Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0635

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
0600318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorzover [appellante] het uitblijven van bezwaar harerzijds als bovenbedoeld wenst te verklaren uit het haar niet bereiken van afschriften, herinneringen en sommaties van de zijde van ABN AMRO, volgt het hof haar daarin niet nu – daargelaten de (on)juistheid van haar betoog – dit een en ander [appellante] niet kan baten omdat op de voet van art. 3: 37 lid 3 BW (tweede volzin) heeft te gelden dat de mededelingen van ABN AMRO haar wél hebben bereikt in de zin van de eerste volzin van genoemd artikellid. [...] Blijkens de Algemene Bankvoorwaarden, waarop ABN AMRO zich ten processe heeft beroepen en waarvan zij een exemplaar in het geding heeft gebracht, levert de door de bank gehouden administratie volledig bewijs op, behoudens door de rekeninghouder te leveren tegenbewijs. Omtrent het door haar veronderstelde misbruik door haar ex-partner, heeft [appellante] geen zodanige feiten en omstandigheden aangevoerd dat daarop het (begin van) bewijs daaromtrent kan worden gestoeld. Daarnaast valt zonder nadere motivering, die in casu ontbreekt, niet in te zien waarom en in hoeverre een eventuele onrechtmatige gedraging van de ex-partner van [appellante], in de weg zou staan aan toewijzing van hetgeen ABN AMRO uit hoofde van haar contractuele relatie met [appellante] te vorderen heeft. [...] Voorts blijkt uit hetgeen [appellante] ter staving van haar (bevrijdend) verweer heeft aangevoerd, niet van toereikende feiten of omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat aan de zijde van ABN AMRO sprake is van een (eigen) tekortkoming in de nakoming van enige contractuele verplichting jegens [appellante] dan wel van een onzorgvuldig en daarom onrechtmatig handelen door ABN AMRO, als grond waarop de nakomingsvordering van ABN AMRO als onaanvaardbaar dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het enkele feit dat ABN AMRO het aanvraagformulier voor de creditcard niet (meer) kan produceren, kan niet worden gekwalificeerd als normschending jegens [appellante] noch levert zulks in de gegeven omstandigheden een toereikende grond op voor de omkering van de bewijslast met betrekking tot het door [appellante] gevoerde verweer. Tot dit een en ander draagt bij dat ABN AMRO heeft beklemtoond dat op [appellante] – op basis van meergenoemde algemene bankvoorwaarden – de plicht rustte tot controle van de door ABN AMRO verschafte rekeningafschriften en tot het zo spoedig mogelijk in kennis stellen van de bank in geval van onjuistheid of onvolledigheid, terwijl gesteld noch gebleken is dat [appellante] ooit een zodanige kennisgeving heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juli 2007

Rolnummer 0600318

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: ABN AMRO,

procureur: mr. R. W. de Casseres.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het verstekvonnis d.d. 23 september 2004, alsmede in de vonnissen in oppositie, uitgesproken op 31 augustus 2005 en 21 december 2005 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (verder: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 maart 2006 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 21 december 2005 met dagvaarding van ABN AMRO tegen de zitting van 12 juli 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het op 21 december 2005 door de Rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen onder zaaknummer 262301 tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, appellante alsnog te verklaren tot goed oppossante en haar te ontheffen van de veroordeling welke op 23 september 2004 onder rolnummer 04/10093 door de Rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen jegens haar is uitgesproken, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in haar inleidende vordering niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de inleidende vordering van geïntimeerde af te wijzen en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Voorts heeft [appellante] een akte ter correctie van de memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door ABN AMRO verweer gevoerd met als conclusie:

"om het op 21/12/2005 gewezen vonnis van de kantonrechter te Groningen te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties."

Tenslotte heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Het gaat in de onderhavige zaak in hoofdzaak om het volgende. Als gesteld en onvoldoende weersproken dan wel als naderhand erkend, alsmede als blijkend uit het tussenvonnis d.d. 23 september 2004 waartegen geen grieven zijn gericht, hield [appellante] bij ABN AMRO een privé-rekening aan onder het nummer 59.27.04.025, welke rekening voorafgaand aan de dagvaarding een aanzienlijke en ongeoorloofde debetstand vertoonde (op 26 september 2004 de somma van € 10.574,51). Genoemde debetstand was naar mededeling van ABN AMRO het gevolg van misbruik van een creditcard. Ten aanzien van genoemde debetstand heeft ABN AMRO zich beperkt tot het vorderen van een bedrag groot € 5.000,-- in hoofdsom.

2. Blijkens de inleidende dagvaarding is de vordering van ABN AMRO gebaseerd op (nakoming van) de contractuele verplichting van [appellante] tot aanzuivering van de ongeoorloofde debetstand. Na aanvankelijk te hebben ontkend een rekening bij ABN AMRO te hebben gehad onder genoemd nummer, heeft [appellante] – geconfronteerd met onder meer het feit dat haar salaris op genoemde rekening werd overgemaakt – alsnog het bestaan van deze op haar naam staande rekening erkend.

3. Ten verwere tegen het gevorderde heeft [appellante] vervolgens aangevoerd dat zij destijds door (thans) haar (ex-)partner onkundig is gehouden van rekeningafschriften, herinneringsbrieven en sommaties van de zijde van ABN AMRO, en dat zij nimmer een creditcard heeft aangevraagd en gehad. [appellante] voert voorts aan dat – mogelijk – haar ex-partner valselijk een aan haar rekening verbonden creditcard heeft weten te verkrijgen van ABN AMRO. Naar mededeling van ABN AMRO is het formulier waarmede de aan de rekening van [appellante] verbonden creditcard destijds is aangevraagd, om onverklaarbare redenen in het ongerede geraakt.

4. De kantonrechter heeft bij eindvonnis de thans relevante stellingen van [appellante] van de hand gewezen als – in essentie weergegeven – ongeloofwaardig en tevens als onvoldoende onderbouwd, nu het voor de hand zou hebben gelegen dat [appellante] bij ABN AMRO bezwaar zou hebben gemaakt tegen onrechtmatige opnames van haar rekening, van welk bezwaar in casu geen sprake is geweest. Tegen dit een en ander is grief I gericht. Grief II mist zelfstandige inhoud en volgt het lot van grief I.

5. Voorzover [appellante] het uitblijven van bezwaar harerzijds als bovenbedoeld wenst te verklaren uit het haar niet bereiken van afschriften, herinneringen en sommaties van de zijde van ABN AMRO, volgt het hof haar daarin niet nu – daargelaten de (on)juistheid van haar betoog – dit een en ander [appellante] niet kan baten omdat op de voet van art. 3: 37 lid 3 BW (tweede volzin) heeft te gelden dat de mededelingen van ABN AMRO haar wél hebben bereikt in de zin van de eerste volzin van genoemd artikellid. In zoverre mist grief I reeds doel.

6. Blijkens de Algemene Bankvoorwaarden, waarop ABN AMRO zich ten processe heeft beroepen en waarvan zij een exemplaar in het geding heeft gebracht, levert de door de bank gehouden administratie volledig bewijs op, behoudens door de rekeninghouder te leveren tegenbewijs. Onbetwist is in dat verband dat de door [appellante] gehouden rekening een ongeoorloofde debetstand tot het door ABN AMRO gestelde bedrag vertoont, en dat de tussen [appellante] en ABN AMRO bestaande contractuele rechtsverhouding meebrengt dat [appellante] verplicht is tot het aanzuiveren van de debetstand op haar rekening, van welke verplichting ABN AMRO thans nakoming vordert. Beoordeeld zal daarom dienen te worden of het veronderstelde misbruik door haar ex-partner van haar rekening door middel van een valselijk verkregen creditcard, op enigerlei wijze in de weg staat aan toewijzing van de vordering van ABN AMRO tot nakoming.

7. Omtrent het door haar veronderstelde misbruik door haar ex-partner, heeft [appellante] geen zodanige feiten en omstandigheden aangevoerd dat daarop het (begin van) bewijs daaromtrent kan worden gestoeld. Daarnaast valt zonder nadere motivering, die in casu ontbreekt, niet in te zien waarom en in hoeverre een eventuele onrechtmatige gedraging van de ex-partner van [appellante], in de weg zou staan aan toewijzing van hetgeen ABN AMRO uit hoofde van haar contractuele relatie met [appellante] te vorderen heeft. Voorzover [appellante] in de toelichting op grief I een hiermede strijdig standpunt inneemt, faalt de grief eveneens.

8. Voorts blijkt uit hetgeen [appellante] ter staving van haar (bevrijdend) verweer heeft aangevoerd, niet van toereikende feiten of omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat aan de zijde van ABN AMRO sprake is van een (eigen) tekortkoming in de nakoming van enige contractuele verplichting jegens [appellante] dan wel van een onzorgvuldig en daarom onrechtmatig handelen door ABN AMRO, als grond waarop de nakomingsvordering van ABN AMRO als onaanvaardbaar dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het enkele feit dat ABN AMRO het aanvraagformulier voor de creditcard niet (meer) kan produceren, kan niet worden gekwalificeerd als normschending jegens [appellante] noch levert zulks in de gegeven omstandigheden een toereikende grond op voor de omkering van de bewijslast met betrekking tot het door [appellante] gevoerde verweer. Tot dit een en ander draagt bij dat ABN AMRO heeft beklemtoond dat op [appellante] – op basis van meergenoemde algemene bankvoorwaarden – de plicht rustte tot controle van de door ABN AMRO verschafte rekeningafschriften en tot het zo spoedig mogelijk in kennis stellen van de bank in geval van onjuistheid of onvolledigheid, terwijl gesteld noch gebleken is dat [appellante] ooit een zodanige kennisgeving heeft gedaan. Ook in dit opzicht mist grief I derhalve doel, waarmede tevens het belang van [appellante] bij de grief is uitgeput.

9. Nu aldus een toereikende grond om de op de overeenkomst tussen partijen gebaseerde vordering van ABN AMRO af te wijzen ontbreekt, dient het vonnis in oppositie waarvan beroep te worden bekrachtigd op de gronden als boven omschreven. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellante] worden verwezen in de kosten van het hoger beroep (1 punt in tarief I).

10. In het licht van het bovenstaande is de honorering van enig bewijsaanbod niet aan de orde. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

Bekrachtigt het vonnis in oppositie d.d. 21 december 2005, waarvan beroep;

Veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO te begroten op € 248,-- aan verschotten en € 632,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juli 2007.