Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA5660

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
0600283
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beschikking van 29 maart 2006 heeft de rechtbank te Leeuwarden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], geboren [in] 1996, met ingang van 1 juli 2005 bepaald op € 325,- per maand, met ingang van 1 januari 2006 op € 295,- per maand en vanaf 1 november 2006 op € 325,- per maand. [..] Het hof rekent het de vrouw aan dat zij - zonder een verweerschrift in te dienen - eerst ter zitting van het hof heeft kenbaar gemaakt dat zij in augustus 2006 is gehuwd en daarbij heeft nagelaten inzicht te verschaffen in de draagkracht van haar gezin. Daarom zal het hof de behoefte van [de minderjarige], te weten € 350,- per maand, in gelijke delen voor rekening laten komen van de man enerzijds en de vrouw met haar partner anderzijds. De man zal aldus € 175,- per maand dienen te voldoen. Nu hij daartoe blijkens de door het hof gemaakte draagkrachtberekeningen in staat is, zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepalen op € 175,- per maand met ingang van 1 augustus 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 mei 2007

Rekestnummer 0600283

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.J. Brink,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W.A. Veenstra.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 maart 2006 heeft de rechtbank te Leeuwarden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], geboren [in] 1996, met ingang van 1 juli 2005 bepaald op € 325,- per maand, met ingang van 1 januari 2006 op € 295,- per maand en vanaf 1 november 2006 op € 325,- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni 2006, heeft de man verzocht de beschikking van 29 maart 2006 te vernietigen en opnieuw beslissende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen op nihil althans op een bedrag als het hof zal vermenen te behoren.

Hoewel hiertoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vrouw geen verweerschrift ingediend. Zij heeft ter zitting in hoger beroep mondeling verweer gevoerd.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de overige stukken van het geding.

Ter zitting van 17 oktober 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Inleiding

1. Uit het huwelijk van partijen is [in] 1996 [de minderjarige] geboren.

Op 19 april 2001 zijn partijen gescheiden.

2. De vrouw heeft op 21 juni 2005 de rechtbank verzocht de door de man aan haar te betalen alimenatie ten behoeve van [de minderjarige] te bepalen op € 350,- per maand met ingang van 1 juli 2005.

De man heeft zich tegen dit verzoek verweerd en verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen.

3. Bij beschikking van 29 maart 2006 heeft de rechtbank op het verzoek van de vrouw beslist als weergegeven onder "Het geding in eerste aanleg".

Tegen deze beschikking is het appel van de man gericht.

De geschilpunten

4. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

* de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

- het inkomen;

- de lasten van de aanvullende hypotheek;

- de oppaskosten;

- de premie begrafenisverzekering;

* de verdeling van de draagkracht over [de minderjarige] en de kinderen van de man

uit zijn huidige gezin;

* de verdeling van de behoefte van [de minderjarige] over de man en haar stiefvader.

De draagkracht van de man

het inkomen

5. Ter zitting is gebleken dat partijen het niet eens zijn over het bij de berekening van de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen van de man.

6. Het hof zal over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 uitgaan van de jaaropgave 2005 die door de man bij het appelschrift is overgelegd.

In het op de jaaropgave genoemde inkomen van € 33.576,- zijn de inhoudingen en bijtellingen door de werkgever, zoals de inhouding van pensioenpremies, reeds verwerkt. Voorts zijn in de jaaropgave alle fiscaal relevante inkomsten opgenomen. De onbelaste inkomsten, zoals het spaarloon zijn daarin niet verwerkt. Het loon van de jaaropgave dient daarom te worden vermeerderd met een bedrag van € 613,- aan spaarloon, te weten € 459,90, blijkende uit de cumulatieven op de sprecificatie van de periode 18 juli 2005 tot en met 14 augustus 2005, vermeerderd met 5 perioden maal € 30,66. Het hof zal derhalve een brutoloon van € 34.189,- tot uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht.

7. De onbelaste waarde vakantiebonnen wordt - hoewel ook een onbelaste vergoeding - afzonderlijk meegenomen als netto inkomen bij de berekening van het besteedbaar inkomen.

8. De man heeft in eerste aanleg een berekening van zijn gemiddeld loon overgelegd op basis van de door hem in het geding gebrachte salarisspecificaties over 2005. In deze berekening heeft de man de gemiddelde totale waarde van de vakantiebonnen becijferd op € 493,21 per vier weken en de totale belaste waarde op € 456,21 per vier weken. De vrouw heeft deze door de man gemaakte berekening niet betwist, zodat het hof zal uitgaan van de door de man berekende waarden, die het hof overigens niet onbegrijpelijk voorkomen. Dit brengt mee dat de gemiddelde onbelaste waarde van de vakantiebonnen € 37,- per vier weken bedraagt of te wel (37 : 4 = 9,25 x 46 weken =) € 425,- per jaar. Dit bedrag zal worden meegenomen als netto inkomen bij de berekening van de draagkracht van de man.

9. Met ingang van 1 januari 2006 zal het hof de draagkracht van de man berekenen op basis van het gemiddelde loon over de perioden 30 januari 2006 tot en met 26 februari 2006, 27 februari 2006 tot en met 26 maart 2006 en 27 maart 2006 tot en met 23 april 2006, waarvan de man salarisspecificaties heeft overgelegd.

de premie ziektekosten

> 2005 <

10. Nu het hof de draagkracht over de periode tot en met 31 december 2005 berekent op basis van andere inkomensgegevens dan de rechtbank zal het de premie ziektekostenverzekering over die periode aanpassen.

Het op de jaaropgave vermelde bedrag premie ziekenfondswet - zijnde zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel van de premie - bedraagt € 2.244,- per jaar, of te wel € 187,- per maand. Dit bedrag zal bij de berekening van de draagkracht over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 in aanmerking worden genomen, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van aanvullende verzekeringen.

>2006 e.v. <

11. Met de invoering van het nieuwe zorgstelsel op 1 januari 2006 bestaat de door de man te betalen premie ziektekostenverzekering uit twee delen, te weten enerzijds een basispremie en anderzijds een inkomensafhankelijke premie. Met deze beide premies dient rekening te worden gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man, eventueel vermeerderd met afgesloten aanvullende verzekeringen.

12. De omstandigheid dat het hof bij de berekening van de draagkracht met ingang van 1 januari 2006 een ander inkomen hanteert dan de man, heeft als consequentie dat de inkomensafhankelijke premie ziektekostenverzekering in het brutotraject en de totale premie ziektekostenverzekering in het nettotraject ook hoger zijn dan door de man opgevoerd. Nu dit een logische consequentie is van de omstandigheid dat de vrouw bezwaar heeft gemaakt tegen het inkomen dat de man heeft opgevoerd, acht het hof het redelijk om in het nettotraject rekening te houden met de hogere premie, ondanks het feit dat de vrouw heeft aangegeven akkoord te zijn met het door de man opgevoerde bedrag in het nettotraject.

13. De inkomensafhankelijke premie bedraagt blijkens de overgelegde specificaties

€ 149,52 per vier weken, of te wel afgerond € 162,- per maand.

Uitgaande van de door de man overgelegde specificatie van De Friesland zorgverzekeraar over 2006, blijkt dat de man in 2006 een (aanvullende) premie (met korting vanwege collectieviteit) betaalt van afgerond € 100,- per maand.

De totale in bij de berekening van de draagkracht in aanmerking te nemen premie bedraagt aldus € 262,- per maand met ingang van 1 januari 2006.

de lasten van de aanvullende hypotheek

14. Partijen zijn het erover eens dat de partner van de man in eigen levensonderhoud voorziet en dat de woonlasten van het gezin van de man derhalve bij de berekening van de draagkracht slechts voor de helft in aanmerking moeten worden genomen.

15. Voorts is niet in geschil dat de man de vrouw heeft moeten uitkopen uit de voormalige echtelijke woning en in verband daarmee een aanvullende hypothecaire lening is aangegaan.

Ter zitting van het hof is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat met deze aanvullende hypothecaire lening rekening kan worden gehouden bij de berekening van de draagkracht. Zij strijden er echter over of deze aanvullende lening geheel in aanmerking kan worden genomen (standpunt man) of - net als de andere woonlasten - slechts voor de helft (standpunt vrouw).

16. Aangezien de extra hypothecaire lening die de man heeft afgesloten is aangewend voor het uitkopen van de vrouw uit de echtelijke woning en er daarmee aan heeft bijgedragen dat de man de woning kon blijven bewonen, behoort de door de man aangegane extra hypothecaire lening tot de woonlasten. Ook de partner van de man heeft woongenot van de deels met de extra lening gefinancierde woning, hetgeen meebrengt dat zij, nu zij in eigen levensonderhoud voorziet, voor de helft dient bij te dragen in de extra kosten. Dat de extra hypothecaire lening nog verband houdt met het eerdere huwelijk van de man doet daaraan niet af.

17. Zoals door de man in zijn appelschrift gesteld en door de vrouw niet weersproken, bedraagt de hypotheekrente van de oorspronkelijk hypothecaire lening € 3.535,- per jaar en de rente van de extra hypothecaire lening, die is afgesloten vanwege de uitkoop, € 1.581,- per jaar. De rente van beide leningen bedraagt aldus tezamen € 5.116,- per jaar, of te wel € 426,- per maand. De partner van de man dient - zoals hiervoor overwogen - de helft van de rente te voldoen, zodat bij de berekening van de draagkracht in het brutotraject een rente van € 2.558,- kan worden meegenomen en in het nettotraject € 213,- per maand.

18. Naast de hiervoor berekende hypotheekrente zal het hof rekening houden met de helft van de premie levensverzekering, zijnde € 32,- per maand, en de helft van het forfait overige eigenaarslasten, zijnde € 48,- per maand, daar deze bedragen tussen partijen niet in geschil zijn.

de oppaskosten

19. Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de kosten voor kinderopvang.

20. Omdat de man niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk kosten maakt ter zake van kinderopvang, zal het hof de door de man opgevoerde post van € 50,- per maand buiten beschouwing laten bij de berekening van de draagkracht.

de premie begrafenisverzekering

21. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de in aanmerking te nemen premie begrafenisverzekering. De man voert in de door hem overgelegde draagkrachtberekening een premie op van € 16,- per maand. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat een premie van € 8,- kan worden meegenomen.

22. De man heeft door middel van een polisblad van de Nederlandse Uitvaart Maatschappij Nuvema aangetoond dat de door hem voor zichzelf te betalen premie uitvaartverzekering € 6,03 per maand bedraagt. Voorts heeft de man aangetoond dat hij als lid van de vereniging De Laatste Eer een jaarcontributie dient te betalen van € 27,-, of te wel afgerond € 2,- per maand.

23. De man heeft zijn ter zitting geponeerde stelling dat hij voorts een premie uitvaartverzekering voldoet ten behoeve van de kinderen uit zijn nieuwe gezin niet onderbouwd. Aan die stelling gaat het hof daarom voorbij.

Weliswaar heeft de man aangetoond dat voor zijn partner een premie begrafenisverzekering van afgerond € 6,- per maand wordt betaald, maar omdat de partner in eigen levensonderhoud voorziet, dient die premie voor haar rekening te blijven.

24. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof bij de berekening van de draagkracht rekening zal houden met een premie uitvaartverzekering van afgerond € 8,- per maand.

de verdeling van de draagkracht over [de minderjarige] en de kinderen van de man uit zijn nieuwe gezin

25. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man moet de vraag onder ogen worden gezien wat in een situatie als de onderhavige, waarin hij een nieuw gezin heeft gevormd, jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind als redelijk moet worden beschouwd.

Uitgangspunt dient hierbij te zijn dat het enkele feit dat de man zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn.

De omstandigheden van het geval kunnen echter anders meebrengen, waarbij onder meer van belang zal zijn: de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten, de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin en de mogelijkheden voor de man en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden, als van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.

26. Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat de nieuwe partner van de man in eigen levensonderhoud voorziet en de man en zijn partner samen twee kinderen hebben, zal het hof de man bij de berekening van de draagkracht aanmerken als een co-ouder van zijn kinderen uit het nieuwe gezin. Dit betekent dat rekening zal worden gehouden met het gemiddelde van de alimentatievrije voet van een alleenstaande en van een alleenstaande ouder en dat het beschikbare deel van de draagkrachtruimte zal worden gesteld op 52,5%.

27. Door de man niet aan te merken als alleenstaande maar als co-ouder, wordt bij de lasten een hogere alimentatievrije voet toegepast en kan de man een hoger percentage van zijn draagkrachtruimte besteden aan zijn nieuwe gezin. Dit brengt echter mee, dat - nu de man dus meer te besteden overhoudt voor zijn nieuwe gezin - de beschikbare draagkracht niet dient te worden verdeeld over [de minderjarige] en de kinderen van de man uit zijn nieuwe gezin. Immers, op die wijze zouden de kinderen van de man in een gunstigere positie komen te verkeren dan [de minderjarige], hetgeen niet strookt met het uitgangspunt.

de berekening van de draagkracht

28. Gelet op het vorenstaande en voorts uitgaande van de overige niet betwiste gegevens, waaronder die in de aan de beschikking waarvan beroep gehechte draagkrachtberekening, wordt de draagkracht van de man berekend als volgt.

de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 (naar de tarieven van juli 2005)

Brutoloon volgens jaaropgave + spaarloon / Belastbaar inkomen € 34.189

Eigenwoningforfait € 1.152

Hypotheekrente € 2.558 -

Belastbare inkomsten eigen woning € 1.406 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning, box 1 € 32.783

- € 5.811 schijf 34,4%

- € 5.648 schijf 41,95%

- € 1.018 schijf 42%

IB box 1 € 12.477

Inkomensheffing box 1, box 2 en 3 samen € 12.477

Heffingskorting (alg. + arb. +ki + com.) € 3.515 -

Totaal aan inkomstenbelasting € 8.962

Totaal aan inkomsten € 34.614

Totaal aan inkomstenbelasting € 8.962 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 25.652

Besteedbaar inkomen per maand € 2.138

AVV co-ouder € 731

Hypotheekrente € 213 +

Aflossing € 32 +

Forfait overige eigenaarslasten € 48 +

Premie ziektekostenverzekering € 187 +

Premie begrafenisverzekering € 8 +

Kosten omgangsregeling € 56 +

Draagkrachtloos inkomen per maand € 1.275 -

Draagkrachtruimte per maand € 863

29. Van de draagkrachtruimte is 52,5%, derhalve afgerond € 453,- per maand beschikbaar voor alimentatie. De man is mitsdien in staat over de onderhavige periode de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 325,- per maand te voldoen. Nu de vrouw geen (incidenteel) appel heeft ingesteld tegen de beschikking waarvan beroep, zal de bijdrage van € 325,- per maand in stand blijven voor de onderhavige periode.

de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 (naar de tarieven van januari 2006)

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 29.614

Tijd spaarfonds € 4.536 +

Ingehouden pensioenpremie € 2.390 -

Premie WW € 982 -

Inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zvw € 1.944 +

Inkomsten uit arbeid / Belastbaar loon € 32.722

Eigenwoningforfait € 1.152

Hypotheekrente € 2.558 -

Belastbare inkomsten eigen woning € 1.406 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning, box 1 € 31.316

- € 5.821 schijf 34,15%

- € 5.630 schijf 41,45%

- € 287 schijf 42%

IB box 1 € 11.738

Inkomensheffing box 1, box 2 en 3 samen € 11.738

Heffingskorting (alg. + arb. +ki + com.) € 4.417 -

Totaal aan inkomstenbelasting € 7.321

Totaal aan inkomsten € 32.722

Totaal aan inkomstenbelasting € 7.321 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 25.401

Besteedbaar inkomen per maand € 2.117

AVV co-ouder € 771

Hypotheekrente € 213 +

Aflossing € 32 +

Forfait overige eigenaarslasten € 48 +

Premie ziektekostenverzekering € 262 +

Premie begrafenisverzekering € 8 +

Betaling schuld € 100 +

Kosten omgangsregeling € 56 +

Draagkrachtloos inkomen per maand € 1.490 -

Draagkrachtruimte per maand € 627

30. Van de draagkrachtruimte is 52,5%, derhalve afgerond € 329,- per maand beschikbaar voor alimentatie.

de periode vanaf 1 november 2006

31. Omdat met ingang van 1 november 2006 niet langer rekening wordt gehouden met de betaling op de schuld aan Regiobank - en dit de enige verandering betreft ten opzichte van de voorgaande periode - zal het besteedbaar maandinkomen

€ 2.117,- per maand blijven bedragen en zal het draagkrachtloos inkomen dalen naar € 1.390,- per maand. De draagkrachtruimte zal aldus met ingang van 1 november 2006 € 727,- per maand zijn. Van die draagkrachtruimte is afgerond

€ 382,- per maand (52,5%) beschikbaar voor alimentatie.

De verdeling van de behoefte van [de minderjarige] over de man en de stiefvader

32. Omdat de vrouw in eerste aanleg de rechtbank heeft verzocht een bijdrage vast te stellen van € 350,- per maand en de man niet heeft gesteld dat dit bedrag de behoefte van [de minderjarige] overstijgt, dient ervan te worden uitgegaan dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige] € 350,- per maand bedraagt.

33. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij in augustus 2006 in het huwelijk is getreden. De man heeft daarop uitdrukkelijk gesteld dat ook de stiefvader dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige].

34. Aangezien op basis van de wet vanaf het in het huwelijk treden van de vrouw niet alleen de man onderhoudsplichtig is voor [de minderjarige] maar ook de stiefvader, acht het hof het niet redelijk de man in het gehele bedrag van de behoefte te laten voorzien, ook al staat zijn draagkracht dat toe.

35. Bij gebrek aan voldoende financiële gegevens van de zijde van de vrouw en haar partner, kan het hof geen berekening maken van de draagkracht van het gezin van de vrouw. Weliswaar heeft de vrouw ter zitting gesteld dat het inkomen van haar partner € 1.230,- netto per maand bedraagt, doch de man heeft dat inkomen bij gebrek aan bewijs weersproken.

36. Het hof rekent het de vrouw aan dat zij - zonder een verweerschrift in te dienen - eerst ter zitting van het hof heeft kenbaar gemaakt dat zij in augustus 2006 is gehuwd en daarbij heeft nagelaten inzicht te verschaffen in de draagkracht van haar gezin. Daarom zal het hof de behoefte van [de minderjarige], te weten € 350,- per maand, in gelijke delen voor rekening laten komen van de man enerzijds en de vrouw met haar partner anderzijds. De man zal aldus € 175,- per maand dienen te voldoen. Nu hij daartoe blijkens de door het hof gemaakte draagkrachtberekeningen in staat is, zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepalen op € 175,- per maand met ingang van 1 augustus 2006.

37. In aanmerking nemende het in r.o. 30 overwogene, is de man over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006 in staat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 295,- per maand te voldoen. Nu de vrouw geen (incidenteel) appel heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, zal het hof over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006 de bijdrage van € 295,- per maand in stand laten.

Slotsom

38. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep - om doelmatigheidsredenen geheel - te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], geboren [in] 1996,

- op € 325,- per maand over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005

- op € 295,- per maand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006

- op € 175,- per maand met ingang van 1 augustus 2006;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Makkinga, voorzitter, Bax-Stegenga en van Eck, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 23 mei 2007.