Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6538

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
BK 50/06 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van vervoerskosten in verband met ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/51.1.3
FutD 2007-1082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 50/06

Uitspraakdatum: 1 juni 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1985 van de rechtbank Leeuwarden van 19 april 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft met dagtekening 21 juli 2004 aan belanghebbende over het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.996,-.

1.2 Nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen voormelde aanslag heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 27 januari 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Bij uitspraak van 19 april 2006, verzonden op 20 april 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlagen) dat op 29 mei 2006 bij het hof is ingekomen.

1.5 De inspecteur heeft op 5 juli 2006 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

Van belanghebbende is voorts op 21 juli 2006 een conclusie van repliek (met bijlagen) ontvangen. De inspecteur heeft vervolgens op 7 augustus 2006 een conclusie van dupliek ingediend.

1.6 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2007.

Aldaar zijn verschenen namens de inspecteur de heer A en B.

Belanghebbende, is met een daartoe strekkend bericht, niet verschenen.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op .. september 19.., is gehuwd met mevrouw C. Belanghebbende heeft samen met zijn echtgenote een bruto jaarinkomen van € 18.711,--. Belanghebbende heeft over het jaar 2002 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 201,--.

2.2 Bij de definitieve aanslag IB/PVV over het jaar 2002, met dagtekening 21 juli 2004, heeft de inspecteur hierop een correctie toegepast in verband met "minder uitgaven wegens ziekte of andere buitengewone uitgaven" van € 3.795,-- en is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 3.996,--.

2.3 Belanghebbende heeft tegen deze aanslag op 23 juli 2004 een bezwaarschrift ingediend, aangezien belanghebbende van mening is dat alsnog vervoerskosten in verband met ziekte in aftrek toegelaten moeten worden.

2.4 Ter zake van het vervoer in zijn personenauto van het merk Opel, type Agila, heeft belanghebbende in zijn bezwaarschrift voor het jaar 2002 een bedrag van € 1.377,-- als ziektekosten opgevoerd. Belanghebbende heeft deze kosten als volgt berekend: 11.664 km maal € 0,17 is € 1.982,- minus de vergoeding die belanghebbende op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) heeft ontvangen, te weten € 1.064,- is € 918,- maal 150% is € 1.377,-.

2.5 In het verweerschrift in eerste aanleg heeft de inspecteur de afschrijvingskosten van de personenauto van belanghebbende, onweersproken, bepaald op € 1.650,-. De overige vervoerskosten acht de inspecteur tot het bedrag van € 1.860,- door belanghebbende aannemelijk gemaakt, welke kosten als volgt zijn gespecificeerd:

Motorrijtuigenbelasting € 216,-

Verzekeringspremie € 337,-

Brandstof € 1.200,-

Onderhoudskosten € 107,-

Totaal € 1.860,-

De totale vervoerskosten wegens ziekte zijn door de inspecteur daarmee op € 3.510,- becijferd, maar doordat belanghebbende in 2002 van de gemeente D een Wvg-vergoeding van € 1.064,- heeft ontvangen, drukten volgens de inspecteur de uitgaven wegens vervoer slechts tot het bedrag van afgerond € 2.450,- op belanghebbende.

2.6 Door de inspecteur is onbetwist gesteld dat op grond van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de voor belanghebbende normaal te achten autokosten circa 15% van belanghebbendes besteedbaar inkomen van € 18.000,-, ofwel € 2.700,- bedragen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van vervoerskosten in verband met ziekte.

3.2 Belanghebbende is van mening dat in verband met vervoerskosten wegens ziekte en invaliditeit voor hem en zijn echtgenote in het jaar 2002 het bedrag van € 1.377,-- in aanmerking komt voor aftrek op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. Hij voert hiertoe in hoger beroep aan dat de uitspraak van de Rechtbank Groningen d.d. 14 januari 2002 in eerste aanleg niet juist is geïnterpreteerd.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitspraak waarvan beroep dient te worden bevestigd.

3.4 Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) worden als uitgaven wegens ziekte en invaliditeit aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer.

4.2 Op grond van vaste jurisprudentie kunnen de kosten verbonden aan het gebruik van een auto -anders dan voor het ondergaan van een medische behandeling, het bezoeken van een arts e.d.- slechts in aanmerking worden genomen indien en voor zover die uitgaven niet behoren tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een vergelijkbare positie verkeren als belanghebbende (Arrest van de Hoge Raad d.d. 15 december 1999, nr. 35157, BNB 2000/61).

4.3 Belanghebbende heeft in het jaar 2002 vervoerskosten wegens ziekte en invaliditeit voor hem en zijn echtgenote voor het bedrag van € 1.377,-- als aftrekpost opgevoerd. Het gaat hier -naar het hof uit de gedingstukken begrijpt- niet om de kosten die rechtstreeks verband houden met een medische behandeling, of het bezoeken van een arts e.d, maar om kosten voor het overige gebruik van een auto (hierna: de overige vervoerskosten). Hoewel de inspecteur de overige vervoerskosten op een bedrag van € 2.450,- berekent, is er volgens de inspecteur toch geen sprake van extra vervoerskosten in verband met ziekte en/of invaliditeit. Daartoe heeft de inspecteur, onweersproken, gesteld dat voor belanghebbende op grond van CBS-gegevens de normale uitgaven voor vervoer bij eenzelfde inkomen en gezinssamenstelling circa 15% van het besteedbaar inkomen bedragen. In belanghebbendes geval betekent dit dat bij een besteedbaar inkomen van belanghebbende van € 18.000,--, de normale uitgaven voor vervoer voor hem

€ 2.700,-- bedragen. Uitgaande van deze CBS-gegevens, welke in dit geval als referentiekader kunnen dienen en door belanghebbende niet zijn bestreden, kan naar het oordeel van het hof de conclusie worden getrokken dat bij belanghebbende geen sprake is van extra vervoerskosten wegens ziekte en/of invaliditeit welke niet behoren tot zijn normaal te achten bestedingspatroon.

4.4 Omtrent de grief van belanghebbende dat de uitgaven voor door hem gereden kilometers op basis van een door de rechtbank Groningen gedane uitspraak d.d. 14 januari 2002 als buitengewone uitgaven wegens ziekte in aanmerking dienen te komen, overweegt het hof het volgende. De omstandigheid dat belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele vervoersvoorziening op grond van de Verordening voorzieningen gehandicapten van zijn gemeente, betekent niet zonder meer dat de overige vervoerskosten (minus de ontvangen vergoeding) voor aftrek in aanmerking komen omdat de Wet een eigen toetsingskader kent, zoals hiervoor onder 4.2 en 4.3 omschreven.

4.5 Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld en aannemelijk geworden op grond waarvan het hof tot een andersluidend oordeel dient te komen, is het hoger beroep ongegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 1 juni 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer en mr. G.W.B. van Westen, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 6 juni 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.