Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6551

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
BK 30/06 Vermogensbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BJ8465, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ8465
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen (de nummering van de overwegingen van de rechtbank is door het hof gewijzigd en eiser is veranderd in belanghebbende en verweerder in inspecteur):

"In artikel 16, derde lid, AWR is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van het bepaalde in art. 16, vierde lid, AWR, zoals dat geldt met ingang van 8 juni 1991, is bepaald dat de termijn van vijf jaar wordt verlengd tot 12 jaar 'indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen'. Aangezien het hier in geschil zijnde vermogensbestanddeel de beweerdelijke in Zwitserland, als het bestaan daarvan in 1992 zou komen vast te staan, aangehouden bankrekening is, is, naar het oordeel van de rechtbank, in het onderhavige geval de verlengde navorderingstermijn van art. 16, vierde lid, AWR van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/46.1.1
FutD 2007-1058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 30/06

Uitspraakdatum: 1 juni 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1529 van de rechtbank Leeuwarden van 20 maart 2006 in het geding tussen

X, wonende te Z, belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd onder nummer 0000.00.000.K.38

(dagtekening 8 november 2004) met een bedrag aan vermogensbelasting van f 15.520,- en een verhoging van eveneens f 15.520,-.

1.2 Na een daartegen tijdig ingediend bezwaarschrift heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2005 het bezwaar afgewezen.

1.3 Bij uitspraak van 20 maart 2006, verzonden op 21 maart 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslag met verhoging vernietigd.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 27 maart 2006 (met bijlagen), bij het hof ingekomen op 28 maart 2006 en aangevuld bij brief (met bijlagen), ingekomen op 25 september 2006.

Belanghebbende heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, ingekomen op 20 november 2006.

De inspecteur heeft op 13 april 2007 nog een nadere productie (met bijlagen) ingediend, waarvan afschrift is gezonden aan belanghebbende.

1.5 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2007.

Aldaar is verschenen als gemachtigde van belanghebbende dr. A. Namens de inspecteur is verschenen mr. B. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Belanghebbende is geboren op .. mei 19... Hij was directeur/enig aandeelhouder van C BV.

2.2 Tijdens een boekenonderzoek op 9 februari 2004 bij C BV is gebleken dat belanghebbende een buitenlandse rekening heeft bij de D in Zwitserland.

2.3 De inspecteur een 'Verklaring Buitenlands vermogen' ontvangen, gedateerd 24 oktober 2003, waarin wordt aangegeven dat belanghebbende een bankrekening in Zwitserland aanhoudt. De verklaring is ondertekend en vermeldt de naam van belanghebbende. Het rekeningnummer en de naam van de bank worden niet genoemd (bijlage A1 bij het verweerschrift van de inspecteur bij de rechtbank; hierna: verw rb).

2.4 In het begeleidend schrijven van 30 oktober 2003 verklaart de heer E van F BV dat de ontbrekende gegevens, na een bezoek aan de bank in Zwitserland in week 47 van het jaar 2003, alsnog zullen worden doorgegeven aan de Belastingdienst (bijlage A2 verw rb)

2.5 Op 11 december 2003 stuurt de inspecteur aan de belanghebbende een verzoek om nadere informatie betreffende deze bankrekening in Zwitserland (bijlage A3 verw rb).

2.6 Op 6 januari 2004 geeft G Belastingadviseurs (: G) richting de inspecteur aan de belangen van de belanghebbende te behartigen (bijlage A4 verw rb).

2.7 Op 20 januari 2004 deelt G mee dat hij een eerste bespreking met de belanghebbende heeft gehad, maar dat deze door een herseninfarct is getroffen en niet in staat is om inzicht te geven in mogelijke banktegoeden in het buitenland. Er wordt uitstel gevraagd voor het beantwoorden van de vragen omdat er eerst een onderzoek van de kant van de belanghebbende nodig is (bijlage A5 verw rb).

2.8 Op 9 februari 2004 deelt G mee dat de belanghebbende niet de beschikking heeft over stukken waaruit zou blijken dat hij een buitenlandse bankrekening bezit. Indien en zover er sprake is van buitenlandse bankrekeningen dan zouden die zijn ontstaan onder regie van de zoon van de belanghebbende, de heer H. Deze laatste is woonachtig te Chili en weigert medewerking te verlenen (bijlage A6 verw rb).

2.9 Bij brieven van 26 en 27 februari 2004 deelt de inspecteur mee dat er navorderingsaanslagen met boetes zullen worden opgelegd in verband met het feit dat hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat de belanghebbende beschikt over een buitenlandse bankrekening (bijlagen A8 en A7 verw ).

2.10 Op 10 mei 2004 deelt G mee dat er op korte termijn een verklaring wordt overgelegd waaruit zal blijken dat niet belanghebbende maar zijn zoon de heer H de beschikking heeft gehad over buitenlandse banktegoeden (bijlage A9 verw rb). 2.11 Op 14 juni 2004 deelt G mee dat de verklaring, genoemd in de brief van 10 mei 2004, iets later zal worden overgelegd (bijlage A10 verw rb).

2.12 Op 6 juli 2004 deelt G mee dat er nog geen ondertekende verklaring van de heer H is ontvangen (bijlage A11 verw rb).

2.13 Op 6 juli 2004 ontvangt de inspecteur van F BV de gegevens van de buitenlandse bankrekening, namelijk: rekeningnummer 000000-00-0 bij D, Postfach 0000, CH-0000 L (bijlage A12 verw rb).

2.14 Op 20 juli 2004 stelt de inspecteur de belanghebbende nogmaals in de gelegenheid de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekening te verstrekken (bijlage A13 verw rb).

2.15 Op 20 augustus 2004 deelt G mee dat de zoon van de belanghebbende een verklaring wil afleggen die zijn ouders vrij pleit van iedere betrokkenheid bij een buitenlandse bankrekening (bijlage A14 verw rb).

2.16 Bij brief van 23 augustus 2004 deelt de inspecteur mee op dit voorstel in te willen gaan onder de voorwaarde dat vóór de te plannen datum alle kopieën van de in het buitenland aangehouden bankrekeningen en vermogensbestanddelen worden overgelegd. Belanghebbende diende zich binnen 10 dagen uit te laten of hij bereid was hieraan te voldoen (bijlage A15 verw rb).

2.17 Op 31 augustus 2004 verzoekt G om uitstel (bijlage A16 verw rb).

2.18 Op 10 september 2004 deelt G mee dat de heer H zich bereid heeft getoond de betreffende afschriften op te vragen bij de buitenlandse bank teneinde deze ter inzage te geven (bijlage A17 verw rb).

2.19 Uit een notitie blijkt dat de inspecteur op 1 november 2004 nog niets heeft ontvangen en gebeld heeft met de secretaresse van G. De inspecteur deelt mee dat, indien er geen reactie komt, de aanslagen die week zullen worden opgelegd (bijlage A17 verw rb).

2.20 De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende ook op 1 januari 1993 over de -onder 2.13 bedoelde- bankrekening heeft beschikt.

Ondanks genoemde herhaaldelijke verzoeken van de inspecteur op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR), heeft belanghebbende verzuimd informatie te verstrekken met betrekking tot onder meer het eventuele saldo per 1 januari 1993 van respectievelijk de mogelijke inkomsten genoten uit deze bankrekening in het jaar 1992.

2.21 De inspecteur heeft daarop -onder omkering en verzwaring van de bewijslast- een schatting gemaakt van het saldo van de -onder 2.13 bedoelde- bankrekening (hierna: de bankrekening) op 1 januari 1993. Hij schatte het saldo op f 2.000.000,-.

2.22 De inspecteur stuurt een mededeling inzake de navorderingsaanslagen en de boete (bijlage A18 verw rb).

2.23 De navorderingsaanslag vermogensbelasting 1992 met verhoging wordt met dagtekening 8 november 2004 opgelegd (zie 1.1).

2.24 Op 9 december 2004 maakte de belanghebbende (pro-forma) bezwaar tegen deze navorderingsaanslag (bijlage B1 verw rb)

2.25 Op 9 december 2004 wordt een ontvangstbevestiging ten aanzien van het bezwaarschrift verzonden. Hierin wordt reeds aangekondigd dat het bezwaarschrift alleen in behandeling wordt genomen indien de gevraagde informatie over de bankrekening(en) wordt verstrekt. (bijlage B1 verw rb).

2.26 Op 17 januari 2005 vraagt de inspecteur om motivering van het bezwaarschrift (bijlage B2 verw rb).

2.27 Op 14 februari 2005 vraagt G uitstel voor de motivering (bijlage B3 verw rb).

2.28 Op 8 maart 2005 motiveert de belanghebbende het bezwaarschrift (bijlage B4 verw rb).

2.29 Op 22 maart 2005 reageert de inspecteur op deze motivering met het alsnog in de gelegenheid stellen van de belanghebbende om openheid van zaken te geven over de buitenlandse bankrekening. Hierbij werd gewezen op de artikelen 47, lid 1, letter a, 49, 25 en 27 e, letter b, AWR (bijlage B5 verw rb).

2.30 Op 6 april 2005 vraagt G de gegevens bekend te maken waaruit blijkt dat de belanghebbende de rekening in Zwitserland aanhoudt dan wel heeft aangehouden (bijlage B7 verw rb).

2.31 Bij brief van 21 april 2005 deelt de inspecteur de gegevens mee waaruit de conclusie is getrokken dat de belanghebbende deze rekening heeft aangehouden. Tevens wordt de belanghebbende gewezen op het feit dat bij het niet verstrekken van de gevraagde informatie de bewijslast wordt omgekeerd (bijlage B8 verw rb).

2.32 Op 4 mei 2005 vraagt G uitstel voor de beantwoording van de brief omdat hij nog nader overleg moet plegen met de belanghebbende (bijlage B9 verw rb).

2.33 Op 23 mei 2005 deelt G mee dat er op 24 mei 2005 een bespreking zal plaatsvinden met de familie X. De zoon, H, zal hierbij aanwezig zijn (bijlage B10 bij verw rb).

2.34 Op 26 mei 2005 deelt G mee dat de zoon, H, een verklaring zal afleggen omtrent de buitenlandse bankrekeningen. Tevens wordt om inzage verzocht in de stukken (bijlage B11 verw rb).

2.35 Op 23 juni 2005 wordt door de inspecteur aan G een kopie van de brief van de heer I, waarin de volledige gegevens van de bankrekening worden vermeld, toegezonden. De namen van de (ex)-werknemers van F worden, uit fiscaal strategisch oogpunt, niet gegeven (bijlage B12 verw rb).

2.36 Op 15 juli 2005 reageert G. De schriftelijke verklaring van de heer H komt niet en de belanghebbende heeft een zodanige geheugenstoornis dat hij niet de mogelijkheid heeft nog helder uit eigen herinnering te kunnen verklaren. Het houden van een hoorzitting lijkt G weinig zinvol (bijlage B13 verw rb).

2.37 De inspecteur reageert per brief van 27 juli 2005. De inspecteur heeft geen belang bij een getuigenverhoor van de heer H. Met de heer H is tijdens het onderzoek reeds gesproken. Nu G een hoorgesprek niet zinvol acht, zal de navorderingsaanslag worden gehandhaafd (bijlage B14 verw rb).

2.38 Het bezwaarschrift vermogensbelasting 1993 wordt op 27 juli 2005 afgewezen (bijlage bij het beroepschrift van belanghebbende bij de rechtbank).

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen (de nummering van de overwegingen van de rechtbank is door het hof gewijzigd en eiser is veranderd in belanghebbende en verweerder in inspecteur):

"3.2 In artikel 16, derde lid, AWR is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van het bepaalde in art. 16, vierde lid, AWR, zoals dat geldt met ingang van 8 juni 1991, is bepaald dat de termijn van vijf jaar wordt verlengd tot 12 jaar 'indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen'. Aangezien het hier in geschil zijnde vermogensbestanddeel de beweerdelijke in Zwitserland, als het bestaan daarvan in 1992 zou komen vast te staan, aangehouden bankrekening is, is, naar het oordeel van de rechtbank, in het onderhavige geval de verlengde navorderingstermijn van art. 16, vierde lid, AWR van toepassing. 3.3 De inspecteur stelt dat belanghebbende ultimo 2003 over een bankrekening in Zwitserland beschikte, en dat het niet beantwoorden van vragen inzake die bankrekening ertoe moet leiden dat met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artike1 27e AWR de navorderingsaanslag moet worden gehandhaafd. Namens belanghebbende is gesteld dat de gereleveerde bankrekening niet van hemzelf was, maar van zijn zoon die in de jaren negentig van de vorige eeuw de buitenlandse zaken van C B.V. regelde. De inspecteur, die in deze als eerste het bestaan van de bankrekening in 1992 ten name van belanghebbende aannemelijk moet maken, heeft tegenover de ontkenning daarvan namens belanghebbende geen enkel bewijs kunnen stellen. De inspecteur slaagt derhalve niet in het leveren van het van hem te verlangen bewijs.

3.4 Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat het gelijk is aan de zijde van belanghebbende.

3.5 De overige grieven behoeven, in het licht van het bovenstaande geen, behandeling meer."

3.6 De inspecteur is in hoger beroep van opvatting dat hij het bestaan van de bankrekening op naam van belanghebbende per 1 januari 1993 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De correcties zijn terecht aangebracht en het beroep van belanghebbende bij de rechtbank moet alsnog ongegrond worden verklaard.

3.7 Belanghebbende is van mening dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op het onder 2.2 tot en met 2.4 vermelde had de inspecteur voldoende reden om belanghebbende het onder 2.5 vermelde verzoek om informatie te zenden. Belanghebbende ontkent immers niet dat op zijn naam een bankrekening in Zwitserland werd aangehouden (zie pleitaantekeningen van belanghebbende bij de rechtbank bladzijde 3 midden en verweerschrift in hoger beroep van belanghebbende bladzijde 6 begin derde alinea).

4.2 Uit het onder 2.6 tot en met 2.8 en 2.10 tot en met 2.12 blijkt dat aan het verzoek om informatie niet is voldaan.

4.3 Gelet op het onder 4.2 en 2.13 vermelde was er voor de inspecteur voldoende reden om op 20 juli 2004 en 23 augustus 2004 nogmaals informatie betreffende onder meer de buitenlandse bankrekening te vragen (zie 2.14 en 2.16).

4.4 Uit het onder 2.15 en het onder 2.17 tot en met 2.19 vermelde blijkt dat wederom de gevraagde inlichtingen niet zijn verstrekt.

4.5 Uit het onder 2.29 vermelde blijkt dat de inspecteur belanghebbende in verband met het door hem ingediende bezwaarschrift opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld opening van zaken te geven over de buitenlandse bankrekening. De inspecteur heeft desgevraagd bij brief van 21 april 2005 en bij brief van 23 juni 2005 nadere informatie aan belanghebbende verstrekt (zie 2.31 en 2.35).

4.6 Uit het onder 2.32 tot en met 2.34 en het onder 2.36 vermelde blijkt dat belanghebbende geen opening van zaken heeft gegeven.

4.7 Ingevolge artikel 27 e, letter b, AWR verklaart het gerechtshof het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.8 Het hof onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven onder 3.2 hiervoor.

4.9 Verder is ook niet gebleken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Wel moet de navorderingsaanslag berusten op een redelijke schatting van het verzwegen vermogen.

4.10 Uit de nadere productie van de inspecteur, ingekomen op 13 april 2007 (met bijlagen), in het bijzonder de bijlagen 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 13, komen veel aanknopingspunten naar voren die er op kunnen wijzen dat de navorderingsaanslag mogelijk eerder te laag dan te hoog is opgelegd. De inspecteur heeft derhalve geen onredelijke schatting gedaan. Ook de onder 2.21 omschreven schatting kan niet onredelijk worden genoemd gelet op de weinige informatie die de inspecteur voorhanden had.

4.11 Belanghebbende trekt wel de waarde van de door de inspecteur overgelegde stukken in twijfel, maar komt zelf niet met gegevens omtrent de gelden in Zwitserland. Alleen al gelet op het onder 2.13 en 4.10 vermelde is het voor het hof duidelijk dat belanghebbende wel gegevens moet hebben. Zelf geen opening van zaken geven waar dit wel mogelijk moet worden geacht, maar uitsluitend op meestentijds vage gronden aanvallen van door de inspecteur waarschijnlijk moeizaam bijeengesprokkelde informatie, is onvoldoende om in het kader van artikel 27 e, letter b, tegenbewijs te leveren.

4.12 Belanghebbende heeft in zijn pleitnota voor het hof onder punt 7 vermeld dat de heren J, K en L als getuigen moeten worden gehoord over het conflict tussen L en belanghebbende. Volgens bijlage 8 bij de nadere productie van de inspecteur, ingekomen op 13 april 2007, valt op te maken dat belanghebbende kennelijk een vordering van f 11.800.000,- op L had. De inhoud van een eventueel conflict tussen L en belanghebbende speelt in het kader van de onderhavige zaak geen rol, zodat, voor zover sprake is van een getuigenaanbod, het hof dit verwerpt.

4.13 De inspecteur heeft, gelet op het voorgaande, het gelijk aan zijn kant. Derhalve moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld op 1 juni 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 6 juni 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.