Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0733

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
BK 918/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de rente ten bedrage van € 19.929,--, die belanghebbende heeft betaald op (een gedeelte van) de door hem bij de C-Bank N.V. opgenomen hypothecaire lening, volledig kan worden aangemerkt als rente van een schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning in de zin van artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1547
FutD 2007-1494
V-N 2007/54.11

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 918/04 27 juli 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar¬den, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Emmen (hierna: de inspec¬teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 een aangifte ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 72.711,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van

€ 2.456,--. De inspecteur heeft in afwijking van de aangifte een aanslag met dagtekening 22 april 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 83.258,- en een belastbaar inkomen in box 3 van € 2.378,--.

Het tegen deze aanslag door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak d.d. 23 september 2004 afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro-forma beroepschrift, dat op 13 oktober 2004 ter griffie van het hof is ingekomen, en dat bij brief (met bijlagen) d.d. 8 december 2004 is aangevuld.

De inspecteur heeft op 14 januari 2005 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 3 april 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de heer A namens de inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende was, met een daartoe strekkend bericht, niet aanwezig. De voorzitter heeft ter zitting meegedeeld dat in deze zaak een schriftelijke uitspraak zal worden gedaan.

Nadien hebben partijen het hof schriftelijk toestemming verleend om zonder nieuwe mondelinge behandeling in een andere samenstelling van de meervoudige kamer uitspraak te doen.

Vervolgens heeft het hof het onderzoek heropend door middel van een aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden brief d.d. 22 januari 2007, waarin het hof om nadere inlichtingen verzoekt.

In antwoord op dit verzoek is op 27 februari 2007 ter griffie van het hof een brief d.d. 26 februari 2007 (met bijlagen) van de gemachtigde van belanghebbende binnengekomen. Op 19 maart 2007 is ter griffie van het hof een schriftelijke reactie van 16 maart 2007 van de inspecteur ontvangen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op .. februari 19.. was het gehele jaar 2002 gehuwd met mevrouw B. Volgens de basisadministratie persoonsgegevens woonde belanghebbende gedurende het gehele onderhavige jaar met zijn echtgenote op het adres a-straat 43 te L. Vanaf 17 januari 2003 woont belanghebbende volgens de basisadministratie persoonsgegevens samen met zijn echtgenote op het adres b-straat 2 te Z.

2.3 Belanghebbende heeft op 1 oktober 2001 een nieuwe hypothecaire lening afgesloten bij de C-Bank N.V. De totale hoogte van deze hypothecaire lening bedraagt € 400.143,--, waarvan een deel ad € 374.822,--, bestaat uit een aflossingsvrije lening. Uit dit laatste bedrag heeft belanghebbende de koopsom van een bouwterrein voldaan. Na aftrek van de afsluitprovisie, notariskosten, kadastrale rechten en de koopsom van het bouwterrein resteerde een bedrag van € 275.671,--. Dit bedrag bleef in depot. Vanaf begin 2003 is de nieuwe hypothecaire lening volledig aangewend ter verwerving, onderhoud of verbetering van de eigen woning te Z.

2.4 Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar met betrekking tot de nieuwe hypothecaire lening € 19.929,-- rente betaald. Op het deel van de lening dat ter voldoening van de toekomstige bouwtermijnen in depot is gebleven is aan belanghebbende over dezelfde periode € 10.444,-- depotrente vergoed.

2.5 Belanghebbende heeft in het jaar 2002 totaal € 29.221,-- aan rente en kosten van geldleningen met betrekking tot de hypothecaire geldleningen betaald (inclusief € 9.292,-- rente welke betrekking heeft op een reeds bestaande hypothecaire lening ten behoeve van zijn woning in L).

2.6 Belanghebbende maakt in zijn aangifte melding van een waarde van het bouwdepot per 1 januari 2002 van € 265.980,-- en per 31 december 2002 van € 7.738,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de rente ten bedrage van € 19.929,--, die belanghebbende heeft betaald op (een gedeelte van) de door hem bij de C-Bank N.V. opgenomen hypothecaire lening, volledig kan worden aangemerkt als rente van een schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning in de zin van artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

3.2 Belanghebbende is van mening dat het volledige door hem betaalde bedrag aan rente en kosten van geldleningen van € 29.221,--, met betrekking tot de hypothecaire geldleningen, als aftrekbare kostenrente van de eigen woning op zijn inkomen in mindering kan worden gebracht. Hij verwijst in dit verband naar de wetsgeschiedenis. Voor het geval de depotrente gesaldeerd moet worden stelt belanghebbende subsidiair dat de rendementsgrondslag in box 3 te hoog is vastgesteld.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aangifte terecht is gecorrigeerd.

Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte inlichtingen in de brief van 26 februari 2007 neemt de inspecteur in zijn brief van 16 maart 2007 aangaande de hoogte van het belastbare inkomen uit box 1 en 3 het volgende standpunt in;

Aangegeven belastbaar inkomen uit box 1 € 72.711,--

Minder aftrekbare hypotheekrente € 10.444,--

Niet-aftrekbare drempel giften € 71,--

Nader vast te stellen belastbaar inkomen uit box 1 € 83.226,--

De gemiddelde rendementsgrondslag in box 3 is negatief, zodat hieruit geen inkomen in aanmerking kan worden genomen.

Op basis hiervan concludeert de inspecteur tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verlaging van belanghebbendes aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2002 naar een belastbaar inkomen -uitsluitend- uit box 1 van € 83.226,--.

3.4 Voor de verdere motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de van hen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Ingevolge artikel 3.110 van de Wet zijn belastbare inkomsten uit eigen woning de voordelen uit eigen woning en het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 3.120 van de Wet.

4.2 Op grond van artikel 3.120, lid 1, aanhef en letter a van de Wet behoren renten van schulden tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning indien die schulden zijn aangegaan ter verwerving van die woning.

4.3 In het arrest Hoge Raad d.d. 24 februari 2006, nr. 41166, VN 2006/13.13, is geoordeeld dat, indien, zoals in de onderhavige casus, de bouwtermijnen in de loop van de tijd vervallen en in afwachting daarvan het geleende geld is gestort in een rentedragend bouwdepot, de rente van de geldlening pas tot de aftrekbare kosten van de eigen woning kan worden gerekend nadat, en voor zover, het geleende bedrag is aangewend ter verwerving van de eigen woning. Zolang, en voor zover, die aanwending niet heeft plaatsgehad, behoort het geleende bedrag tot de rendementsgrondslag voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

4.4 Uit het voorgaande en de onder 2.3 en 2.4 vermelde feiten volgt dat het door belanghebbende betaalde bedrag aan rente ad € 19.929,-- door de inspecteur terecht niet volledig in aftrek is toegestaan.

4.5 De met voormelde casuïstiek samenhangende splitsingsproblematiek aangaande box 1 en box 3 is grotendeels ondervangen door het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 oktober 2003, nr. CPP2003/1983M, VN 2003/59.11 (: Besluit). In dit Besluit is goedgekeurd dat de rente en de kosten van de geldlening die is aangegaan in verband met de aanschaf van de eigen woning -onder voorwaarde van saldering van de depotrente met de betaalde rente- leidt tot de aftrek van eigenwoningrente in box 1, ook al is de lening nog niet aangewend voor de bouwtermijnen, gedurende twee jaar vanaf het moment van ondertekening van de koop/ aanneemoverkomst.

4.6 Uit de overgelegde stukken blijkt dat belanghebbende in de bezwaarfase om toepassing van voormeld Besluit heeft verzocht. De inspecteur heeft dit verzoek gehonoreerd.

4.7 Onder toepassing van voormeld Besluit -in die zin dat het bouwdepot volledig wordt toegerekend aan box 1- becijfert de inspecteur, in zijn brief van 16 maart 2007 over 2002 een negatieve rendementsgrondslag in box 3. Deze nieuwe becijfering komt overeen met het subsidiaire standpunt van belanghebbende, zoals dat is verwoord in zijn beroepschrift.

4.8 Het hof zal partijen in voormeld uitgangspunt, dat past binnen de systematiek van het Besluit, volgen.

4.9 De inspecteur stelt in zijn brief van 16 maart 2007 voorts dat de niet-aftrekbare drempel van de giften, als gevolg van de wijziging van de rendementsgrondslag in box 3, dient te worden aangepast. De inspecteur stelt deze drempel op € 929,-- (1% van € 85.359,-- plus het box 1-inkomen van de echtgenote van belanghebbende € 7.597,--, ofwel totaal € 92.956,--).

4.10 Voormelde berekening komt het hof juist voor, zodat het deze overneemt. Nu belanghebbende een bedrag van € 3.062,-- aan giften in zijn aangifte heeft opgevoerd betekent dit dat een bedrag van

€ 2.133,-- voor aftrek in aanmerking komt. Dit is € 71,-- lager dan in de aangifte is opgenomen en € 32,-- hoger dan waarvan in de aanslag werd uitgegaan.

4.11 Het vorenstaande betekent dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan blijven. Het beroep is in zoverre gegrond.

5. Proceskosten

Het gerechtshof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof stelt deze kosten conform het Besluit proceskosten op € 483,-- ( 1,5 punt voor het beroepschrift en de schriftelijke inlichtingen, een wegingsfactor van 1 en € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.226,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;

verstaat dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37,-- aan hem vergoedt:

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 483,-- en

wijst daarbij de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 27 juli 2007 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer-plaatsvervanger en dr. C.L. van Lindonk, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 1 augustus 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.