Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0628

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
0500615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De grief faalt. Aan het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 8 januari 2003 komt, voor zover in reconventie gewezen, geen gezag van gewijsde toe, nu het geen eindvonnis is. Voor zover de grief een beroep inhoudt op de leer van de bindende eindbeslissingen (de rechter is in de regel gebonden aan een in een eerder tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing), verliest de Stichting uit het oog dat deze leer uitsluitend geldt binnen één en dezelfde procedure. Er is geen enkele reden aanwezig om de rechter ook gebonden te achten aan niet in het dictum vastgelegde – en dus ook nog niet onherroepelijke – beslissingen in een tussenvonnis in een andere procedure. Dit geldt a fortiori voor de appelrechter. [...]

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 236
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 juli 2007

Rolnummer 0500615

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting tot behoud van waardebestanddelen ACMN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de Stichting,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

tegen

1. [naam 1] GMBH & co. K.G.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr. J.F. Rouwé-Danes.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 16 juni 2004 en 10 augustus 2005 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 november 2005 is door de Stichting hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 10 augustus 2005 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 14 december 2005.

Bij memorie van grieven heeft de Stichting een zestal producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Assen d.d. 10 augustus 2005, onder zaaknummer 46075 tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden gewezen, en opnieuw rechtdoende,

geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen, des de een betalend, de ander zal zijn gekweten, tot betaling aan appellante van een bedrag van € 333.678,29, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, berekend vanaf de vervaltermijnen van de verschillende facturen, althans met ingang van een zodanig tijdstip als Uw Gerechtshof in goede justitie mag vermenen te behoren, tot aan de dag der algehele voldoening en een bedrag van € 5.000,--, althans een zodanig bedrag als Uw Gerechtshof in goede justitie mag vermenen te behoren, inzake kosten van buitengerechtelijke incasso, zulks met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van deze procedure en in de kosten van de procedure in eerste aanleg."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden], onder overlegging van 10 producties, verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"In principaal appel:

Dat het Uw Gerechtshof moge behagen, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te bekrachtigen het vonnis van de Rechtbank Assen d.d. 10 augustus 2005, onder zaaknummer 46075 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde gewezen, desnoods onder verbetering en aanvulling van de gronden, een en ander met veroordeling van eiseres in de kosten van beide instanties.

In incidenteel appel:

Dat het Uw Gerechtshof moge behagen, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Assen d.d. 10 augustus 2005, onder zaaknummer 46075 tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres gewezen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren, althans haar vordering te ontzeggen, zulks met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Door de Stichting is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"In principal appel:

Tot persistit!

In incidenteel appel:

Dat het Uw Gerechtshof moge behagen om [geïntimeerde 2] in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren danwel de vordering(en) zoals door [geïntimeerde 2] ingesteld in incidenteel appel aan haar te ontzeggen, zulks met veroordeling van [geïntimeerde 2] in de kosten van deze procedure, zowel in principaal appèl als in incidenteel appel."

Tenslotte hebben [geïntimeerden] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De Stichting heeft in het principaal appel elf grieven opgeworpen.

[geïntimeerden] hebben in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot het toepasselijke recht:

1. De rechtbank heeft de vorderingen van partijen beoordeeld naar Nederlands recht. Nu daartegen geen grief is ontwikkeld, zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.

Met betrekking tot de vaststaande feiten:

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in overweging 1 (1.1 tot en met 1.9) van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

Voorts staat onweersproken het volgende vast:

In de op of omstreeks 20 augustus 1999 tussen partijen gesloten overeenkomst van onderaanneming is onder 4 het volgende bepaald:

“Bij alle onderhandelingen, bouwvergaderingen en werkbesprekingen met Rijkswaterstaat/de directie, zal hoofdaannemer door onderaannemer adequaat worden vertegenwoordigd. Hoofdaannemer behoudt zich het recht voor zich bij bouw- en werkbesprekingen etc. tevens door een eigen medewerker te laten vertegenwoordigen.”

Gezag van gewijsde:

3. Nu daartegen geen grief is gericht zal ook het hof uitgaan van hetgeen de rechtbank in het vonnis waarvan beroep heeft overwogen met betrekking tot het gezag van gewijsde wat toekomt aan hetgeen is overwogen en beslist in het tussen partijen gewezen arrest van dit hof van 4 februari 2004, waarbij het door de rechtbank Assen op 8 januari 2003 – in conventie - gewezen vonnis werd bekrachtigd.

Met betrekking tot grief I in het principaal appel:

4. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.2 heeft overwogen.

5. De grief faalt. Aan het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 8 januari 2003 komt, voor zover in reconventie gewezen, geen gezag van gewijsde toe, nu het geen eindvonnis is. Voor zover de grief een beroep inhoudt op de leer van de bindende eindbeslissingen (de rechter is in de regel gebonden aan een in een eerder tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing), verliest de Stichting uit het oog dat deze leer uitsluitend geldt binnen één en dezelfde procedure. Er is geen enkele reden aanwezig om de rechter ook gebonden te achten aan niet in het dictum vastgelegde – en dus ook nog niet onherroepelijke – beslissingen in een tussenvonnis in een andere procedure. Dit geldt a fortiori voor de appelrechter.

Met betrekking tot grief II in het principaal appel:

6. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.6 heeft overwogen.

7. Het hof leest in hetgeen de Stichting op dit punt heeft aangevoerd geen andere stellingen of weren dan in eerste aanleg door de Stichting aangevoerd en gemotiveerd oor de rechtbank verworpen. Het hof is het eens met hetgeen de rechtbank in de bestreden overweging heeft betoogd en maakt dat betoog tot het zijne. Het hof voegt daar nog aan toe dat [geïntimeerde 1] de op de desbetreffende factuur (2003-005) voorkomende posten nadrukkelijk heeft betwist en dat de Stichting heeft nagelaten de posten nader te onderbouwen, dan wel daarvan gespecificeerd bewijs aan te bieden.

8. De grief faalt.

Met betrekking tot grief III in het principaal appel:

9. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.7 heeft overwogen. De betreffende factuur (ad € 2.314,28) is als productie 11 bij de inleidende dagvaarding overgelegd. De betreffende factuur vermeldt slechts dat het om een “stelpostnota” gaat en mist elke verdere onderbouwing. Op het als productie 12 bij inleidende dagvaarding overgelegde overzicht van [betrokkene 1] (directeur /adviseur van [naam 2] Advies) is de betreffende nota “onder voorbehoud (mits onderbouwd)” opgenomen.

10. Het hof stelt vast dat de Stichting niet betwist dat Rijkswaterstaat (verder: RWS) heeft geweigerd de betreffende nota te voldoen. De Stichting stelt zich echter op het standpunt dat RWS zulks niet had mogen doen. Het hof kan de stichting in haar betoog niet volgen, nu de nota elke onderbouwing mist. Het door de stichting op dit punt aangeboden bewijs is volstrekt niet gespecificeerd en (voorzover het het inbrengen van geschriften betreft) bovendien tardief.

11. De grief faalt.

Met betrekking tot grief IV in het principaal appel:

12. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.9 heeft overwogen.

13. Uit de toelichting op deze grief blijkt dat de Stichting hetgeen de rechtbank in de betreffende overweging heeft neergelegd op zich niet bestrijdt. De Stichting stelt zich echter op het standpunt dat het mogelijk allemaal anders was gelopen indien [geïntimeerde 1] ACMN hadden betrokken bij de besprekingen met RWS. Volgens de Stichting waren [geïntimeerde 1] gehouden ACMN bij de besprekingen met RWS te betrekken, op basis van afspraken die op 24 januari 2002 zouden zijn gemaakt. De Stichting verwijst in dat verband naar de verklaring van de hiervoor genoemde [betrokkene 1] en de door deze van die bespreking gemaakte notulen (productie 12 bij inleidende dagvaarding).

[geïntimeerden] betwisten dat er op 24 januari 2002 bindende afspraken zijn gemaakt.

14. Het hof stelt voorop dat de enkele mogelijkheid dat de besprekingen met RWS tot een ander resultaat zouden hebben geleid als ACMN daaraan had deelgenomen, onvoldoende is tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de bestreden overweging heeft neergelegd. Nu de Stichting – behoudens voor wat de onder grief V in het principaal appel te bespreken korting - niet genoegzaam heeft geconcretiseerd, laat staan aannemelijk gemaakt of te bewijzen aangeboden dat (en in hoeverre) deelname van ACMN aan de besprekingen met RWS zeer waarschijnlijk tot een ander (voor ACMN gunstiger) resultaat zouden hebben geleid voor wat betreft het meer- en minderwerk, oordeelt het hof het door de Stichting gedane bewijsaanbod ter zake van aard en inhoud van de bespreking op 24 januari 2002 in zoverre niet relevant.

15. De grief faalt.

Met betrekking tot grief V in het principaal appel:

16. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.10 heeft overwogen.

17. Het hof stelt vast dat de Stichting haar stellingen, voor wat betreft de door RWS aan [geïntimeerde 1] opgelegde korting ad € 71.229,-- in hoger beroep nader heeft in-gekleed. De Stichting stelt thans dat de vertraging is opgetreden door de verandering van boormethode, welke enkel aan [betrokkene 2] kan worden verweten, met welk bedrijf [geïntimeerde 1] geen enkele betrekking had. Bovendien stelt de Stichting (voor het eerst in hoger beroep) dat de projectleider van RWS ([betrokkene 3]) met ACMN heeft afgesproken dat in verband met de vertraging slechts de helft van de nieuwe (duurdere) boormethode zou worden vergoed, doch dat RWS dan geen boete/kortingen zou opleggen.

18. [geïntimeerden] betwisten gemotiveerd dat [betrokkene 2] verantwoordelijk is voor de opgetreden vertraging. In hun visie heeft ACMN ingeschreven op het meerwerk zonder op dat moment te beschikken over enige aanbieding betreffende de (methode) van boring. Ook de beweerdelijk met [betrokkene 3] gemaakte afspraak wordt gemotiveerd door [geïntimeerden] betwist, waarbij zij er op wijzen dat van een dergelijke afspraak niets terug is te vinden in de weekrapportage betreffende de periode 14 mei 2001 tot en met 25 november 2001. Het hof tekent hierbij aan dat deze weekrapportages, welke beweerdelijk bij faxbericht d.d. 7 februari 2005 (kennelijk in verband met de op 22 februari 2005 gehouden comparitie) aan de rechtbank Assen zijn gezonden, zich niet in de in hoger beroep overgelegde procesdossiers van partijen bevinden.

19. Het hof is van oordeel dat het standpunt zoals de Stichting dat thans nader heeft ingekleed, voor zover al juist, niet tot een andere uitkomst leiden dan het oordeel dat in de bestreden overweging van de rechtbank ligt besloten.

Het hof stelt in dat verband allereerst vast dat gesteld noch gebleken is dat ACMN van haar kant de beweerdelijk met [betrokkene 3] gemaakte afspraken (de helft van de boorkosten berekenen) is nagekomen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de Stichting deze beweerdelijk gemaakte afspraken ter kennis van [geïntimeerde 1] heeft gebracht en dat [geïntimeerde 1] vervolgens heeft verzuimd die afspraken in het overleg in te brengen.

Daarnaast heeft de rechtbank in het vonnis van 8 januari 2003, welk vonnis op dat punt gezag van gewijsde heeft, reeds overwogen dat het intrekken van de machtiging tot vertegenwoordiging aan ACMN zelf te wijten is. Dat is niet onrechtmatig, gelijk de rechtbank reeds heeft overwogen.

20. Het op dit punt gedane bewijsaanbod van de Stichting zal daarom als niet relevant worden gepasseerd.

Met betrekking tot grief VI in het principaal appel:

21. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.11 heeft overwogen.

22. In de toelichting op de grief stelt de Stichting dat de betaling aan Handelsonderneming [naam 3] B.V. haar niet regardeert nu het hier ging om een door [geïntimeerde 2] bij aanvang van de uitvoering van het bestek ingeschakelde onderaannemer. Nu [geïntimeerde 1] geen enkele betrekking had met [betrokkene 2], had zij evenmin die rekeningen moeten voldoen. Door dat wel te doen heeft zij ACMN de mogelijkheid ontnomen om de door RWS wegens de vertraging opgelegde boetes met de openstaande facturen van [betrokkene 2] te verrekenen.

23. Het hof stelt voorop dat krachtens de op of omstreeks 20 augustus 1999 tussen [geïntimeerde 1] en ACMN gesloten overeenkomst van onderaanneming het hele werk aan ACMN is overgedragen. Van een voor rekening van [geïntimeerde 1] komende voorperiode kan derhalve alleen om die reden al geen sprake zijn geweest. Nu niet is gesteld of gebleken dat de door Handelsonderneming [naam 3] B.V. gefactureerde werkzaamheden geen betrekking hebben op het onderhavige werk treft, de grief op dat onderdeel geen doel.

24. Het tweede onderdeel van de grief (betaling van de rekening van [betrokkene 2]) miskent dat [geïntimeerde 1] ter zake van de door [betrokkene 2] te verrichten werkzaamheden een bankgarantie heeft moeten stellen (zie de vaststaande feiten onder 1.4).

25. De grief treft geen doel.

Met betrekking tot grief VII in het principaal appel:

26. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.13 heeft beslist met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten.

27. In de toelichting op de grief voert de Stichting aan dat de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten betrekking hebben op “het bestuderen”van het dossier, intakegesprekken, vervolggesprekken, correspondentie, telefonische onderhouden etc.” Deze omschrijving is dusdanig algemeen dat het hof daarin niet een voldoende gemotiveerde onderbouwing van de gevorderde € 5.000,-- aan incassokosten kan lezen, zulks nog daargelaten dat tussen partijen meerdere procedures zijn gevoerd, zodat zeer wel denkbaar is dat de gepretendeerde werkzaamheden niet (uitsluitend) betrekking hebben op de onderhavige procedure. Hetgeen omtrent de buitengerechtelijke werkzaamheden is gesteld en gebleken rechtvaardigt evenmin toekenning van een vergoeding conform het rapport Voorwerk II.

28. De grief treft geen doel.

Met betrekking tot grief VIII in het principaal appel:

29. De grief is gericht tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.14 “resumerend” heeft overwogen.

30. De grief mist zelfstandige betekenis en deel het lot van de voorgaande grieven.

Met betrekking tot grief IX in het principaal appel:

31. De grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.15 heeft overwogen omtrent de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] (in privé).

32. De toelichting op de grief is niet meer dan een herhaling van de stellingen die de Stichting in eerste aanleg heeft betrokken met betrekking tot haar vordering om [geïntimeerde 2] (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van het aan haar toe te wijzen bedrag.

33. De rechtbank heeft in de bestreden overweging duidelijk en gemotiveerd aangegeven waarom zij van oordeel is dat van persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] onder de gegeven omstandigheden geen sprake kan zijn. De rechtbank heeft daarbij – naar het oordeel van het hof – het juiste toetsingskader gehanteerd. Het hof kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank onder 3.15 heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne.

34. De grief treft geen doel.

Met betrekking tot grief I in het incidenteel appel:

35. De grief is gericht tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.5 heeft overwogen.

36. Krachtens de akte van cessie d.d. 7 mei 2002 (productie 1 bij de inleidende dagvaarding) heeft ACMN (de verkoper) aan de Stichting (de koper) geleverd

“de vordering met betrekking waartoe de verkoper aanspraak kan maken op grond van rechten uit een overeenkomst van onderaanneming, gedateerd augustus negentienhonderd negenennegentig, …in verband met onder andere uitgevoerde (meer) werkzaamheden, welke gedeclareerd zijn, dan wel hadden kunnen worden gedeclareerd door [geïntimeerde 2]…”

Krachtens de akte van cessie d.d. 2 april 2003 (productie 3 bij de inleidende dagvaarding) heeft [betrokkene 4] (de verkoper) aan de Stichting (de koper) geleverd hetgeen hij uit hoofde van het bestek ZHV.983.2520 van [geïntimeerde 2] te vorderen heeft. Daarbij is verwezen naar de hiervoor genoemde akte van cessie d.d. 7 mei 2002.

37. Nu vaststaat dat [geïntimeerde 1] (een deel van) de door ACMN rechtstreeks met RWS overeengekomen meerwerkzaamheden daadwerkelijk bij RWS heeft gedeclareerd en heeft ontvangen, moet worden geoordeeld dat de Stichting hetgeen ACMN c.q. [betrokkene 4] uit dien hoofde van [geïntimeerden] te vorderen heeft/hebben, gecedeerd heeft gekregen. Daarbij is niet relevant op welke juridische grondslag die vordering is gebaseerd. De grief, waarin wordt betoogd dat de betreffende vordering slechts is gecedeerd voor zover zij is gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst van onderaanneming, is derhalve vruchteloos voorgesteld. Het hof tekent daarbij aan dat hetgeen in het arrest van 4 februari 2004 is overwogen met betrekking tot de vordering op de grondslag onrechtmatige daad, betrekking had op schade welke ACMN zou hebben geleden tengevolge van beweerdelijk onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] door het intrekken van de volmachten en het opdracht geven aan RWS om voortaan niet langer betalingen te doen op de contractuele bankrekening van partijen bij de Rabobank te Nijkerk (zie het bij memorie van grieven als productie 8 overgelegde vonnis van de rechtbank Assen d.d. 8 januari 2003).

Met betrekking tot grief II in het incidenteel appel:

38. De grief is gericht tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.2 en 3.12 met betrekking tot het beroep van [geïntimeerde 1] op verrekening heeft overwogen.

39. De onderbouwing die [geïntimeerde 1] thans in hoger beroep aan de vorderingen heeft gegeven, wordt gemotiveerd door de Stichting betwist en is naar het oordeel van het hof volstrekt ongenoegzaam. Wat er verder van de vorderingen ook zij, in ieder geval is niet duidelijk in hoeverre de gespecificeerde werkzaamheden logischerwijs voortvloeien uit de aannemingsovereenkomst welke [geïntimeerde 1] met ACMN heeft gesloten. Bovendien valt, zonder een nadere toelichting, welke ontbreekt, niet in te zien op welke juridische grondslag de gepretendeerde vergoedingen zijn gebaseerd, terwijl ook een integrale vergoeding van gemaakte advocatenkosten geen steun in het recht vindt.

40. De grief treft derhalve geen doel.

Met betrekking tot grief III in het incidenteel appel:

41. De grief is gericht tegen het onder 3.12 van het beroepen vonnis gegeven oordeel inzake de verrekening van proceskosten.

42. Bij de beoordeling van deze grief dient plaats te vinden in het licht van het bepaalde in het eerste lid van artikel 6: 130 BW. [geïntimeerden] zijn op grond van het bepaalde in bedoeld artikel bevoegd om de veroordelingen in de proceskosten van ACMN in door ACMN tegen [geïntimeerde 1] of door [geïntimeerde 1] tegen ACMN gevoerde procedures te verrekenen, ook indien die veroordelingen hebben plaatsgevonden nadat ACMN/[betrokkene 4] hun vorderingen aan de Stichting hadden overgedragen, als neergelegd in de akten van cessie d.d. 7 mei 2002, respectievelijk 2 april 2003.

43. De diverse procedures welke tussen ACMN en [geïntimeerde 1] zijn gevoerd vloeien immers voort uit dezelfde rechtsverhouding als die waarop de vorderingen van de Stichting zijn gebaseerd, nu al deze procedures die rechtsverhouding tot onderwerp van geschil hadden. Voorzover de Stichting zelf partij is geweest in die procedures is vanzelfsprekend rechtstreeks beroep op verrekening mogelijk.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, gemotiveerd aangegeven op welke proceskostenveroordelingen zij zich beroepen . Het gaat daarbij (blijkens de bij memorie antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel overgelegde producties 7 tot en met 10) om een totaal bedrag van € 6.707,09.

44. De Stichting heeft zich in haar verweer tegen deze grief op het standpunt gesteld dat een groot deel van de betreffende kosten reeds is verrekend met de ten behoeve van ACMN en de Stichting ten laste van [geïntimeerden] uitgesproken kostenveroordelingen. Dit verweer mist elke onderbouwing en is derhalve zodanig onbepaald dat het wordt verworpen.

45. De grief slaagt en het bedrag groot € 6.701,09 komt alsnog voor verrekening in aanmerking.

Slotsom

46. De grieven in het principaal appel en de grieven I en II in het incidenteel appel falen. Grief III in het incidenteel appel slaagt. Het hof zal – om proceseconomische redenen het vonnis waarvan beroep, voorzover het het dictum onder 1 betreft vernietigen en – met in acht neming van de verrekening als hiervoor onder rechtsoverweging 47 bedoeld – ter zake opnieuw recht doen.

Het beroepen vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd. De Stichting zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel (kosten salaris procureur: 1 punt tarief V). [geïntimeerden] zullen, als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel (1/2 punt tarief IV).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 10 augustus 2005, waarvan beroep, voor wat betreft het dictum onder 1;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] tot betaling aan de Stichting van een bedrag groot € 60.467,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2003 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt bedoeld vonnis voor het overige;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 5.731,-- aan verschotten en op € 2.632,-- aan salaris procureur;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van de Stichting begroot op nihil aan verschotten en op € 815,50 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de ten laste van de Stichting uitgesproken kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, en Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 juli 2007.