Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0318

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
BK 137/05 Omzetbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5770, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is uiteindelijk nog in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de ter zake van de levering van de D aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 552.710.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1441

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Kenmerk 05/00137

uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de fiscale eenheid X,

gevestigd en kantoorhoudend te Z,

belanghebbende,

gemachtigde A

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/258 van de rechtbank Leeuwarden (verder: de rechtbank) van 10 november 2005 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Heerenveen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 28 september 2004 aan belanghebbende onder nummer 0000.00.000.F.01.3501 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 oktober 2003 tot en met 31 oktober 2003 ten bedrage van € 180.216. Tegelijkertijd met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een boete opgelegd van € 10.000.

1.2. Met dagtekening 9 september 2004 heeft de inspecteur een verzoek van belanghebbende om teruggaaf van in totaal € 570.795 aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2003 tot en met 31 oktober 2003 afgewezen.

1.3. Na tegen de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij brief van 11 januari 2005 het bezwaar inzake de teruggaafbeschikking afgewezen. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 21 januari 2005 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Bij gevoegde uitspraak van 10 november 2005, aan partijen verzonden op 11 november 2005, heeft de rechtbank het door belanghebbende tegen de uitspraak inzake de teruggaafbeschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft zij het beroep inzake de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ongegrond verklaard.

1.4. Bij brief van 6 december 2005, aangevuld bij brief van 10 januari 2006, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft bij brief van 17 maart 2006 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij conclusie van repliek, ingekomen op 23 mei 2006. De inspecteur heeft op 20 juni 2006 een conclusie van dupliek ingediend.

1.5. Op 21 juni 2007 is van belanghebbende een nader stuk ingekomen, welke het Hof met toepassing van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot de gedingstukken rekent.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2007. Aldaar zijn toen verschenen als gemachtigde van belanghebbende A alsmede namens de inspecteur B. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof verwijst allereerst naar de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof, mede in aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten, de volgende feiten vast.

2.1.1. Belanghebbende, een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) is exploitant van een binnenschip. In het kader van haar bedrijfsuitoefening heeft zij in de loop van 2003 gekozen voor een nieuwer, groter schip. Zij heeft daartoe het motorbeunschip “C” (verder: C) dat zij in gebruik had, met lopende bevrachtingscontracten en met overdracht van personeel verkocht en zij heeft het container-motorvrachtschip “D” (verder: D) aangekocht.

2.1.2. De onder 2.1.1. bedoelde transacties zijn in eerste instantie beide overeengekomen met E te L, Zwitserland (verder: E). Belanghebbende heeft met E afgesproken voor welke prijs zij de D zou kopen en voor welk bedrag zij de C aan E zou verkopen. Uiteindelijk heeft E bedongen dat de levering van de D via F B.V. zou lopen.

2.1.3. Tot de stukken van het geding behoort een factuur van 14 oktober (zonder vermelding van jaartal) met briefhoofd “G B.V.” te M, waarin aan belanghebbende ter zake van de verkoop van de D een bedrag van in totaal ‘€ 2.909.00’ in rekening wordt gebracht, vermeerderd met € 552.710 aan omzetbelasting. Op deze factuur is vermeld dat reeds een aanbetaling van € 725.000 door belanghebbende is gedaan.

2.1.4. Op 14 oktober 2003 is op briefpapier met briefhoofd “G B.V.” te M een (credit)factuur opgemaakt gericht aan E, waarop is vermeld dat op 14 oktober van E voor een bedrag van € 2.909.000 het schip de D is gekocht. Op deze creditfactuur is eveneens een bedrag van € 552.710 aan BTW vermeld.

2.1.5. Tot de stukken van het geding behoort een conceptakte van 17 oktober 2003 waarbij E de D aan F B.V. (verder: F) levert. Hierin is onder meer opgenomen dat E op grond van een met F gesloten koopovereenkomst de D aan F levert.

2.1.6. Bij notariële akte van 17 oktober 2003 heeft F aan belanghebbende de D geleverd. In de akte is vermeld dat de levering geschiedt op grond van een tussen koper en verkoper gesloten koopovereenkomst. Blijkens de akte bedroeg de koopprijs van het vaartuig € 2.909.000, vermeerderd met 19% omzetbelasting, ofwel € 552.710. In de akte is het volgende aangegeven: “het vaartuig is door verkoper verkregen bij akte van levering op heden verleden voor mij, notaris”. In artikel 3 van de akte is bepaald dat de feitelijke levering van het vaartuig terstond na ondertekening van de akte plaatsvond.

2.1.7. Tot de stukken behoren:

- een op 7 juli 2004 gedateerde verklaring omtrent de hoedanigheid van belastingplichtige waarin de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Hoofddorp verklaart dat F B.V. onder nummer NL0000.00.000.B.01 aan omzetbelasting is onderworpen;

- een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam van 14 oktober 2003 waarin is vermeld dat F B.V. te M op 25 november 1993 is opgericht, dat zij zich bezighoudt met nationaal en internationaal transport door middel van bemiddeling in transportfaciliteiten, alsmede de opslag en distributie eveneens door middel van eigen opslag en distributiemiddelen dan wel de bemiddeling daarin voor derden. Blijkens het uittreksel is G vanaf 7 november 2002 directeur van de vennootschap en heeft de laatste statutenwijziging plaatsgevonden op 14 november 2002.

2.1.8. Met dagtekening 17 november 2003 heeft belanghebbende een aangifte omzetbelasting ingediend over het tijdvak oktober 2003, resulterend in een verzoek om teruggaaf van € 570.795. In dit bedrag is begrepen het ter zake van de aanschaf van de D aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 552.710.

2.1.9. De onder 2.1.8. bedoelde aangifte vormde voor de inspecteur aanleiding een onderzoek bij belanghebbende in te stellen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ten onrechte geen omzetbelasting in rekening had gebracht ter zake van de levering van de C en dat zij ten onrechte de aan haar in verband met de levering van de D in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek had gebracht. Hij heeft daarom het onder 2.1.8. vermelde verzoek om teruggaaf afgewezen en heeft aan belanghebbende daarnaast de in geding zijnde naheffingsaanslag met boete opgelegd.

2.10. Bij brief van 11 januari 2005 met het onderwerp “uitspraak op bezwaarschriften” heeft de inspecteur een motivering gegeven voor de afwijzing van de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften tegen de beschikking inzake het verzoek om teruggaaf en tegen de met boete opgelegde naheffingsaanslag. De laatste alinea van deze brief luidt als volgt:

“Met betrekking tot uw bezwaar tegen de naheffingsaanslag ontvangt binnenkort de formele uitspraak op uw bezwaarschrift. Hierin wordt verwezen naar deze brief. Ook kunt u hierin lezen hoe u moet handelen als u het niet eens bent met mijn beslissing.

Met betrekking tot uw bezwaar tegen de afwijzende teruggaafbeschikking ontvangt u geen afzonderlijke formele uitspraak”.

Een rechtsmiddelverwijzing is niet in de brief opgenomen.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is uiteindelijk nog in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de ter zake van de levering van de D aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 552.710.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft geoordeeld

- dat belanghebbendes beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is;

- dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd; en

- dat de opgelegde boete passend en geboden is.

2.3.2. De rechtbank heeft met betrekking tot het verzoek om teruggaaf als volgt overwogen:

“4.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerders brief van 11 januari 2005, voor zover deze betrekking heeft op het bezwaar tegen de afwijzende teruggaafbeschikking, niet anders kan worden beschouwd als zijn uitspraak op dat bezwaarschrift, waarbij deze strekking redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest voor eiseres althans diens gemachtigde. Nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat dit besluit later dan op 11 januari 2005 is verzonden, is de beroepstermijn gaan lopen op 12 januari 2005. De rechtbank overweegt dat het beroepschrift, met dagtekening 2 maart 2005, door haar is ontvangen op 3 maart 2005, zodat het buiten de beroepstermijn is ingediend. Bij gebreke van gebleken verschoonbare omstandigheden zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de afwijzende teruggaafbeschikking.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat de onder 2.3 vermelde factuur niet aan eiseres het recht verleent op aftrek van voorbelasting wegens de aankoop van het motorschip “D”, reeds omdat daarop een andere leverancier is vermeld dan de rechtspersoon die blijkens de onder 2.6 vermelde akte het schip heeft verkocht en geleverd aan eiseres, zodat geen sprake is van een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Gelet hierop slaagt het beroep van eiseres op het besluit van 18 augustus 1982 (..) evenmin, aangezien de op de factuur vermelde rechtspersoon de prestatie niet heeft verricht. De rechtbank overweegt hierbij dat de onjuiste naamsvermelding niet valt aan te merken als een loutere verschrijving, omdat de factuur (….) een andere bevreemding wekkende onjuistheid bevat. Op 14 oktober 2003 stond immers ‘F B.V.’ noch ‘G B.V.’ maar een andere rechtspersoon bij de Belastingdienst onder het op de factuur vermelde BTW-nummer geregistreerd. Voor zover eiseres zich beroept op de deskundigheid en de zorgplicht van de ingeschakelde notaris aan wie de factuur ter hand zou zijn gesteld zonder dat eiseres de gelegenheid zou hebben gehad de factuur zelf op juistheid te controleren, overweegt de rechtbank dat, nu niet anders is komen vast te staan, er van moet worden uitgegaan dat de litigieuze factuur aan eiseres is uitgereikt, zodat dit beroep, wat daar overigens ook van zij, reeds hierom niet kan slagen.

4.3. De rechtbank is voorts van oordeel dat de onder 2.6. vermelde notariële akte niet is aan te merken als een factuur als bedoeld in artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), omdat de eerdere afgifte van de onder 4.2 besproken factuur daaraan in de weg staat. (…).

4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat eiseres geen recht heeft op aftrek van voorbelasting wegens de aankoop van het motorschip “D”, zodat het recht op aftrek van voorbelasting over het tijdvak oktober 2003 is beperkt tot € 18.085.

(…).”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

De voor de beoordeling van het geschil relevante bepalingen luiden als volgt.

2.5.1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Daarbij heeft ingevolge artikel 6:23 van de Awb te gelden dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt, waarbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.

2.5.2. Ingevolge artikel 31 van de Wet wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden bij overgang van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen en treedt degene op wie de goederen overgaan voor de berekening van de omzetbelasting in de plaats van de overdrager.

2.5.3. Krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet (tekst 2003) kan de ondernemer in aftrek brengen de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Tot de eisen waaraan een factuur ingevolge artikel 35 van de Wet moet voldoen behoort de vermelding van de naam en het adres van de ondernemer die de levering of dienst verricht.

2.5.4. Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het verschil krachtens artikel 17 van de Wet aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Wet geschiedt een verzoek om teruggaaf van belasting bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Ter zitting heeft de inspecteur alsnog geconcludeerd dat – met het oog op het bepaalde in artikel 31 van de Wet – de naheffingsaanslag en de daarbij opgelegde boete moeten worden vernietigd. Gelet op evenvermelde bepaling en in aanmerking nemende de feiten als weergegeven onder 2.1.1. en het gestelde in de resolutie van 3 december 1973, nr. B73/21444, waarop belanghebbende zich beroept, volgt het Hof de inspecteur hierin.

2.6.2. Tussen partijen is uiteindelijk in confesso dat belanghebbendes beroep inzake de teruggaafbeschikking met toepassing van artikel 6:11 van de Awb ontvankelijk moet worden verklaard, nu bij de in de brief van 11 januari 2005 verwoorde uitspraak van de inspecteur geen rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 6:23 van de Awb is opgenomen. Het Hof volgt partijen hierin, nu dit standpunt juist is.

2.6.3. Ter zitting is komen vast te staan dat bij akte van 14 november 2002 de bij de belastingdienst als H B.V. bekende vennootschap is hernoemd tot F B.V. Deze naamswijziging is eerst (veel) later bij de belastingdienst verwerkt. Een vennootschap met de naam G B.V. heeft, naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard, nooit bestaan. De inspecteur heeft niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat naheffing bij F van het op de factuur van “G B.V.” vermelde bedrag van € 552.710 geen effect heeft gesorteerd.

2.6.4 Uit de tot de gedingstukken behorende afschriften van notariële akten en concepten daarvan leidt het Hof af dat, naar tussen partijen klaarblijkelijk ook niet in geschil is, de D op 17 oktober 2003 driemaal juridisch is overgedragen, eerst door de toenmalige eigenaar/schipper aan E, vervolgens door E aan F B.V. en ten slotte door deze vennootschap aan X B.V.. In de akte betreffende laatstbedoelde overdracht is opgenomen dat de D door F is verkocht aan X B.V.. Daaruit leidt het Hof, met inachtneming van hetgeen onder 2.1.4. is vermeld, af dat X B.V. de D tweemaal heeft gekocht: eenmaal van E en eenmaal van F B.V.. Annulering van één van deze aankopen is namens belanghebbende ter zitting wel gesuggereerd, maar op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende de D voor een ander bedrag heeft aangekocht dan de met E overeengekomen koopprijs. Voorts is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende met betrekking tot de aankoop van de D met F B.V. feitelijk contacten heeft gehad, laat staan afspraken heeft gemaakt, over de aankoop van de D c.q. de daarvoor te betalen prijs.

2.6.5 Nu de in geding zijnde omzetbelasting is vermeld op een factuur, waarop als degene die de levering verricht een nimmer bestaand hebbende vennootschap is vermeld, moet worden vastgesteld dat deze factuur niet op de voorgeschreven wijze is opgemaakt en dat op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet in beginsel geen aanspraak op aftrek van die omzetbelasting bestaat.

2.6.6. Gelet op de in 2.6.4. vermelde feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, bestaat naar het oordeel van het Hof gerede twijfel met betrekking tot de hoedanigheid van degene die de D aan X B.V. heeft geleverd. Op grond van die feiten en omstandigheden is het geenszins uitgesloten dat die levering – opgevat als de overdracht van de macht om als eigenaar over het schip te beschikken – niet door F B.V., maar door E heeft plaatsgevonden. Uit het bestaan van deze twijfel volgt reeds dat belanghebbendes beroep op de resolutie van 18 augustus 1982, nr. 281-18051 faalt. Ook haar beroep op het besluit van 19 april 2007, nr. CPP2007/308M – wat daar verder ook van zij – kan belanghebbende niet baten, reeds omdat in de akte van 17 oktober 2003 betreffende de levering van de D aan belanghebbende geen verwijzing is opgenomen naar de factuur van 14 oktober.

2.6.7 Uit hetgeen onder 2.6.5 en 2.6.6 is overwogen volgt dat aan belanghebbende geen recht toekomt op aftrek c.q. teruggaaf van het op de in geding zijnde factuur vermelde bedrag aan omzetbelasting. Tussen partijen is niet in geschil dat aan belanghebbende alsdan over het tijdvak oktober 2003 een teruggaaf toekomt van € 18.085.

2.6.8. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking moeten worden vernietigd, dat de teruggaafbeschikking moet worden vernietigd en dat aan belanghebbende een teruggaaf van € 18.085 moet worden verleend.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

2.8. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof de proceskosten op 4,5 (2 punten voor proceshandelingen bij de rechtbank en 2,5 punten voor proceshandelingen bij het Hof ) maal € 322 (waarde per punt) maal factor 1,5 (gewicht van de zaak), ofwel € 2.173,50.

3. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur inzake de naheffingsaanslag en de boete;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- verklaart het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de inspecteur inzake de teruggaafbeschikking ontvankelijk;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur inzake de teruggaafbeschikking;

- vernietigt de teruggaafbeschikking;

- verleent belanghebbende teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 18.085;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.173,50 en wijst daarbij de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen; en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 682.

Aldus vastgesteld door mrs. M.E. van Hilten, voorzitter, D.B. Bijl en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 16 juli 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op 25 juli 2007