Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6749

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
0600241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval staat vast dat ingevolge de gewraakte verdeling de woning. c.a., met daarop een aanzienlijke overwaarde, aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld. Voorts is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geen hoofdelijkheidsclausule (zogenaamde Dozy-clausule) zijn overeengekomen. Als gevolg hiervan kan appellant voor zijn vordering geen verhaal meer zoeken op de woning c.a., of hooguit nog voor de helft in het geval zijn vordering, zoals hij stelt maar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten, voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is ontstaan (artikel 1: 102 BW). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben niet gesteld dat het overige vermogen van [geïntimeerde 1] (inclusief het aan hem toegedeelde deel van de huwelijksgoederengemeenschap) een zodanige omvang en samenstelling heeft dat [appellant] door uitwinning daarvan in dezelfde positie zou kunnen komen verkeren als in de situatie waarin hij zich op de woning c.a. zou hebben kunnen verhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 juni 2007

Rolnummer 0600241

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.H. van der Wal,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

procureur: mr. J.H. van der Meulen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 30 maart 2005 en 22 februari 2006 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 17 mei 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 22 februari 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tegen de zitting van 31 mei 2006.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende de vermeerdering van eis, luidt:

"bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de Rechtbank Groningen, gewezen op 22 februari 2006 onder zaak/rolnummer 77044/ HA ZA 05-108, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

Primair

a. te verklaren voor recht dat de rechtshandeling strekkende tot de overdracht van een onverdeeld aandeel op de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie AC, nr. 259 tussen geïntimeerden is vernietigd,

subsidiair

b. de rechtshandeling strekkende tot de overdracht van een onverdeeld aandeel op de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie AC, nr. 259 tussen geïntimeerden te vernietigen;

primair en subsidiair

c. geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan appellant van het resterende bedrag ad

€ 183.044,42 vermeerderd met 5% rente vanaf 4 maart 2004 tot en met 11 januari 2005 en de wettelijke rente vanaf 12 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

d. geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan appellant van het bedrag ad € 22.450,-- vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van indienen van deze eis tot aan de dag der algehele voldoening;

e. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het beslag, middels veroordeling, tot betaling aan appellant van het bedrag ad. € 440,09;

f. geïntimeerden bij arrest uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verweer gevoerd met als conclusie:

"tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn beroep, tot verwerping van dat beroep en tot bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties."

Voorts heeft [appellant] een akte genomen en hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een akte genomen. Vervolgens heeft [appellant] wederom een akte, houdende vermindering van eis, genomen en hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.10) van genoemd vonnis is geen van partijen opgekomen, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Partijen twisten in hoofdzaak over het antwoord op de vraag of de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 19 december 2003, waarbij aan [geïntimeerde 2] werd toegedeeld de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning c.a.), voor [appellant] vernietigbaar is op grond van artikel 3: 45 BW (de Pauliana).

3. Voor een succesvol beroep op de Pauliana is vereist:

a. een door een schuldenaar onverplicht aangegane rechtshandeling;

b. waardoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld;

c. wetenschap (weten of behoren te weten) van die benadeling bij de schuldenaar ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling;

en, uitsluitend bij een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht:

d. wetenschap (weten of behoren te weten) van de benadeling bij degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte.

4. De artikelen 3: 46 en 3: 47 BW geven daarbij enkele bewijsvermoedens ten aanzien van de wetenschap van benadeling, in het geval de rechtshandeling is verricht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond. Tussen partijen staat evenwel vast dat aan laatstbedoelde voorwaarde in het onderhavige geval niet is voldaan.

5. De rechtbank heeft in r.o. 5.2 van het bestreden vonnis het beroep op de Pauliana verworpen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, samengevat, dat voor het inroepen van de vernietigingsgrond ex artikel 3: 45 BW is vereist dat [geïntimeerde 1] ten tijde van de rechtshandeling op 19 december 2003 als "schuldenaar" van [appellant] kon worden aangemerkt en dat hieraan niet is voldaan, omdat [geïntimeerde 1] eerst tot schuldenaar van [appellant] is gemaakt door de schuldbekentenis van maart 2004.

6. Hiertegen keert zich grief I.

7. De grief slaagt. Uit het slot van het eerste lid van artikel 3: 45 BW blijkt immers dat het voor een beroep op dit artikel niet uitmaakt of de vordering van de benadeelde schuldeiser vóór of na de rechtshandeling is ontstaan. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] op enig moment schuldeiser van [geïntimeerde 1] is geworden en hij dit nog was ten tijde van het inroepen van de vernietiging, is in zoverre aan de eisen van artikel 3: 45 BW voldaan.

8. Of, zoals in de toelichting op de grief wordt betoogd, [geïntimeerde 1] reeds ten tijde van de gewraakte verdeling uit hoofde van onrechtmatige daad schuldenaar was van [appellant] en het aangaan van de schuldbekentenis niet meer dan een erkenning daarvan inhield, kan derhalve in het midden blijven.

9. Het slagen van de grief brengt mee dat het hof thans heeft te beoordelen of aan de overige vereisten voor een succesvol beroep op artikel 3: 45 BW is voldaan, waarbij het hof, ingevolge de devolutieve werking van het appel, mede zal hebben te oordelen over alle ter zake door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in eerste aanleg gevoerde, maar niet behandelde of verworpen verweren, voor zover deze in hoger beroep niet zijn prijsgegeven.

10. Door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is erkend, althans niet betwist, dat de door hen aangegane verdeling, waarbij de woning c.a. aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld, als een onverplicht verrichte rechtshandeling in de zin van artikel 3: 45 BW moet worden aangemerkt, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Aan het hiervoor onder (a) geformuleerde vereiste is daarmee voldaan.

11. Hiermee komt het hof toe aan de vraag of aan het hiervoor sub (b) vermelde vereiste van benadeling is voldaan.

12. Het hof stelt voorop, dat de benadeling van de schuldeiser als bedoeld in art. 3: 45 BW aanwezig moet zijn op het tijdstip waarop deze zijn rechten doet gelden. Indien, zoals in het onderhavige geval, in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 3: 45 BW, is het met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist. De vraag of benadeling aanwezig is op het moment waarop de rechter over de vordering beslist, moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeiser zou hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin hij feitelijk verkeert als die handeling onaangetast blijft (vergl. HR 22 september 1995, NJ 1996/706 en HR 19 oktober 2001, NJ 2001/654).

13. In het onderhavige geval staat vast dat ingevolge de gewraakte verdeling de woning. c.a., met daarop een aanzienlijke overwaarde, aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld. Voorts is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geen hoofdelijkheidsclausule (zogenaamde Dozy-clausule) zijn overeengekomen.

13.1. Als gevolg hiervan kan [appellant] voor zijn vordering geen verhaal meer zoeken op de woning c.a., of hooguit nog voor de helft in het geval zijn vordering, zoals hij stelt maar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten, voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is ontstaan (artikel 1: 102 BW).

13.2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben niet gesteld dat het overige vermogen van [geïntimeerde 1] (inclusief het aan hem toegedeelde deel van de huwelijksgoederengemeenschap) een zodanige omvang en samenstelling heeft dat [appellant] door uitwinning daarvan in dezelfde positie zou kunnen komen verkeren als in de situatie waarin hij zich op de woning c.a. zou hebben kunnen verhalen.

13.3. Meer in het bijzonder is door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet aangevoerd dat de in het kader van de verdeling aan [geïntimeerde 1] toegedeelde goederen, te weten: de aandelen in de besloten vennootschap Elz-Hold B.V., de inboedel van de makelaardij, de goederen behorende bij de onderneming, diverse banksaldi en een auto een gelijke waarde hebben als de woning c.a., zodat een verdeling bij helfte heeft plaatsgevonden. In tegendeel: de stelling van [appellant] dat de waarde van een en ander nihil was, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onvoldoende gemotiveerd weersproken, mede in het licht van de door [appellant] overgelegde uittreksels uit het handelsregister, waarin staat aangetekend dat Elz-Hold B.V. en [naam geïntimeerde 1 ] Makelaardij B.V. per 1 april 2006 zijn opgeheven, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn.

13.4. Feitelijk hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ook niet ontkend dat de gewraakte verdeling tot benadeling van [appellant] heeft geleid. Zij hebben slechts aangevoerd dat [appellant] (toch) niet zou zijn benadeeld, omdat [geïntimeerde 1] in de schuldbekentenis van 4 maart 2004 tot zekerheid van de betaling van de schuld een onroerende zaak te [plaats] aan [appellant] in pand zou hebben gegeven. Hiertegenover heeft [appellant] aangevoerd dat het pandrecht een lege huls is, aangezien een onroerende zaak niet in pand kan worden gegeven en [geïntimeerde 1] bovendien geen eigenaar bleek te zijn van de onroerende zaak. Nu het pandrecht op een registergoed juridisch onbestaanbaar is en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daar niets wezenlijks meer tegenover hebben gesteld, zal het hof hieraan voorbijgaan.

14. Uit het voorgaande volgt dat ook aan het benadelingvereiste als hiervoor onder (b) omschreven is voldaan.

15. Het hof overweegt voorts dat door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet is aangevoerd dat zij ten tijde van de verdeling gedwaald hebben omtrent de waarde van de over en weer toegedeelde goederen. Dit betekent dat voor hen beiden duidelijk is geweest dat [geïntimeerde 2] door toedeling aan haar van de woning c.a. in aanzienlijke mate werd overbedeeld ten opzichte van [geïntimeerde 1] en dus dat de verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers van [geïntimeerde 1] navenant afnamen (zie hierboven). Daarmee staat vast dat beide echtelieden ten tijde van de verdeling hebben geweten of hebben behoren te weten dat benadeling van schuldeisers van [geïntimeerde 1] daarvan het gevolg zou zijn. Daarmee is ook aan het bekendheidsvereiste onder (c) en (d) voldaan en kan in het midden blijven of de gewraakte rechtshandeling als een rechtshandeling om niet moet worden aangemerkt, zoals door [appellant] is betoogd en door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is betwist .

16. Nu vaststaat dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet in de vernietiging hebben berust, is de primaire vordering om voor recht te verklaren dat, kort gezegd, de gewraakte rechtshandeling (lees: buiten rechte) is vernietigd, gelet op artikel 3: 50 lid 2 BW niet toewijsbaar.

17. De subsidiaire vordering tot vernietiging van bedoelde rechtshandeling is op grond van het vorenstaande wel toewijsbaar. Het hof begrijpt deze vordering overigens aldus dat vernietiging gevorderd wordt van de op 19 december 2003 tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overeengekomen verdeling van de tussen hen bestaan hebbende huwelijksgoederen-gemeenschap, voor zover daarbij aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend Gemeente [gemeente], sectie AC, nummer 259.

Grief II

18. [appellant] heeft het hoger beroep benut om zijn eis te vermeerderen met een vordering tot betaling van € 22.450,00 vermeerderd met rente, welke vordering hij vervolgens bij akte heeft verminderd tot € 9.950,00 vermeerderd met rente. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben tegen de eisvermeerdering geen bezwaar aangevoerd, terwijl het hof ook ambtshalve geen aanleiding ziet deze als strijdig met de goede procesorde aan te merken. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

19. De hiervoor bedoelde vordering heeft betrekking op het volgende. In het kader van de door [appellant] aan [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V. verstrekte opdracht om aan hem ([appellant]) toebehorend melkquotum te verkopen, heeft [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V. onder andere, voor een prijs van € 32.550,00, 20.000 kg melkquotum verkocht aan [betrokkene 1] uit [woonplaats], die daarbij werd vertegenwoordigd door [betrokkene 2]. Bedoelde 20.000 kg kon echter niet aan [betrokkene 1] geleverd worden, omdat het totale quotum van [appellant] daartoe niet meer toereikend was. [geïntimeerde 1] heeft erkend dat hij zich hierin verrekend heeft. [betrokkene 1] had wel reeds de koopsom op de rekening van [geïntimeerde 1] Makelaardij gestort en [geïntimeerde 1] Makelaardij heeft dat bedrag noch aan [appellant] noch aan [betrokkene 1] overgemaakt.

20. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde 1] als verweer tegen de vordering van [appellant] tot betaling van € 183.044,42 (het restant van de schuldbekentenis) aangevoerd dat op deze vordering genoemd bedrag van € 32.550,00 in mindering moet worden gebracht, omdat 20.000 kg niet beschikbaar was voor de verkoop. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en daartoe overwogen dat (a) het bedrag van € 300.000,00 waarvoor [geïntimeerde 1] zich in persoon schuldig heeft verklaard zag op de gehele verkoopopbrengst en derhalve mede op de transactie met [betrokkene 1], (b) [appellant] als verkoper de wederpartij van [betrokkene 1] was en hij door laatstgenoemde op die grond kan worden aangesproken tot terugbetaling van de koopsom en (c) [betrokkene 1] dit ook daadwerkelijk heeft gedaan: aldus rechtsoverweging 5.3 van het vonnis, waartegen geen grief is aangevoerd.

21. Thans vordert [appellant] betaling door (naar het hof begrijpt:) [geïntimeerde 1] van € 9.950,00 vermeerderd met rente, stellende dat als gevolg van het niet doorgaan van de transactie door [betrokkene 1]/[betrokkene 2] schade is geleden, door onder andere de aanschaf van vervangend melkquotum. [appellant] stelt voorts dat [betrokkene 1] "zijn vordering" (naar het hof begrijpt: zowel die tot terugbetaling van de koopsom als die tot schadevergoeding) aan [betrokkene 2] heeft gecedeerd en dat [appellant] met [betrokkene 2] een schikking heeft getroffen, uit hoofde waarvan hij € 42.500,00 aan [betrokkene 2] moet betalen. Nu [geïntimeerde 1] reeds is veroordeeld tot betaling van € 32.550,00, vordert [appellant] thans nog betaling van het verschil ad € 9.950,00.

22. [geïntimeerde 1] heeft ter afwering van de vordering primair aangevoerd dat [appellant] de verkeerde partij aanspreekt omdat, zo al een verplichting tot schadevergoeding zou bestaan, deze enkel zou rusten op [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V. en niet op [geïntimeerde 1] in persoon.

23. Dit verweer slaagt. Het hof overweegt daartoe dat, waar vast staat dat de opdracht tot verkoop van melkquotum is verstrekt aan [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V., een eventuele vordering tot schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortkomen tegen die partij moet worden ingesteld. De stelling van [appellant] sub 34 van de memorie van grieven dat [geïntimeerde 1] wanprestatie heeft gepleegd kan dan ook niet worden gevolgd.

24. De vervolgens door [appellant] in zijn akte van 3 januari 2007 aangevoerde nieuwe grondslag voor de vordering, namelijk dat het gevorderde bedrag ook zou vallen onder de door [geïntimeerde 1] getekende schuldbekentenis, is door [geïntimeerde 1] betwist.

25. Het hof overweegt dat in de handgeschreven schuldbekentenis van 2 maart 2004 (zoals door de rechtbank geciteerd in r.o. 2.6) [geïntimeerde 1] verklaart, zakelijk weergegeven, dat zonder toestemming van [appellant] een bedrag van € 300.000,00 van de derdengeldrekening van [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V. is overschreven "naar de Ukraine" en dat [geïntimeerde 1] dit bedrag persoonlijk schuldig is aan [appellant]. In de daarop volgende, getypte, schuldbekentenis van 4 maart 2004 wordt wederom gesproken over het bedrag van € 300.000,00.

26. De tekst van deze beide schuldbekentenissen geven geen enkele steun voor de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 1], naast de erkenning van een persoonlijke verplichting tot de (terug)betaling van het bedrag van € 300.000,00, dat door kopers (waaronder [betrokkene 1]) als koopsommen was overgemaakt naar [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V. en dat via die B.V. en Elz-Hold B.V. is doorgesluisd naar een onderneming in de Oekraïne, zich ook heeft verplicht tot vergoeding van eventuele schade als gevolg van mogelijke tekortkomingen van [geïntimeerde 1] Makelaardij B.V in de uitvoering van de overeenkomst. Dat en waarom de schuldbekentenis toch zo zou moeten worden uitgelegd, of waaruit anderszins zou volgen dat partijen dit toch zijn overeengekomen, heeft [appellant] niet onderbouwd.

27. De grief faalt en de betreffende vordering zal worden afgewezen.

28. Grief III klaagt over de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren en (naar het hof begrijpt:) het niet toewijzen van de gevorderde beslagkosten.

Nu hiervoor de in eerste aanleg door [appellant] ingestelde vorderingen in overwegende mate toewijsbaar zijn gebleken, moeten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt en daarom in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Voorts dienen zij de kosten van het, rechtmatig gelegde, beslag te dragen. Mitsdien slaagt de grief.

De slotsom

29. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd in zoverre de vordering tot vernietiging van de verdeling en de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proces- en beslagkosten niet zijn toegewezen en deze vorderingen zullen alsnog worden toegewezen.

30. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zullen als de in het hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het appel.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 22 februari 2006, waarvan beroep, doch uitsluitend in zoverre de hierna omschreven vorderingen zijn afgewezen

en opnieuw rechtdoende:

vernietigt de tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 19 december 2003 overeengekomen verdeling van de tussen hen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap voor zover daarbij aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend Gemeente [gemeente], sectie AC, nummer 259;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van het gelegde beslag ad € 440,09;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

op € 4.110,60 aan verschotten en € 3.553,00 (2 ½ punten, tarief V, aan salaris voor de procureur,

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

op € 5.918,87 aan verschotten en € 5.264,00 (2 punten, tarief V) aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Zandbergen en Janse, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 juni 2007.