Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA8641

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
BK 115/06 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/51.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 115/06

Uitspraakdatum: 29 juni 2007

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z

gemachtigde: de heer A,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/96 van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 22 december 2004 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PV) opgelegd.

1.2 Het namens belanghebbende tegen voormelde aanslag aangetekend bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 16 december 2005 niet-ontvankelijk geoordeeld.

1.3 Bij uitspraak van 10 augustus 2006, verzonden op 11 augustus 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een (pro forma) beroepschrift dat op 4 september 2006 bij het hof is ingekomen en dat is aangevuld door een op 11 oktober 2006 ingekomen brief met bijlagen.

De inspecteur heeft op 9 november 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 De eerste enkelvoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2007.

Ter zitting is namens belanghebbende zijn gemachtigde de heer A verschenen. Namens de inspecteur is de heer B verschenen.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 De inspecteur heeft op 22 december 2004 aan belanghebbende een aanslag IB/PV 2002 opgelegd.

2.2 De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen voormelde aanslag een bezwaarschrift ingediend dat blijkens een daarop door het Centrum voor Facilitaire Dienstverlening van de Belastingdienst geplaatste datumstempel op 4 februari 2005 door de inspecteur is ontvangen. De voor het bezwaarschrift gebruikte enveloppe was wel gefrankeerd maar niet voorzien van een poststempel.

2.3 De inspecteur heeft belanghebbende wegens het overschrijden van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk geoordeeld.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

3.2 De gemachtigde van belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij stelt het bezwaarschrift op 2 februari 2005 om circa 19.30 uur op weg van kantoor naar huis in de brievenbus van L hebben gedaan. De gemachtigde stelt voorts dat in de van de inspecteur afkomstige correspondentie een onjuist faxnummer stond vermeld zodat het faxen van het bezwaarschrift eerder die dag niet lukte.

Nu de brief niet later dan een week na afloop van de termijn door de inspecteur is ontvangen, is het bezwaarschrift volgens de gemachtigde tijdig ingediend.

3.3 De inspecteur beantwoordt voormelde vraag ontkennend. De inspecteur wijst erop dat de voor het bezwaarschrift gebruikte enveloppe geen poststempel of andere aanduiding draagt van TPG-Post. Gelet op het feit dat de datumstempel op het bezwaarschrift de signatuur draag van het Centrum voor Facilitaire Dienstverlening van de Belastingdienst gaat de inspecteur ervan uit dat het bezwaarschrift op 4 februari 2005 in de brievenbus van de Belastingdienst Noord, gevestigd aan de Dr. C. Hofstede de Grootkade 11 te Groningen is gedeponeerd, dan wel op die dag bij de balie aldaar is afgegeven.

De inspecteur erkent dat de betreffende medewerker van de Belastingdienst waarmee de gemachtigde van belanghebbende heeft gecorrespondeerd in de aanslagfase een onjuist faxnummer in zijn brieven heeft vermeld, maar dat hieraan geen consequenties kunnen worden verbonden nu ten tijde van het instellen van het bezwaar het indienen daarvan door middel van een bericht per fax niet langer was toegestaan.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto de artikelen 22j en 23 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, kan hij die bezwaar heeft tegen een aan hem opgelegde belastingaanslag binnen zes weken na dagtekening van die aanslag een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2 Vaststaat dat de inspecteur met dagtekening 22 december 2004 voor het jaar 2002 aan belanghebbende een aanslag heeft opgelegd waarvan de bezwaartermijn op 2 februari 2005 eindigde. Voorts staat, als onweersproken, vast dat het bezwaarschrift op 4 februari 2005 door de inspecteur is ontvangen.

Het ontbreken van een datumstempel van TPG-Post op de enveloppe van het bezwaarschrift in combinatie met de omstandigheid dat het bezwaarschrift bij de belastingdienst is verwerkt op een wijze die uitsluitend wordt gehanteerd voor post die in de brievenbus van de Belastingdienst Noord, gevestigd aan de Dr. C. Hofstede de Grootkade 11 te Groningen, is gedeponeerd danwel aldaar bij de balie is afgegeven, zijn contra-indicaties voor de stelling van de gemachtigde dat hij het bezwaarschrift op de laatste dag van de bezwaartermijn, 2 februari 2005, in een brievenbus van TPG-Post heeft gedaan. Nu de gemachtigde voorts de door hem geschetste gang van zaken niet nader heeft onderbouwd acht het hof niet aannemelijk dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd.

4.4 Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat hij op 2 februari 2005 heeft getracht het bezwaarschrift door middel van de fax te verzenden maar dat dit niet slaagde omdat in de van de Belastingdienst afkomstige correspondentie een onjuist faxnummer stond vermeld. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat op het briefpapier van de medewerker van de Belastingdienst waarmee de gemachtigde in de aanslagfase heeft gecorrespondeerd, een oud en niet meer in gebruik zijnd faxnummer stond vermeld. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 1 juli 2004 is de Wet elektronisch bestuurlijke verkeer (Stb. 2004, 214) in werking getreden. In de brief van 10 maart 2005, nr. DGB 2005-00472 U antwoordt de Staatssecretaris van Financiën op vragen van een kamerlid het volgende mee:

"Op dit moment wordt een beleidsregel voorbereid waarin wordt aangegeven voor welke berichten de elektronische weg is geopend en welke eisen daarbij worden gesteld".

"Bij de invoering van de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Webv) is het verkeer via het faxkanaal bestempeld als een vorm van elektronisch berichtenverkeer. De Webv verzet zich niet tegen verzending van documenten per fax, maar staat dat ook niet uitdrukkelijk toe. De Webv biedt bestuursorganen de ruimte hierover een eigen beslissing te nemen, mits bepaalde voorschriften in acht worden genomen".

"De Belastingdienst heeft hierin aanleiding gevonden het bestaande beleid in dezen te heroverwegen."

"De heroverweging van de mogelijkheid om per fax bezwaarschriften bij de Belastingdienst in te dienen, is in 2004 ingezet."

Vervolgens neemt de Staatsecretaris van Financiën op 27 april 2005 het Besluit, nr. CPP2004/2807M, Stcrt. 2004/87, waarin nader wordt aangegeven voor welke berichten de elektronische weg tussen burgers en de Belastingdienst is geopend en welke eisen de Belastingdienst daarbij stelt. Hierin is bepaald dat de elektronische weg niet beschikbaar is voor bezwaarschriften, ex artikel 6:5 en 6:6 Awb. Dit besluit werkt terug tot en met 1 juli 2004.

4.5 Op 2 februari 2005, de laatste dag van de bezwaartermijn was het voormelde Besluit nog niet genomen en was indiening van het bezwaarschrift per fax nog mogelijk. De omstandigheid dat in de van de Belastingdienst afkomstige correspondentie een foutief faxnummer stond vermeld brengt het hof tot het oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Er is mitsdien sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 Awb.

4.6 Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beroepen uitspraak vernietigen en de zaak, voor een hernieuwde beslissing, terugwijzen naar de inspecteur.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof stelt deze kosten op € 322,-- (tweemaal een beroepschrift en tweemaal verschijnen ter zitting is 4 punten maal € 322,-- per punt maal 0,25 wegingsfactor.)

6. De beslissing

Het hof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar;

verstaat dat de inspecteur opnieuw een beslissing zal nemen op het ingestelde bezwaar;

gelast de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht van € 37,-- (rechtbank) en € 105,-- (hof) aan belanghebbende te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 322,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 29 juni 2007 door mr. Huiskes, raadsheer, en op die dag in het openbaar

uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 4 juli 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.