Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0727

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
BK 127/06 WAZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of de rechtbank in het kader van de proceskostenveroordeling terecht heeft geoordeeld dat sprake was van twee samenhangende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1496
V-N 2007/54.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 127/06

Uitspraakdatum: 27 juli 2007

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende

gemachtigde: A,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1602 van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 7 april 2005 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het jaar 2003 een navorderingsaanslag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (Waz) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 33.043,--.

1.2 Nadat namens belanghebbende bezwaar was gemaakt tegen voormelde aanslag heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 15 augustus 2005 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 10 augustus 2006, verzonden op 11 augustus 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en zowel de uitspraak op bezwaar als de navorderingsaanslag vernietigd. Tevens heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling uitgesproken ten bedrage van € 241,50 en vergoeding gelast van het betaalde griffierecht van € 37,--. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift dat op 22 september 2006 bij het hof is ingekomen. Op 4 oktober 2006 zijn de bijlagen bij het beroepschrift ontvangen. De inspecteur heeft op 4 december 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Het hof heeft op 2 januari 2007 van de zijde van belanghebbende een conclusie van repliek ontvangen en op 1 februari 2007 is van de inspecteur een conclusie van dupliek (met bijlage) binnengekomen.

1.5 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2007.

Ter zitting is namens de inspecteur de heer B verschenen. Belanghebbende noch zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende drijft tezamen met zijn ouders, A, en C, een vennootschap onder firma genaamd D (voorheen E).

2.2 Belanghebbende heeft in zijn aangifte 2003 in het kader van de vaststelling van het premie-inkomen arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen een premie-inkomen aangegeven van € 23.191,- waarbij door belanghebbende -als onderdeel van de ondernemersaftrek- zelfstandigenaftrek in aftrek is gebracht.

De zelfstandigenaftrek was één van de onderwerpen van het door de inspecteur in november en december 2004 gehouden onderzoek bij het hiervoor onder 2.1 bedoelde administratiekantoor. Blijkens het op 21 februari 2005 aan belanghebbende verzonden controlerapport is de inspecteur tijdens dit onderzoek onder meer gebleken dat belanghebbende in 2003 ten onrechte tweemaal de zelfstandigenaftrek in aftrek heeft gebracht, hetgeen resulteert in een te corrigeren bedrag van

€ 9.852,-.

2.3 De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende over het jaar 2003 een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen, gedagtekend 24 maart 2005, opgelegd, welke aanslag is berekend naar een premie-inkomen van € 23.191,-.

2.4 Nadien komt de inspecteur tot de ontdekking dat de aanslag abusievelijk conform de aangifte van belanghebbende is vastgesteld. De inspecteur heeft vervolgens door middel van een navorderingsaanslag, gedagtekend 7 april 2005, deze onjuistheid gecorrigeerd door het premie-inkomen van belanghebbende alsnog te verhogen met € 9.852,- en nader vast te stellen op € 33.043,-, vanwege de ten onrechte tweemaal in aftrek gebrachte zelfstandigenaftrek.

2.5 Bij de uitspraak op het bezwaarschrift, gedagtekend 15 augustus 2005, heeft de inspecteur deze aanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat een ambtelijk verzuim aan navordering in de weg staat en heeft de uitspraak en de navorderingsaanslag vernietigd. Bij de proceskostenveroordeling is de rechtbank vervolgens uitgegaan van twee samenhangende zaken.

2.6 Belanghebbende is voor de zitting van 7 mei 2007 per brief met handtekening retour d.d. 26 maart 2007, aan het postadres van zijn gemachtigde, Postbus 000, Z, onder vermelding van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling, uitgenodigd te verschijnen.

Ter zake van de uitnodiging is de "Handtekening Retourkaart" door het hof ontvangen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In hoger beroep is nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of de rechtbank in het kader van de proceskostenveroordeling terecht heeft geoordeeld dat sprake was van twee samenhangende zaken.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt dat de inspecteur dient te worden veroordeeld tot vergoeding van het volledige bedrag van de proceskosten.

3.3 De inspecteur refereert zich ter zake van het antwoord op voormelde vraag aan het oordeel van het hof.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Krachtens artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover thans van belang, uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Het bedrag van deze kosten wordt op grond van artikel 2, lid 1 onder a, van het Besluit overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vastgesteld.

4.2 Ingevolge artikel 3 van het Besluit worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit als één zaak beschouwd. Onder samenhangende zaken wordt blijkens het tweede lid van voormeld artikel verstaan "gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn".

4.3 In de uitspraak waarvan beroep heeft de rechtbank ter zake van de proceskosten overwogen dat sprake was van twee samenhangende zaken; de onderhavige zaak en de zaak met het kenmerk 05/1599 en om die reden de inspecteur in casu veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten.

In de zaak 05/1599 procedeerde mevrouw C, de moeder van belanghebbende, tegen de aan haar opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 en trad de heer A, de vader van belanghebbende -evenals in de onderhavige zaak- op als gemachtigde.

4.4 Ter zitting in appel heeft de inspecteur desgevraagd meegedeeld dat het eigenlijke geschil in casu een rekenfout betrof en dat het in de zaak 05/1599 draaide om de vraag of de betreffende belanghebbende recht had op aftrek van de zelfstandigenaftrek.

4.5 Gelet op voormelde uitlating van de inspecteur is het hof van oordeel dat de onderhavige zaak en de zaak met het kenmerk 05/1599 niet beschouwd kunnen worden als samenhangende zaken in de zin van het Besluit. De rechtbank had de inspecteur in de onderhavige zaak dan ook dienen te veroordelen tot vergoeding van het volledige bedrag van de berekende proceskosten van € 483,--.

4.6 De omstandigheid dat de rechtbank, als gevolg van het honoreren in beide zaken van de formele grief betreffende de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag, aan een beoordeling van het materiële geschil niet toekwam, doet hier niet aan af.

4.7 Voor zover namens belanghebbende wordt aangevoerd dat de conform het Besluit berekende proceskosten te laag zijn vastgesteld, overweegt het hof dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de proceskosten, in afwijking van het Besluit, op een hoger bedrag dienen te worden vastgesteld.

4.8 Het beroep is, gelet op het vorenoverwogenen, gegrond en de aangevallen uitspraak dient, ten aanzien van de proceskostenveroordeling, te worden vernietigd.

5. Proceskosten

Gelet op de gegrondheid van het beroep acht het hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten van de inspecteur in hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hof stelt deze kosten op € 120,75 (1 punt voor het beroepschrift en een 0,5 punt voor de conclusie van repliek met een waarde van € 322,-- per punt en een wegingsfactor van 0,25).

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de rechtbank waarvan beroep, voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling;

veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende ter zake van de beroepsprocedure bij de rechtbank gemaakte proceskosten ten bedrage van € 483, -, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende ter zake van de hoge beroepsprocedure gemaakte proceskosten ten bedrage van € 120,75, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden;

gelast de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 105,- aan hem te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 27 juli 2007 door mr. Van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. Drion, raadsheer-plaatsvervanger en mr. Van Lindonk, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde de griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 1 augustus 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.