende recht tot stand worden gebracht. Weliswaar behoudt een beschikking waarvan wijziging wordt verzocht haar (executoriale) kracht totdat de rechter in de wijzigingsprocedure (onder wijziging van deze beschikking) een nieuwe beslissing heeft gegeven, maar ook de bevoegdheid om een rechterlijke uitspraak ten uitvoer te (blijven) leggen kan worden misbruikt. Wanneer daarvan sprake is kan de tenuitvoerlegging van zulk een uitspraak op de voet van artikel 438 Rv (voorlopig en/of onder voorwaarden) worden verboden. Bij de vraag of van zodanig misbruik sprake is, kan mede van belang zijn of die uitspraak klaarblijkelijk onjuist is ten gevolge van door de executant gepleegd bedrog in de procedure welke tot de ten uitvoer te leggen beslissing heeft geleid. Ingeval dergelijk bedrog naar het voorlopige oordeel van de rechter aannemelijk is, ligt een schorsing van de tenuitvoerlegging voor de hand.

19. Verder overweegt het hof dat het rechtsmiddel herroeping -ingeval de rechter de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist heeft bevonden- leidt tot gehele of gedeeltelijke heropening van het (oorspronkelijke) rechtsgeding tussen partijen waarbij de zaak, voor zover deze is heropend, opnieuw wordt beoordeeld en beslist. Bij deze hernieuwde beoordeling ten gronde krijgen partijen de gelegenheid hun stellingen en weren te wijzigen en aan te vullen. Ook in het kader van een wijziging van de alimentatiebeschikking op basis van onjuiste en/of onvolledige gegevens als vorenbedoeld, bestaat voor partijen de mogelijkheid voor een hernieuwde beoordeling ten gronde nu de rechter bij wijziging van de alimentatiebeschikking op grond van het bepaalde in artikel 1:402 BW vrij is in het bepalen van een ingangsdatum en de rechter bij de nieuwe beoordeling van draagkracht en behoefte niet gebonden is aan de eerder genomen beslissingen ten aanzien van partijen destijds en thans nog verdeeld houdende punten.

20. Juist wanneer de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht geheel of ten dele tot stand is gekomen door bedrog in de procedure, het achterhouden van gegevens van beslissende aard en/of door valse stukken, zal er in de wijzigingsprocedure alle aanleiding zijn voor een herbeoordeling vanaf de destijds bij de te wijzigen beschikking gehanteerde ingangsdatum -zijnde een herbeoordeling met volledig terugwerkende kracht- en voor een herbeoordeling van de geschilpunten welke in de eerste procedure (mede) door het bedrog, het achterhouden van gegevens en/of door valse stukken zijn beslist.

21. Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt het hof tot het oordeel dat de door artikel 1:401 BW gegeven mogelijkheid om wijziging te verzoeken van een alimentatiebeschikking een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt tot wijziging van deze beschikking, ook ingeval die beschikking tot stand is gekomen door bedrog in de procedure, het achterhouden van gegevens van beslissende aard en/of door valse stukken.

22. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de aard van een alimentatiebeschikking zich verzet tegen een verzoek tot herroeping.

23. Het vorenstaande betekent dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek tot herroeping van de beschikkingen van het hof van 19 maart 2003, 10 september 2003 en 14 januari 2004, zijnde de beschikking waarbij de beschikking van 18 april 2001 van de rechtbank Leeuwarden is bekrachtigd.

24. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, worden de kosten van het geding, waaronder begrepen de kosten van het geding betreffende de schorsing van de tenuitvoerlegging (welk geding heeft geleid tot de beschikking van 10 mei 2006 van het hof) gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek tot herroeping van de beschikkingen van 19 maart 2003, 10 september 2003 en 14 januari 2004 van het gerechtshof Leeuwarden;

bepaalt dat iedere partij de eigen gedingkosten draagt.

Aldus gegeven door mrs. Wachter, voorzitter, Janse en Postma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juli 2007.