Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA9525

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
0600621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat het - zichtbaar - plaatsen van een camera of een daarop gelijkend voorwerp met het oogmerk om de eigen woonomgeving te beveiligen, op zich niet onrechtmatig is jegens omwonenden. Het hof verwijst daartoe naar de memorie van toelichting op de Wet heimelijk cameratoezicht (Tweede kamer, Kamerstuk 2000-2001, 27732 nr. 3) [...]

Indien met een werkende camera opnamen worden gemaakt van personen, kan - ook als niet voldaan is aan de eisen voor strafbaarstelling - evenwel sprake zijn van aantasting van de privacy van de die personen. De bewijslast dat van een dergelijke (dreigende) aantasting sprake is, berust, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, bij [appellanten]. [...]

Ten aanzien van de camera waarvan tijdens de descente in eerste aanleg is vastgesteld dat die toen wel functioneerde en aangesloten kon worden op een monitor, oordeelt het hof dat het enkele gebruik daarvan, in die zin dat de beelden die de camera waarneemt af te lezen zijn op een monitor, nog niet een inbreuk op de privacy van een persoon oplevert indien deze zich in het gezichtsveld van de camera bevindt. Het hof verwijst daartoe naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens d.d. 17 maart 2003, NJ 2006,40 (Perry - Verenigd Koninkrijk), waarin dit hof heeft overwogen dat cameratoezicht in een openbare ruimte op zichzelf geen inbreuk vormt op iemands privé-leven als de beelden niet worden opgeslagen.

In dat licht acht het hof het plaatsen van een camera, gericht op de auto van [geïntimeerde] en het tonen van die beelden op een monitor, waarbij ook een gedeelte van de Rijksweg in beeld is, als zodanig niet in strijd met het privacybelang van weggebruikers als [appellant 1] en/of het personeel van [appellant 2] In wezen komt dit gebruik van de camera en het observeren van de auto overeen met hetgeen [geïntimeerde] met het blote oog zou waarnemen vanuit zijn raam indien hij overging tot verwijdering van de daarvoor geplaatste bosschage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 417

Uitspraak

Arrest d.d. 11 juli 2007

Rolnummer 0600621

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verder aan te duiden als [appellant 1];

2. [naam appellant 1] Auto's B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],

verder aan te duiden als [appellant 2]

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr. P. van Bommel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr. drs. W.A. Koers.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 10 november 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 29 november 2006 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 december 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis in kort geding d.d. 10 november 2006 door de E.A. heer Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Leeuwarden, gewezen tussen appellanten als eisers in conventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie, voor zover de vorderingen in conventie van appellanten zijn afgewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zonodig met verbetering c.q. aanvulling der gronden, de vorderingen van appellanten in conventie geheel toe te wijzen, alsmede geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden d.d. 10 november 2006 te bekrachtigen;

- met veroordeling van [appellant 1] in de kosten van de procedure in beide instanties."

Voorts hebben [appellanten] een akte ter rolle, tevens houdende overlegging producties genomen en heeft [geïntimeerde] een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Het hof zal die feiten, voor zover voor het navolgende relevant, hierna weergegeven, aangevuld met enige feiten die in appel tevens als vaststaand kunnen worden aangemerkt.

1.1. [geïntimeerde] en [appellant 1] zijn overburen. [appellant 1] exploiteert bij zijn woning een automobielbedrijf.

1.2. [geïntimeerde] heeft zijn woning tegen inkijk vanaf de weg afgeschermd door een bosschage, die aan de woningzijde voorzien is van groen gaas.

1.3. Voor de woning van [geïntimeerde] bevindt zich een aantal parkeerplaatsen langs de weg, waarvan er één is aangeduid als invalidenparkeerplaats. Deze is door de gemeente toegewezen aan [geïntimeerde]. Ten gevolge van de hiervoor genoemde bosschage heeft [geïntimeerde] vanuit zijn woning weinig zicht op deze parkeerplaats.

1.4. [geïntimeerde] heeft in de zomer van 2006 op elk van zijn beide dakkapellen een camera,althans een daarop gelijkend voorwerp gemonteerd.

1.5. De gemeente [gemeente] kent geen specifieke regeling kent voor het gebruik van bewakingscamera's. Burgemeester en Wethouders van deze gemeente hebben bij besluit van 20 februari 2007 besloten, na een daartoe strekkend verzoek van [appellant 1], niet handhavend op te treden tegen de "camera('s)" van [geïntimeerde].

De kern van het geschil in appèl

2. [appellanten] stelt dat zij voortdurend geobserveerd (kunnen) worden door de camera's van [geïntimeerde] en daardoor in hun privacybelang worden geschaad.

Zij hebben gevorderd dat de camera's van [geïntimeerde] worden verwijderd, op straffe van een dwangsom.

2.1. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij regelmatig glasscherven en spijkers onder zijn auto heeft aangetroffen en dat hij om die reden een beveiligingscamera en een "dummy" (een voorwerp dat er alleen uitziet als een camera) heeft geplaatst teneinde zijn auto te bewaken. De echte camera kan worden aangesloten op een beeldscherm, maar die camera is thans defect. Opnames zijn nimmer gemaakt. De camera is uitsluitend gericht op de auto en niet op de woning of het bedrijf van [appellant 1].

2.2. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellanten] afgewezen. Daartegen richt zich het appel.

2.3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [appellanten] geen voertuigen mogen parkeren op minder dan 50cm van de afbakening van de aan [geïntimeerde] toegewezen invalidenparkeerplaats. Ook die vordering is door de voorzieningen rechter afgewezen. Hiertegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

De beoordeling van de grieven

3. De grieven richten zich tegen de volledige beoordeling van de oorspronkelijke conventionele vordering door de voorzieningenrechter. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Het spoedeisend belang van [appellanten] bij hun vordering tot verwijdering van de camera's is niet aangevochten en wordt ook door het hof voldoende aanwezig geacht.

5. Voor zover [appellant 2] opkomt voor het privacybelang van haar werknemers acht het hof ook [appellant 2] ontvankelijk in haar vordering.

6. Het hof stelt voorop dat het - zichtbaar - plaatsen van een camera of een daarop gelijkend voorwerp met het oogmerk om de eigen woonomgeving te beveiligen, op zich niet onrechtmatig is jegens omwonenden. Het hof verwijst daartoe naar de memorie van toelichting op de Wet heimelijk cameratoezicht (Tweede kamer, Kamerstuk 2000-2001, 27732 nr. 3) waarin is opgenomen:

"Burgers mogen hun huis en tuin beveiligen met camera's, maar ook hier geldt het uitgangspunt dat de aanwezigheid hiervan in beginsel kenbaar moet zijn. Gasten en andere bezoekers die impliciet dan wel expliciet met toestemming van de rechthebbende de woonomgeving betreden mogen erop vertrouwen dat hun persoonlijke levenssfeer niet kan worden aangetast door het heimelijk vervaardigen van afbeeldingen."

Niet in geding is dat de "camera's" van [geïntimeerde] zichtbaar zijn bevestigd. Het hof leidt daaruit vooralsnog af dat de strafbaarstelling van artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht niet in zicht komt, hoewel [geïntimeerde] deze "camera's" mede gericht heeft op de openbare weg, zijnde een openbare plaats in de zin van genoemd artikel. Het hof deelt, onder verwijzing naar de hiervoor reeds aangehaalde memorie van toelichting, overigens niet het standpunt van de officier van justitie, vervat in de door [appellant 1] overgelegde brief van 6 maart 2007, dat artikel 441b Sr zoals gewijzigd bij de Wet heimelijk cameratoezicht slechts ziet op het gebruik van verborgen camera's in besloten ruimten.

7. Indien met een werkende camera opnamen worden gemaakt van personen, kan - ook als niet voldaan is aan de eisen voor strafbaarstelling - evenwel sprake zijn van aantasting van de privacy van de die personen. De bewijslast dat van een dergelijke (dreigende) aantasting sprake is, berust, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, bij [appellanten]

8. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dan één van de beide betrokken "camera's" in werkelijkheid een dummy was. [appellanten] vechten in grief II dit oordeel aan, stellende dat de geplaatste camera zonder bedrading mogelijk niet uit de "dummy doos" afkomstig was. [appellanten] verliezen daarmee uit het oog dat de bewijslast op hen rust en dat met de twijfel die zij trachten te zaaien allerminst is aangetoond dat de camera zonder bekabeling daadwerkelijk een in bedrijf zijnde camera betreft.

9. Ten aanzien van de camera waarvan tijdens de descente in eerste aanleg is vastgesteld dat die toen wel functioneerde en aangesloten kon worden op een monitor, oordeelt het hof dat het enkele gebruik daarvan, in die zin dat de beelden die de camera waarneemt af te lezen zijn op een monitor, nog niet een inbreuk op de privacy van een persoon oplevert indien deze zich in het gezichtsveld van de camera bevindt. Het hof verwijst daartoe naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens d.d. 17 maart 2003, NJ 2006,40 (Perry - Verenigd Koninkrijk), waarin dit hof heeft overwogen dat cameratoezicht in een openbare ruimte op zichzelf geen inbreuk vormt op iemands privé-leven als de beelden niet worden opgeslagen.

10. In dat licht acht het hof het plaatsen van een camera, gericht op de auto van [geïntimeerde] en het tonen van die beelden op een monitor, waarbij ook een gedeelte van de Rijksweg in beeld is, als zodanig niet in strijd met het privacybelang van weggebruikers als [appellant 1] en/of het personeel van [appellant 2] In wezen komt dit gebruik van de camera en het observeren van de auto overeen met hetgeen [geïntimeerde] met het blote oog zou waarnemen vanuit zijn raam indien hij overging tot verwijdering van de daarvoor geplaatste bosschage.

11. Voor zover de camera, (al dan niet na draaiing) al kan inzoomen op het langs de Rijksweg gelegen erf van [appellanten] komt het hof niet tot een afwijkend oordeel. Uit de bevindingen tijdens de descente van de voorzieningenrechter, neergelegd in het vonnis waarvan beroep, leidt het hof af dat met de camera geen scherpere beelden van de straatzijde van het erf van [appellanten] zijn te verkrijgen dan met het blote oog mogelijk is. [appellanten] hebben de juistheid van de vaststellingen van de voorzieningenrechter weliswaar bestreden, doch zij hebben hun standpunt onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor nadere bewijslevering is in het kader van dit kort geding geen plaats.

12. Dat [geïntimeerde] de beelden van deze camera systematisch en langdurig opslaat dan wel heeft opgeslagen - in welk geval een privacyschending mogelijk wel aan de orde zou kunnen zijn - is voorshands niet komen vast te staan. [appellanten] komen niet verder dan de veronderstelling dat de camera ook op een videorecorder kan worden aangesloten. Uit niets blijkt evenwel dat [geïntimeerde] daartoe ooit over is gegaan of concrete voornemens heeft gehad om beelden vast te leggen.

13. Het hof oordeelt dan ook met de voorzieningenrechter dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerde] hun privacy op ontoelaatbare wijze aantast met het geplaatst houden van twee "camera's".

De slotsom

14. De grieven falen en het vonnis waarvan beroep zal, voor zover in appel aangevallen, worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in appel veroordelen, voor wat het salaris betreft te begroten op 1,5 punt naar tarief II,

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 296,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan salaris voor de procureur en verklaart deze proceskosten-veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan € 222,-- aan verschotten en € 1.341,-- voor salaris procureur, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 juli 2007.