Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7533

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
BK 73/06 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of aan de onderliggende arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en D B.V. voldoende zelfstandige betekenis toekomt om D B.V. als buitenlandse werkgever aan te merken, ten gevolge waarvan belanghebbende zijn arbeid niet uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland gevestigde werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 73/06

Uitspraakdatum: 15 juni 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1064 van de rechtbank Leeuwarden van 17 mei 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2004 aan belanghebbende over het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.176,--, conform de aangifte van belanghebbende.

1.2 Nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen voormelde aanslag heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 26 mei 2005 de aanslag verminderd met een bedrag van € 820,-- aan zeedagenaftrek zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning € 43.356,-- bedraagt. Voorts heeft de inspecteur aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend over € 40.114,--. Het verzoek om vrijstelling van betaling van premie volksverzekeringen heeft de inspecteur afgewezen.

1.3 Bij uitspraak van 17 mei 2006, verzonden op 19 mei 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlage) dat op 23 juni 2006 bij het hof is ingekomen. De motivering van het beroepschrift en de machtiging zijn binnengekomen op 4 augustus 2006.

1.5 De inspecteur heeft op 21 september 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.6 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2007. Aldaar zijn verschenen namens de inspecteur de heer mr. A en mevrouw mr. B. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met een daartoe strekkend bericht, niet verschenen.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende, geboren in 19.., was het gehele jaar ongehuwd en woonachtig in Nederland.

2.2 Gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 was belanghebbende in dienstbetrekking bij C B.V. te L. Zijn loon over januari 2003 bedroeg € 3.242,--. Het loon over februari 2003 tot en met december 2003 bedroeg

€ 40.934,--, zodat het totale inkomen uit deze dienstbetrekking € 44.176,-- bedroeg.

2.3 Belanghebbende heeft van 18 februari tot en met 31 december 2003 in het kader van zijn dienstbetrekking uitsluitend werkzaamheden in Kazachstan verricht.

2.4 Belanghebbende heeft met C B.V. een individuele arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, welke arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt als "bovenliggende arbeidsovereenkomst".

2.5 Gelijktijdig met de onder 2.4 vermelde bovenliggende arbeidsovereenkomst heeft belanghebbende met D B.V. (hierna: D B.V.) een arbeidsovereenkomst gesloten, welke wordt aangemerkt als "onderliggende arbeidsovereenkomst".

2.6 In de met C B.V. afgesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn onder andere de volgende passages opgenomen:

"C sluit voor de uitvoering van de werkzaamheden arbeidscontracten met individuele medewerkers, waarbij het mogelijk is dat de betrokken medewerkers contractueel ondergebracht worden bij dochterondernemingen, aanverwante bedrijven en eventueel buitenlandse vennootschappen (bijvoorbeeld "D B.V."). In de verhouding tussen betrokken medewerkers en C prevaleert immer de bepalingen uit de individuele arbeidsovereenkomst tussen C en de medewerker boven de arbeidsovereenkomst tussen betrokken medewerker en de betreffende vennootschap.

Beide partijen kunnen nimmer rechten ontlenen aan onderliggende overeenkomst.

Artikel 1

lid 1

lid 2 Medewerker sluit een arbeidsovereenkomst met "D B.V.", welke arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt als onderliggende overeenkomst.

lid 3 Medewerker is op de hoogte van het feit dat de in lid 2 genoemde overeenkomst slechts wordt gesloten vanwege administratief technische redenen en locale juridische regelgeving te Kazachstan.

lid 4 Wanneer bepalingen uit de onderliggende overeenkomst strijdig zijn met de bovenliggende overeenkomst zijn te alle tijden de bepalingen uit bovenliggende overeenkomst van kracht."

lid 5 Bij beëindiging van de bovenliggende overeenkomst, om welke grond dan ook, eindigt tevens van rechtswege de onderliggende overeenkomst, welke uit dien hoofde tussen partijen altijd is aan te merken als een overeenkomst voor bepaalde tijd, te weten de tijd die de bovenliggende overeenkomst duurt.

Artikel 13

lid 1 Bij geschillen omtrent de Engelse en Russische vertalingen van dit contract en het supplement prevaleert het contract in de Nederlandse taal, dit geldt eveneens voor de onderliggende overeenkomst.

lid 2 Bij geschillen tussen partijen wordt Nederlands recht van toepassing verklaard en is de Rechtbank te Groningen bevoegd kennis te nemen van het geschil. Dit geldt eveneens voor de onderliggende arbeidsovereenkomst."

2.7 Belanghebbende heeft zijn salaris genoten van C B.V.

C B.V. heeft het op belanghebbende betrekking hebbende salaris doorbelast aan D B.V.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of aan de onderliggende arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en D B.V. voldoende zelfstandige betekenis toekomt om D B.V. als buitenlandse werkgever aan te merken, ten gevolge waarvan belanghebbende zijn arbeid niet uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland gevestigde werkgever. Niet in geschil is dat in dat geval ingevolge artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (: het BUB) belanghebbende niet verzekerd is op grond van de volksverzekeringen.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van premies volksverzekeringen over de periode dat hij in Kazachstan werkzaam was, omdat hij (mede) een arbeidsovereenkomst is aangegaan met een buitenlandse werkgever, D B.V.

Belanghebbende kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank en voert hiertoe aan dat uit het feit dat hij zijn werkzaamheden heeft verricht in Kazachstan reeds blijkt dat de arbeid (mede) werd verricht uit hoofde van de dienstbetrekking met de in Kazachstan gevestigde werkgever. Voorts stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte het tussen belanghebbende en D B.V. gesloten contract niet in haar beschouwingen heeft betrokken.

Concluderend verzoekt belanghebbende het aantal premiedagen op grond van artikel 12 van het BUB te bepalen op 47 en de premie volksverzekeringen te stellen op 47/360 maal € 9.073,-- ofwel € 1.184,--.

3.3 De inspecteur is van opvatting dat belanghebbende uitsluitend in dienstbetrekking stond tot een Nederlandse werkgever, C B.V. en derhalve niet is uitgesloten van de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen. De inspecteur stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de overeenkomst tussen belanghebbende en C B.V. prevaleert boven de overeenkomst tussen belanghebbende en D B.V.

De inspecteur verzoekt het beroep van belanghebbende ongegrond te verklaren.

3.4 Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 12 lid 1 van het BUB luidt: "1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever."

4.2 Op grond van de feiten en op basis van de stukken is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat aan de onderliggende arbeidsovereenkomst met D B.V. voor de toepassing van artikel 12 BUB geen zelfstandige betekenis toekomt, nu uit de - hiervoor onder 2.6 aangehaalde - bepalingen van de bovenliggende arbeidsovereenkomst met C B.V. onder meer blijkt dat de onderliggende arbeidsovereenkomst slechts is gesloten vanwege administratief-technische redenen en locale juridische regelgeving te Kazachstan, de werknemer aan deze onderliggende overeenkomst geen rechten kan ontlenen, en deze bovenliggende arbeidsovereenkomst steeds prevaleert.

4.3 Anders dan belanghebbende stelt volgt naar het oordeel van het hof uit de enkele omstandigheid dat belanghebbende arbeid heeft verricht in Kazachstan, niet dat deze arbeid (mede) werd verricht uit hoofde van een in Kazachstan gevestigde werkgever. Het hof overweegt hierbij dat belanghebbende omtrent de aard van de werkzaamheden in Kazachstan, en de wijze waarop deze werden verricht, niets heeft verklaard.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de arbeid in Kazachstan uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever. De inspecteur heeft derhalve terecht het verzoek om vrijstelling van betaling van premie volksverzekeringen afgewezen. Het hof wijst nog op het gestelde in de Nota van Toelichting behorend bij het Koninklijk Besluit van 24 december 1998 waarbij artikel 12 van het BUB is gewijzigd:

"Ingezetenen die buiten Nederland werkzaamheden in dienstbetrekking gaan verrichten, maar die een nauwe band met Nederland blijven behouden, dienen verzekerd te blijven voor de volksverzekeringen. Gebleken is namelijk, dat personen die uitsluitend in het buitenland - afgezien van EU-/EER- of verdragslanden - werkzaamheden in loondienst verrichten meestal in het geheel niet dan wel zeer gebrekkig verzekerd zijn krachtens het aldaar geldende socialezekerheidsstelsel. Vaak ook werken de desbetreffende personen op zee (baggeraars, zeelieden) en vallen dan onder de socialeverzekeringswetgeving van geen enkel land. Voorts, als er al sprake is van een sociale verzekering elders, zal deze gezien de aard van de te verrichten werkzaamheden zeer versnipperd zijn. Derhalve is de sociale bescherming van de desbetreffende groep Nederlands ingezetenen gediend met een voortgezette dekking voor de risico's, waarvoor de volksverzekeringen bescherming bieden".

4.5 Eventuele tegenstrijdigheden tussen de bovenliggende en de onderliggende overeenkomst geven geen reden anders te oordelen en nu ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld en aannemelijk geworden op grond waarvan het hof thans tot een andersluidend oordeel dient te komen, is het hoger beroep ongegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 15 juni 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer en mr. G.W.B. van Westen, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 20 juni 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.