Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7845

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
0600112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In appel heeft geïntimeerde onder verwijzing naar het bepaalde in art. 7:621 lid 3 BW een beroep gedaan op verjaring van de vordering ter zake van het achter-stallig salaris. Dit beroep faalt. Het gaat hier immers niet om een vordering tot betaling van loon, omdat de voldoening ervan zou zijn geschied anders dan bij art. 7:620 BW is bepaald of omdat het loon in andere vorm zou zijn vastgesteld dan door art. 7:617 BW toegestaan. Voor loonvorderingen als de onderhavige geldt een verjaringstermijn van vijf jaren (art. 3:307 BW). Appellant heeft zijn vorderingen binnen die termijn in rechte aanhangig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 juni 2007

Rolnummer 0600112

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. H. de Boer,

tegen

1. [naam 1] Kantoormeubelen v.o.f.,

2. [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

allen gevestigd, dan wel wonende te [vestigingsplaats/woonplaats],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk (in enkelvoud) te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr. P. R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 24 november 2005 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 februari 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van

8 maart 2006.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, tevens bevattende een wijziging van eis, luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

1.

te vernietigen het vonnis, onder zaak-/rolnr. 163143 CV EXPL 05-1402 op 24 november 2005 door de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel gewezen;

2.

geïntimeerden te veroordelen tot:

a.

een bedrag van € 2.288,86 aan brutosalaris over de maanden januari 2002 tot en met

31 oktober 2003, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf 1 november 2003, althans vanaf 30 juni 2003, althans vanaf de dag der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

b.

de vakantietoeslag van 8% over het onder 1 bedoelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf 1 november 2003, althans vanaf 30 juni 2005, althans vanaf de dag der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c.

de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW over het achterstallige salaris, te vermeerderen met de vakantietoeslag, zijnde 50% van € 2.471,97 bruto is € 1.235,99 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2003, althans vanaf 30 juni 2005, althans vanaf de dag der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

d.

een bedrag van € 5.005,27 (bruto), terzake van niet opgenomen ADV-dagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, zijnde 50% van

€ 5.005,27 bruto, derhalve in totaal € 7.507,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2003, althans vanaf de dag van der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3.

geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van het geding in eerste aanleg."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, waarvan de conclusie luidt:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.

te vernietigen het vonnis, onder zaak-/rolnr. 16143 CV EXPL 05-1402 op 24 november 2005 door de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel gewezen;

2.

geïntimeerden te veroordelen tot betaling van:

a.

een bedrag van € 2.471,97 aan brutosalaris over de maanden januari 2002 tot en met

31 oktober 2003, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf 1 november 2003, althans vanaf 30 juni 2003, althans vanaf de dag der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, zijnde 50% van € 2.471,97 bruto is

€ 1.235,99 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2003, althans vanaf 30 juni 2005, althans vanaf de dag der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

b.

een bedrag van € 5.005,27 (bruto), terzake van niet opgenomen ADV-dagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 12 BW, zijnde 50% van

€ 5.005,27 bruto, derhalve in totaal € 7.507,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2003, althans vanaf de dag van der appeldagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3.

geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van het geding in eerste aanleg."

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd, met als conclusie:

"het vonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel, d.d. 24 november 2005, waarvan beroep, onder verbetering van gronden te bekrachtigen en [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep;

In het (voorwaardelijk) incidenteel appel

Dat voorzover het Gerechtshof Leeuwarden zou oordelen dat vorderingen van

[appellant] voor toewijzing gereed liggen, het Gerechtshof Leeuwarden moge behagen het vonnis van de rechtbank Assen sector kanton, locatie Meppel d.d. 24 november 2005 te vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep."

Door [appellant] is een "memorie van antwoord in incidenteel appel" (met producties) genomen, met als conclusie:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens."

Vervolgens heeft [geïntimeerden] een "Akte uitlating produkties tevens overlegging produktie" genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel twee (ongenummerde) grieven opgeworpen, terwijl door [geïntimeerden] in het (voorwaardelijk) incidenteel appel één grief is voorgesteld.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. De weergave door de kantonrechter van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.3) in het vonnis waarvan beroep is noch door grieven noch anderszins bestreden, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

1.2 Het hof voegt hieraan nog toe dat de CAO's, die golden gedurende de periode dat [appellant] bij [geïntimeerden] in dienst is geweest, alle algemeen verbindend zijn verklaard.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] is van juni 2000 tot 1 november 2003 bij [geïntimeerden] in dienst geweest in de functie van filiaalmanager van het filiaal van [geïntimeerden] te Meppel. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Kantoorvakhandel van toepassing.

2.1 Stellende dat hem ten onrechte vanaf 1 april 2001 niet de jaarlijkse CAO-aanpassingen zijn uitbetaald, heeft [appellant] - kort gezegd - veroordeling gevorderd van [geïntimeerden] van achterstallig loon ten belope van € 2.288,96, vakantietoeslag en wettelijke verhoging ex art. 7:625 lid 1 BW, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts heeft [appellant] gesteld dat hij nog recht heeft op niet-uitbetaalde ADV-uren. In het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg is een vordering dienaangaande echter niet opgenomen.

2.2 Na door [geïntimeerden] gevoerd verweer heeft de kantonrechter [appellant] diens vorderingen integraal ontzegd.

3. [appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering ter zake van achterstallig loon en uitbetaling van ADV-dagen vermeerderd als in het petitum van de appeldagvaarding vermeld. [geïntimeerden] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt, zodat in hoger beroep zal worden uitgegaan van de vermeerderde vordering.

In het (voorwaardelijk) incidenteel appel

4. Het hof zal om redenen van proceseconomie eerst het incidenteel appel behandelen, ondanks het voorwaardelijk karakter ervan.

4.1 [geïntimeerden] beroept zich voor het eerst in hoger beroep, op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn vorderingen als oorspronkelijk eiser, omdat die vordering niet eerst ter behandeling is voorgelegd aan de bij CAO voor de Kantoorvakhandel ingestelde commissie van goede diensten (verder te noemen: de Vaste Commissie). Volgens de CAO zijn werkgever en/of werknemer, in geval van een gerezen geschil met betrekking tot deze CAO, verplicht dit geschil ter behandeling voor te leggen aan de Vaste Commissie en zullen zij de beslissing van de commissie afwachten, alvorens eventuele verdere stappen in rechte te ondernemen.

4.2 Dit betreft een exceptief verweer in de zin van art. 128 lid 3 Rv, dat niet voor het eerst in appel kan worden gevoerd. Het hof gaat dan ook aan dit verweer voorbij, zodat het gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn vorderingen reeds hierom strandt.

4.3 De grief faalt.

In het principaal appel

5. [geïntimeerden] heeft zich tegen de vorderingen van [appellant] verweerd, aanvoerende dat het salaris van [appellant] al ver boven de maximale CAO-salarisschaal uitkwam en dat tussen partijen is afgesproken dat [appellant] in verband met de verbouwing van zijn woning in plaats van uitbetaling van de CAO-verhogingen bepaalde artikelen voor inkoopsprijs c.q. om niet zou kunnen verkrijgen. Voorts betwist [geïntimeerden] dat [appellant] gedurende het dienstverband meer dan 38 uren per week heeft gewerkt.

Met betrekking tot de vordering ter zake van ADV-dagen

6. Volgens de CAO bedraagt de normale arbeidstijd 38 uren per week per periode van vier aansluitende weken. [appellant] heeft bij conclusie van repliek de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst overgelegd, waarin als werktijd is opgenomen "ca 40 uren per week". Op grond hiervan stelt [appellant] recht te hebben op uitbetaling van ADV-dagen.

6.1 [geïntimeerden] heeft reeds bij conclusie van antwoord een overzicht overgelegd waaruit blijkt van de door [appellant] gemiddeld gewerkte uren vanaf juni 2000. Zij stelt dit overzicht te hebben opgemaakt aan de hand van de door

[appellant] zelf opgegeven openingstijden van de showroom.

6.2 In hoger beroep heeft [appellant] zijn stelling gehandhaafd dat uit de arbeids-overeenkomst volgt dat hij 40 uur per week heeft gewerkt.

6.3 Naar het oordeel van het hof lag het, gelet op het door [geïntimeerden]h overgelegde, gespecificeerde, overzicht op de weg van [appellant] om zijn stelling ter zake de door hem daadwerkelijke gewerkte uren van een nadere onderbouwing te voorzien. [appellant] heeft dit nagelaten. De enkele verwijzing naar de tekst van het arbeidscontract is naar 's hofs oordeel onvoldoende.

6.4 De conclusie moet dan ook luiden dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Voor bewijslevering is derhalve geen plaats.

6.5 De vordering ter zake van vergoeding van ADV-dagen ligt derhalve voor afwijzing gereed.

Met betrekking tot de vordering ter zake achterstallig loon

7. In appel heeft [geïntimeerden] onder verwijzing naar het bepaalde in art. 7:621 lid 3 BW een beroep gedaan op verjaring van de vordering ter zake van het achter-stallig salaris. Dit beroep faalt. Het gaat hier immers niet om een vordering tot betaling van loon, omdat de voldoening ervan zou zijn geschied anders dan bij art. 7:620 BW is bepaald of omdat het loon in andere vorm zou zijn vastgesteld dan door art. 7:617 BW toegestaan.

7.1 Voor loonvorderingen als de onderhavige geldt een verjaringstermijn van vijf jaren (art. 3:307 BW). [appellant] heeft zijn vorderingen binnen die termijn in rechte aanhangig gemaakt.

8. De CAO's, zoals die golden ten tijde van het dienstverband tussen partijen, zijn algemeen verbindend verklaard en in die zin strekken zij partijen - in beginsel - tot wet, hetgeen met zich brengt dat het partijen niet zonder meer vrijstaat dwingende bepalingen in de CAO terzijde te stellen.

8.1 De CAO's voorzien in generieke salarisverhogingen, op welke verhogingen [appellant] aanspraak kan maken. Aan de stelling van [geïntimeerden] dat [appellant] geen recht heeft op de jaarlijkse loonsverhogingen omdat zijn ver boven de maximale CAO-salarisschaal uitreikt, komt onvoldoende gewicht toe. Immers, de CAO bepaalt dat salarissen boven de groepsmaxima ook met de overeengekomen percentages moeten worden verhoogd.

8.2 [geïntimeerden] heeft voorts aangevoerd dat tussen partijen met betrekking tot de hoogte van het salaris van de van de CAO afwijkende afspraken zijn gemaakt in die zin dat [appellant] door [geïntimeerden] in de gelegenheid is gesteld om tegen gereduceerde prijzen, c.q. om niet, goederen voor privé-gebruik te kopen.

[appellant] heeft het bestaan van deze afspraken ontkend.

8.3 Naar het oordeel van het hof is de door [geïntimeerden] gestelde afspraak omtrent inkoopfaciliteiten voor [appellant], wat van de geloofwaardigheid daarvan ook zij, onvoldoende bepaald. De afspraak ("tegen inkoopsprijs of om niet"; ter keuze van wie?) omlijnt immers de verplichtingen van de werkgever jegens de werknemer onvoldoende. [geïntimeerden] heeft haar stelling op dit punt derhalve onvoldoende onderbouwd. Om die reden is voor bewijslevering geen plaats.

9. Het salaris van [appellant] per 1 oktober 2001 bedroeg, naar tussen partijen vaststaat, € 2.139,21 bruto per maand. De CAO 2001 voorziet in een inkomensstijging per 1 oktober 2001 van 3,5% = € 74,87 bruto per maand.

Die verhoging is niet aan [appellant] betaald, zodat hem over het jaar 2001 derhalve nog toekomt 3 x € 74,87 = € 224,61 (bruto).

Per 1 januari 2002 kreeg [appellant] aan salaris uitbetaald € 2.145,83 (bruto), terwijl hij recht had op (€ 2.139,21 + € 74,87 =) € 2.214,08, een verschil derhalve van € 68,25 per maand. Tot 1 november 2002 - de datum waarop een nieuwe CAO is afgesloten - heeft [appellant] dan ook nog aanspraak op een bedrag van (10 x € 68,25 =) € 682,50 (bruto).

Volgens de per 1 november 2002 geldende CAO bedroeg de loonsverhoging 3,4%. Het salaris van [appellant] zou dan ook ingaande 1 november 2002

€ 2.289,36 moeten bedragen. Hij bleef sindsdien echter ontvangen € 2.145,83,

een verschil van € 143,53. Tot 1 juli 2003 komt [appellant] dan ook nog een bedrag van (8 x € 143,53 =) € 1.148,23 (bruto) toe.

Vanaf 1 juli 2003 tot 1 november 2003 is aan [appellant] € 2.167,-- (bruto) per maand aan salaris betaald, terwijl hij recht had op € 2.289,36 (bruto); een verschil derhalve van € 122,36. Over laatstbedoelde periode heeft [appellant] aanspraak op (4 x € 122,36 =) € 489,44 (bruto).

9.1 Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering ter zake van achterstallig loon, berekend met inachtneming van de generieke loonsverhogingen, € 224,61 +

€ 682,50 + € 1.148,23 + € 489,44 = totaal € 2.544,78 (bruto) bedraagt. [appellant] vordert echter blijkens de conclusie van de memorie van grieven aan achterstallig loon (inclusief 8% vakantietoeslag) € 2.471,97 (bruto). Laatstgenoemd bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg.

9.2 [appellant] heeft voorts gevorderd veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 lid 1 BW van 50%. In de omstandig-heden van het geval ziet het hof aanleiding deze wettelijke verhoging te matigen en wel tot 10% van het toe te wijzen bedrag aan achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag. Voor toewijzing van wettelijke rente over de wettelijke verhoging is geen plaats.

10. De door [appellant] opgeworden grieven slagen deels.

Slotsom

11. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd.

Opnieuw rechtdoende zullen de vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen als hierna te melden.

In de omstandigheid dat de vorderingen van [appellant] slechts deels toewijsbaar zijn, vindt het hof aanleiding de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in na te melden vorm te compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 24 november 2005 waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellant] te betalen:

-ter zake van achterstallig loon inclusief 8% vakantietoeslag € 2.471,97 (bruto);

-de wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2005 tot de dag der voldoening;

-ter zake van wettelijke verhoging € 247,20;

compenseert de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aldus dat partijen ieder met de eigen kosten belast blijven;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Hidma, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 juni 2007.