Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7115

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
BK 70/06 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 06/00070

Uitspraakdatum: 8 juni 2007

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/kantoor Heerenveen, de inspecteur

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1756 van de rechtbank Leeuwarden van 17 mei 2006 in het geding tussen

X B.V.

gevestigd te Z, belanghebbende,

vertegenwoordigd door de heer A

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2005 aan de belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Het nageheven belastingbedrag bedraagt € 7.807,--. Tevens is een boete opgelegd van € 1.698,--.

De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag alsmede de opgelegde boete. Bij uitspraak van 26 augustus 2005 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 1.007,--.

Bij uitspraak van 17 mei 2006, verzonden op 18 mei 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) onder handhaving van de naheffingsaanslag loonbelasting het namens belanghebbende tegen de opgelegde boete ingestelde beroep gegrond verklaard en de boetebeschikking vernietigd.

Tegen het gedeelte van deze uitspraak dat betrekking heeft op het vernietigen van de boetebeschikking is namens de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 20 juni 2006, bij het hof ingekomen op 22 juni 2006.

De belanghebbende heeft op 21 augustus 2006 een verweerschrift ingediend, bij het hof ingekomen op 22 augustus 2006.

De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2007.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende, in de persoon van haar bestuurder A, alsmede namens de inspecteur B.

De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Belanghebbende heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten. Tevens heeft de vertegenwoordiger van belanghebbende zonder bezwaar van de inspecteur een brief voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende heeft in ieder geval vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 aan haar directeur/aandeelhouder (hierna: de werknemer) een jaarlijkse vergoeding gegeven ter zake van het gebruik van een werkruimte in diens eigen woning. De werknemer heeft buitenshuis geen werkruimte ter beschikking, terwijl hij zijn arbeidsinkomen voor 70 procent of meer in of vanuit de gereleveerde werkruimte verdient, en tevens zijn arbeidsinkomen voor 30 procent of meer in die werkruimte verdient. Bij het bepalen van de omvang van de bedoelde vergoeding heeft de belanghebbende niet de normering van 20 procent van de - van de WOZ-waarde afgeleide - huurwaarde toegepast, zoals voorgeschreven in artikel 31 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

2.2 Bij een in het jaar 2004 ingesteld boekenonderzoek is - onder meer - de onder 2.1 vermelde onjuistheid geconstateerd. Dit heeft voor het onderhavige tijdvak geleid tot een correctie van € 4.027,--.

2.3 De inspecteur heeft, overeenkomstig de inhoud van een tweetal tussen belanghebbende en de inspecteur op respectievelijk 17 en 22 december 2004 gesloten schriftelijke vaststellingsovereenkomsten, de hiervoor onder 1 bedoelde naheffingsaanslag opgelegd met een vergrijpboete van 25 percent.

2.4 In bezwaar is de boete verminderd tot € 1.007,--, zijnde uitsluitend de boete van 25 procent over de nageheven belasting met betrekking tot de kostenvergoedingen aan de werknemer verstrekt voor de terbeschikkingstelling van een werkkamer in diens eigen woning.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

3.2 De inspecteur is op gronden, gelijk vervat in de van hem afkomstige gedingstukken, van mening dat bij de belanghebbende als inhoudingsplichtige de verantwoordelijkheid ligt om tot een juiste afdracht te komen. Nu eerst met ingang van 2001 door de werknemer gebruik wordt gemaakt van een nieuwe kantoorruimte welke tot zijn privé vermogen behoort, en dientengevolge vanaf 2001 een vergoeding wordt verstrekt voor het gebruik van die kantoorruimte, ligt het op de weg van de inhoudingsplichtige zich te informeren over de gevolgen daarvan voor de loonheffing. In de handleiding loonheffing, die jaarlijks aan iedere inhoudingsplichtige wordt toegestuurd, wordt terzake informatie aan de inhoudingsplichtige verstrekt. Door zich niet te vergewissen van de gevolgen voor de loonbelasting heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat gesproken kan worden van grove schuld. Een vergrijpboete van 25% is dan ook terecht opgelegd.

3.3 Belanghebbende heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in de van haar afkomstige gedingstukken, het standpunt ingenomen dat er geen opzet respectievelijk grove schuld aan de door haar gevolgde handelwijze ten grondslag ligt. Zij was niet op de hoogte van de bedoelde normeringen en heeft dit fiscale aspect ook nimmer met haar accountant besproken. Uitsluitend is beoordeeld of de vastgestelde vergoeding binnen een redelijke term van vergoeding viel als zijnde een tegemoetkoming in de vaste kosten. Nooit is bedoeld de fiscus te kort te doen.

3.4 Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat, onder verwijzing naar de omstandigheid dat het gaat om een per 1 januari 2001 nieuw ingevoerde regeling, er voor belanghebbende geen reden bestond om aan de fiscale aanvaardbaarheid van de adviezen van haar accountant te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er niet in geslaagd grove schuld aan de zijde van belanghebbende aannemelijk te maken.

4.2 Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank aldus een onjuiste maatstaf gehanteerd. Weliswaar is de normering van artikel 31 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 van kracht geworden met ingang van 1 januari 2001, maar voor belanghebbende is dit niet een nieuwe regeling van toepassing op een bestaande situatie, maar een regeling van toepassing op een nieuwe situatie.

4.3 Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende eerst met ingang van 2001 een kostenvergoeding heeft verstrekt aan haar werknemer voor het gebruik van kantoorruimte in diens eigen woning, mag worden verwacht dat belanghebbende zich op dat moment informeert over de fiscale gevolgen en toepasselijke wettelijke regelingen. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien wordt in de jaarlijks aan inhoudingsplichtigen verstrekte handleiding loonheffing - naar de inspecteur onvoldoende weersproken heeft gesteld - informatie hierover aan de inhoudingsplichtigen verstrekt. Dat belanghebbendes bestuurder zich niet kan herinneren deze handleiding ontvangen te hebben - wat hier ook van zij -, betekent niet dat belanghebbende ontslagen is van haar vorenbedoelde onderzoeksplicht.

4.4 Naar het oordeel van het hof is gelet op vorenoverwogene te deze sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, zodat gesproken kan worden van grove schuld in de zin van artikel 67f van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

4.5 Onder vorenvermelde omstandigheden is het hof van oordeel dat een door de inspecteur gehanteerde boete van 25% niet een redelijke verhouding tot de nageheven belasting te buiten gaat. Ook niet als in ogenschouw wordt genomen belanghebbendes onberispelijke staat van dienst. Het hof acht de boete dan ook passend en geboden.

4.6 De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 8 juni 2007 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en dr. C.L. van Lindonk, raadsheren-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 13 april 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.