Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6249

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
WAHV 06-01423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd ter zake van "niet stoppen bij rood licht bij driekleurig verkeerslicht" (feitcode R 602). De officier van justitie heeft de feitcode in de inleidende beschikking gewijzigd in R620, te weten "als bestuurder niet stoppen voor stopstreep, waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is". Hoewel de officier van justitie daartoe op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet verplicht was, kon de officier van justitie dit wel doen.

De stopafstand tot de stopstreep was ruim voldoende. Derhalve geen reden om de sanctie op nihil te stellen of om deze te matigen.

De officier van justitie heeft ten onrechte geen afschrift van de foto van de gedraging aan de betrokkene gezonden, nu de betrokkene daarom heeft verzocht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:18
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/0142327 maart 2007CJIB 59088324336

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht van 13 november 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van "niet stoppen bij rood licht bij driekleurig verkeerslicht"(feitcode R602), welke gedraging zou zijn verricht op 4 november 2005 om 07.37 uur op de 't Goylaan te Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].

Bij beslissing van 17 januari 2006 heeft de officier van justitie de feitcode van de inleidende beschikking gewijzigd in R620 "als bestuurder niet stoppen voor stopstreep, waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is.".

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging feitelijk bestuurder van het voertuig was, bestrijdt niet ten tijde en ter plaatse als voormeld de stopstreep te hebben gepasseerd. Hij voert echter aan dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht de oplegging van een sanctie niet billijken. De gemachtigde van de betrokkene stelt het verkeerslicht te zijn genaderd met de toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur en zodra het verkeerslicht oranje (het hof leest: geel) licht uitstraalde te hebben geremd. Hij stelt dat de geellichtfase ontoereikend is om tijdig met zijn voertuig tot stilstand te komen voor de stopstreep.

Bovendien vindt de gemachtigde van de betrokkene het een vreemde gang van zaken dat de officier van justitie de feitcode heeft gewijzigd.

Verder voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat hem op zijn verzoek geen foto's zijn verstrekt. Tot op heden heeft de betrokkene geen foto's ontvangen. Hierdoor heeft hij zich niet afdoende kunnen verweren in de onderhavige zaak.

3.3. De officier van justitie heeft de feitcode van de inleidende beschikking gewijzigd in R620 "als bestuurder niet stoppen voor stopstreep, waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is.". De betrokkene klaagt erover dat de officier van justitie de feitcode heeft gewijzigd.

De bij feitcode R620 behorende gedraging is een overtreding van artikel 79 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), welke gedraging op grond van artikel 92 RVV 1990 apart kan worden gesanctioneerd. Derhalve kon de officier van justitie de feitcode wijzigen, hoewel hij daar - op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad - niet toe verplicht was. Immers, er is al sprake van "niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht" wanneer de stopstreep is overschreden (vgl. HR 7 juni 1994, DD 94, 381).

Nu voor beide feitcodes hetzelfde sanctiebedrag geldt en niet in geding is dat de stopstreep is gepasseerd, is de betrokkene dan wel de gemachtigde niet geschaad in enig belang.

3.4. Ten aanzien van het argument van de gemachtigde dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het opleggen van een sanctie niet billijken, overweegt het hof als volgt.

3.5. Uit de in het dossier aanwezige foto van de gedraging is genoegzaam gebleken dat de betrokkene de stopstreep is gepasseerd toen het verkeerslicht reeds 1,3 seconde rood licht uitstraalde en reeds 3,0 seconden geel licht had uitgestraald.

3.6. De vraag of de geellichtfase in de gegeven omstandigheden zodanig is dat op verantwoorde wijze voor het rode verkeerslicht kan worden gestopt, dient te worden beantwoord aan de hand van de stopafstand van het betreffende voertuig. De stopafstand bestaat uit de remweg van het voertuig plus de afstand die nog wordt afgelegd in de reactietijd van één seconde voordat na het signaleren van het gele licht begonnen wordt met remmen. Het is het hof ambtshalve bekend dat de remweg wordt bepaald door toepassing van de formule S=V²/2xA. Daarbij staat S voor de remweg, V voor de beginsnelheid en A voor de remvertraging.

3.7. Blijkens de RDW-voertuiggegevens behorend bij het kenteken [kenteken] gaat het in het onderhavige geval om een bedrijfsauto die in gebruik genomen is op 20 maart 2001. Artikel 5.3.38, eerste lid, Voertuigreglement bepaalt dat een dergelijk voertuig moet beschikken over een bedrijfsrem waarvan de remvertraging tenminste 4,5 m/s² bedraagt.

Toepassing van de remwegformule op een beginsnelheid van 50 km per uur (13,88 m/s) en een remvertraging van 4,5 m/s² levert een remweg op van 21,41 meter. Wanneer daar de reactieafstand van 13,88 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de stopafstand van het voertuig 35,29 meter is. Het hof merkt daarbij op dat bij verreweg de meeste voertuigen de remvertraging een stuk groter is dan minimaal vereist, zodat de remweg en dus ook de stopafstand feitelijk nog

korter is.

3.8. Uitgaande van de omstandigheid dat de betrokkene op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen reed met de maximaal toegestane snelheid van 13,88 m/s, was de betrokkene op dat moment 4,3 (3,0+1,3) x 13,88=59,68 meter van de stopstreep verwijderd. Derhalve is de stopafstand van 35,29 meter ruim voldoende geweest om tijdig voor de stopstreep te kunnen stoppen.

3.9. Ten aanzien van het argument van de gemachtigde dat op zijn verzoek geen foto's van de gedraging aan hem zijn toegezonden, overweegt het hof als volgt.

3.10. Op verzoek van de betrokkene behoort de officier van justitie stukken waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten, met name het zaakoverzicht en - indien aanwezig - de foto's van de gedraging, (tegen betaling van ten hoogste de kosten) aan de betrokkene doen toekomen. In ieder geval dient door de officier van justitie op een verzoek om toezending van bewijs te worden gereageerd (vgl. het arrest van het hof van 26 maart 2003, WAHV 02/01144, LJN AF7658).

3.11. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de officier van justitie ten onrechte aan de gemachtigde van de betrokkene geen foto's van de gedraging doen toekomen. Niettemin behoeft voormeld vormverzuim niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Nu de gemachtigde van de betrokkene op de zitting van de kantonrechter kennis heeft kunnen nemen van de foto's, is hij niet benadeeld en heeft de gemachtigde van de betrokkene zich op adequate wijze kunnen verdedigen.

3.12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof geen aanleiding tot het vergoeden van kosten.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.