Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA5267

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
0600036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat het geregistreerd partnerschap van partijen is geëindigd door inschrijving ervan in de registers van de burgerlijke stand op 19 december 2001, is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) hier van toepassing. Blijkens het bepaalde in art. 1:94 lid 4 BW vallen pensioenrechten als bedoeld in de Wvps niet in de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben dit kennelijk zelf ook onderkend, nu zij in hun "overeenkomst van verdeling" van 19 december 2001 uitdrukkelijk ook de verevening van pensioenrechten hebben geregeld. Anders dan appellant ingang wil doen vinden, komen voor verevening in aanmerking de pensioenrechten die in de huwelijksperiode zijn opgebouwd. De huwelijksperiode is eerst geëindigd op 19 december 2001 door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een daartoe strekkende verklaring, zodat [geïntimeerde] ook tot die datum recht heeft op verevening van pensioenrechten. Het gegeven dat partijen feitelijk geruime tijd eerder gescheiden van elkaar zijn gaan leven, is te dezer zake niet relevant. Dat partijen een andere, eerder in tijd gelegen datum zijn overeen-gekomen, is voorts gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 mei 2007

Rolnummer 0600036

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: aanvankelijk mr. J.V. van Ophem, thans mr. G.P. Wempe,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. N.N. Boonstra.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 26 januari 2005 en 13 juli 2005 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 september 2005, op de voet van art. 125 lid 4 Rv hersteld bij exploten van 20 december 2005 en 21 december 2005, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van laatstgenoemd vonnis d.d. 13 juli 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de nader aangezegde zitting van 1 februari 2006. Bij op 3 januari 2006 op verzoek van de procureur van [geïntimeerde] uitgebracht exploot van anticipatie is de zaak vervroegd aangebracht ter zitting van 11 januari 2006.

Het petitum van het appelexploot van 6 september 2005 luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis gewezen door de Rechtbank Leeuwarden

op 13 juli 2005 onder zaak- en rolnummer 66855/HA ZA 04-962, tussen appellant als

gedaagde in eerste aanleg en geïntimeerde als eiseres in eerste aanleg, te vernietigen en

opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren,

althans alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide

instanties."

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, waarvan de conclusie luidt:

"dat het Hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis d.d. 13 juli 2005

gewezen onder zaak - en rolnummer 66855 / HA ZA 04-962 van de Rechtbank in het arrondissement Leeuwarden te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de kosten in eerste aanleg, het salaris van de procureur van gedaagde daaronder begrepen."

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, met als conclusie:

"tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, en tot veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van appellant tot betaling van de kosten van de beide instanties, gevallen aan de zijde van geïntimeerde."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep

1. Vooropgesteld dient te worden dat, nu [appellant] in hoger beroep kan komen tegen het vonnis van 13 juli 2005 voor zover het een gedeeltelijk eindvonnis is

- namelijk is daarin omtrent enig deel van het ten gronde gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt - daarmee ook het appelverbod van art. 337 lid 2 Rv is doorbroken voor wat betreft het interlocutoire deel van het vonnis (HR 7 december 1990, NJ 1992, 85). De onder het oude procesrecht ontwikkelde jurisprudentie inzake het gedeeltelijk eindvonnis moet immers in het licht van HR 11 juli 2003, NJ 2003, 564, geacht worden onder het nieuwe procesrecht haar geldigheid te hebben behouden. Dat betekent dat [appellant] ook ontvankelijk is in het hoger beroep van het interlocutoire deel van het vonnis van 13 juli 2005.

De vaststaande feiten

2. Nu de weergave door de rechtbank van de vaststaande feiten in r.o. 2 (2.1 t/m 2.9) in het beroepen vonnis van 13 juli 2005 noch door grieven noch anderszins is bestreden, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

3. Het gaat in dit geding - samengevat - om het volgende.

3.1 Partijen zijn op 16 mei 1969 in algemene gemeenschap van goederen gehuwd. Sinds 1988 hebben zij feitelijk gescheiden van elkaar geleefd. Nadat partijen hadden besloten tot een zogenoemde flitsscheiding, is op 17 december 2001 het huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap dat vervolgens is beëindigd door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een daartoe strekkende verklaring van partijen.

3.2 Op 19 december 2001 hebben partijen een "overeenkomst van verdeling" getekend, met - voor zover hier van belang - de volgende inhoud:

"(…) 3. ten aanzien van de verdeling van de te ontbinden gemeenschap van goederen

Partijen zijn in 1988 duurzaam gescheiden van elkaar gaan leven. Partijen hebben de gemeenschap van goederen op dat moment reeds feitelijk verdeeld.

Partijen bevestigen hierbij deze feitelijke verdeling.

Voor zover enig vermogensbestanddeel nog niet in 1988 feitelijk mocht zijn verdeeld, verklaren partijen thans dat de verdeling daarvan in onderling goedvinden heeft plaatsgevonden.

Partijen hebben ter zake van de ontbinding van de gemeenschap van goederen niets meer van elkaar te vorderen. Zij verlenen elkaar hierbij over en weer kwitantie, finaal en zonder reserve. (…)

5. ten aanzien van de pensioenrechten

De bij de Stichting Notarieel Pensioenfonds opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioenaanspraken zullen worden verevend volgens de wet. Het ouderdomspensioen is inmiddels ingegaan. (…)"

3.3 Eveneens op 19 december 2001 heeft [appellant] een als zodanig aangeduide "Schuldbekentenis" met goedschrift ondertekend, waarin hij verklaart wegens te leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan [geïntimeerde] een som van ƒ 225.000, onder bepaling dat de hoofdsom eerst opeisbaar is op uiterlijk 31 december 2002, daarna te allen tijde met een opzeggingstermijn van een maand.

3.4 [appellant] heeft bij brief van 7 november 2003 aan [geïntimeerde] bericht dat hij akkoord gaat met haar voorstel tot aflossing van bedoelde schuld op of voor 1 mei 2005 van € 50.000,-- en het restant ongeveer € 50.000,-- (nader te berekenen) op of voor 31 december 2004. [geïntimeerde] heeft [appellant] met de brieven van 30 april 2004 en 7 mei 2004 aangemaand de eerste termijn van € 50.000,-- te voldoen.

3.5 [appellant] heeft na de flitsscheiding tot en met het eerste kwartaal van 2004 50% van zijn pensioenrechten aan [geïntimeerde] uitbetaald. Bij brief van 7 mei 2004 heeft [geïntimeerde] aan de Stichting Notarieel Pensioenfonds (hierna: het pensioenfonds) verzocht het haar toekomende deel van het pensioen van [appellant] voortaan rechtstreeks aan haar uit te betalen. Bij brief van 4 juni 2004 heeft het pensioen-fonds [geïntimeerde] meegedeeld niet aan dit verzoek te kunnen voldoen, nu niet binnen twee jaar na beëindiging van het geregistreerd partnerschap daarvan melding is gedaan aan het pensioenfonds.

3.6 Bij aangetekende brief van 2 september 2004 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd het per 1 april 2004 verschuldigde vereveningsdeel van de pensioenrechten, alsmede het verschuldigde uit de schuldbekentenis aan [geïntimeerde] te voldoen. Voorts is [appellant] daarbij verzocht het pensioenfonds toestemming te verlenen het vereveningsdeel rechtstreeks aan [geïntimeerde] uit te betalen.

3.7 Op 15 oktober 2004 heeft [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de Sociale Verzekeringsbank op - onder meer - de AOW-rechten van [appellant] en op 19 oktober 2004 conservatoir derdenbeslag onder het pensioenfonds op - onder meer- de pensioenrechten van [appellant].

De vorderingen van [geïntimeerde] en de beslissing in eerste aanleg

4. [geïntimeerde] heeft [appellant] voor de rechtbank gedagvaard en gevorderd:

-[appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 120.067,41 vermeerderd met wettelijke rente,

-[appellant] te veroordelen tot voldoening van de verschuldigde pensioenbetalingen van het tweede en derde kwartaal 2004 voor een totaalbedrag van € 7.053,74 inclusief rente tot 25 oktober 2004, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,

-[appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden aan het pensioenfonds toestemming te geven om aan [geïntimeerde] te voldoen de haar toe-komende pensioenbetalingen van € 3.479,53 netto per kwartaal,

-[appellant] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen de per kwartaal vrijvallende pensioenbetalingen ten bedrage van € 3.479,53 netto zolang het pensioenfonds de betalingen niet rechtstreeks aan [geïntimeerde] verricht, met vaststelling van de betaal-data, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaalbaarstelling,

-[appellant] te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de kosten van het beslag.

4.1 Na door [appellant] gevoerd verweer heeft de rechtbank bij meergemeld vonnis van 13 juli 2005:

1) [appellant] veroordeeld aan [geïntimeerde] te voldoen de reeds verschuldigde pensioen-betalingen van het tweede en derde kwartaal 2004 voor een totaalbedrag van

€ 7.053,74 met de wettelijke rente over € 6.959,06 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

2) [appellant] gelast om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan het pensioenfonds toestemming te geven om aan [geïntimeerde] te voldoen het haar toekomende deel van zijn pensioen, te weten € 3.479,53 netto per kwartaal, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere dag dat [appellant] nalaat hieraan te voldoen, tot een maximum van € 5.000,--;

3) [appellant] veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen de per kwartaal vrijvallende pensioentermijnen ten bedrage van € 3.479,53 netto, zolang het pensioenfonds de betalingen niet rechtstreeks aan [geïntimeerde] verricht, waarbij de betaaldatum wordt vastgesteld op 1 januari, 1 april, 1 juli, 1 oktober van ieder jaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaalbaarstelling tot de dag van betaling.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2 De rechtbank heeft voorts de zaak naar de rolzitting verwezen voor het nemen door [appellant] van een akte waarin hij zich uitlaat over de vragen of, en zo ja, op welke wijze hij bewijs wenst te leveren van zijn stelling dat partijen zijn overeen-gekomen dat betaling onder (lees: op, hof) de schuldbekentenis slechts zou plaatsvinden onder de voorwaarde van belastingteruggave over de jaren 1997 en 1998.

De rechtbank heeft voor het overige iedere verdere beslissing, ook die ten aanzien van de proceskosten, aangehouden.

Het geding in appel

5. [appellant] heeft tegen het vonnis van de rechtbank zeven grieven opgeworpen.

5.1 Uit het petitum van het appelexploot bezien in samenhang met de conclusie van de memorie van grieven, volgt dat het hoger beroep ertoe strekt dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans dat deze vorderingen haar worden ontzegd.

6. De grieven 1, 2, 3 en 4 keren zich tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dat erop neerkomt dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op de helft van de pensioen-rechten van [appellant] alsook tegen de toewijzing van de vorderingen op dat punt. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7. Omdat het geregistreerd partnerschap van partijen is geëindigd door inschrijving ervan in de registers van de burgerlijke stand op 19 december 2001, is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) hier van toepassing. Blijkens het bepaalde in art. 1:94 lid 4 BW vallen pensioenrechten als bedoeld in de Wvps niet in de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben dit kennelijk zelf ook onderkend, nu zij in hun "overeenkomst van verdeling" van 19 december 2001 uitdrukkelijk ook de verevening van pensioenrechten hebben geregeld. Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden, komen voor verevening in aanmerking de pensioenrechten die in de huwelijksperiode zijn opgebouwd. De huwelijksperiode is eerst geëindigd op 19 december 2001 door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een daartoe strekkende verklaring, zodat [geïntimeerde] ook tot die datum recht heeft op verevening van pensioenrechten. Het gegeven dat partijen feitelijk geruime tijd eerder gescheiden van elkaar zijn gaan leven, is te dezer zake niet relevant. Dat partijen een andere, eerder in tijd gelegen datum zijn overeen-gekomen, is voorts gesteld noch gebleken.

8. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij zijn rechten op pensioen in 1991 heeft gecedeerd, doch op grond van het bepaalde in art. 32 lid 2 Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) - zoals dat artikel toen luidde - is een dergelijke cessie niet zonder meer geldig. Kort gezegd verbiedt dit artikellid dat de (gewezen) deelnemer zijn PSW-pensioen in zijn geheel door middel van overdracht en dergelijke aan een ander ter beschikking stelt.

8.1 Daarbij komt dat vaststaat dat [appellant] tot en met het eerste kwartaal van 2004 de helft van het door hem ontvangen pensioen aan [geïntimeerde] heeft uitbetaald en daarmee daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan "de overeenkomst van verdeling". Zijn stelling dat de pensioenrechten hem als gevolg van de cessie niet meer toebehoorden, is ook in dat licht bezien onbegrijpelijk.

9. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent het niet-honoreren van het verweer van [appellant] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] aanspraak maakt op de helft van zijn pensioenrechten (r.o. 4.5 van het vonnis van 13 juli 2005). De argumenten die [appellant] in hoger beroep nog heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer op dit punt, leiden niet tot een andere conclusie.

10. De grieven 1 t/m 4 falen.

11. De grieven 5 en 6 zijn gericht tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis (r.o. 3.4) heeft overwogen aangaande de door [appellant] op 19 december 2001 ondertekende schuldbekentenis alsmede de uitleg daarvan, en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

12. [appellant] heeft zich met betrekking tot de vordering uit hoofde van de schuld-bekentenis primair verweerd door te stellen dat het hier feitelijk gaat om een schenking als bedoeld in artikel 7A:1719 (oud) BW en dat deze op grond van het bepaalde in dat artikel nietig is, immers ontbreekt daarvan een notariële akte.

12.1 Het betoog van [appellant] treft geen doel. Het gaat hier om een geval waarop art. 81 Overgangswet NBW van toepassing is. Het eerste lid van dat artikel omschrijft de situatie waarin een nietige rechtshandeling met terugwerkende kracht tot een onaantastbare wordt bekrachtigd, terwijl het derde lid dienaangaande bepaalt dat dit lid 1 slechts geldt indien alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen de handeling voordien als geldig hebben aangemerkt. De zinsnede "voordien als geldig hebben aangemerkt" beslaat de periode tussen het verrichten van de rechtshandeling - 19 december 2001 - en het alsnog vervuld geraken van het aanvankelijk geschonden vereiste, zijnde

1 januari 2003, de datum van inwerkingtreding van boek 7, titel 3 BW (vgl.

MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 249 ad art. 3:58 BW: "iemand heeft de rechtshandeling dan als geldig aangemerkt als hij noch een beroep op de nietigheid heeft gedaan noch ook een met die rechtshandeling strijdige gedraging heeft verricht").

12.2 Dat [appellant] ook reeds vóór 1 januari 2003 de geldigheid van de rechtshandeling had betwist, is gesteld noch gebleken. Integendeel, [appellant] heeft zich ook daarna nog, bij brief van 7 november 2003 (zie hiervóór r.o. 3.4), akkoord verklaard met aflossing op de bedoelde schuld. Het door [appellant] gedane beroep op de nietigheid van de door hem gestelde schenking wegens ontbreken van een notariële akte is daarom tevergeefs voorgesteld.

In het licht van het voorgaande is de eerst in deze procedure gemaakte betwisting van de geldigheid van de rechtshandeling te laat. Hierbij merkt het hof ten overvloede nog op dat het verweer van [appellant] dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om aan te tonen dat aan het onderhavige geschrift een andere oorzaak ten grondslag ligt dan een schenking, niet juist is. Het is aan [appellant] om, tegenover de stelling van [geïntimeerde] dat het hier gaat om een schuldbekentenis, aan te tonen dat het door hem als bevrijdend gevoerd verweer gevoerde betoog juist is (HR 13 juni 1997, NJ 1997, 562).

12.3 De - overigens door [geïntimeerde] weersproken - stelling van [appellant] dat ervoor is gekozen een en ander aldus vorm te geven om op die manier onevenredig hoge schenkingsrechten te voorkomen, is ook in hoger beroep niet van een nadere en deugdelijke onderbouwing voorzien. Bovendien, indien juist zou zijn dat [appellant] zich het lot van [geïntimeerde] aantrok en haar behulpzaam had willen zijn bij de aankoop van het appartement - wat daarvan zij, bezien in het licht van hetgeen [appellant] overigens ten aanzien van de verhouding tussen partijen heeft geschetst - lag het al helemaal niet voor de hand om die geldelijke ondersteuning in de vorm te gieten van een - naar de mening van [appellant] nietige - schenking. Alleen al de ongerijmdheid hiervan maken de stellingen van [appellant] ongeloofwaardig.

12.3 Gelet op dit alles had van [appellant] hoe dan ook gevergd mogen worden zijn stelling dat te dezen sprake is van een - nietige - schenkingsovereenkomst van een uitgebreidere feitelijke onderbouwing te voorzien. Nu hij dit heeft nagelaten is er voor een bewijsopdracht dienaangaande geen plaats.

12.4 De grieven falen.

13. Grief 7 klaagt dat [appellant] niet aanstonds is toegelaten tot bewijs van zijn subsidiaire verweer dat partijen zijn overeengekomen dat betaling uit hoofde van de schuldbekentenis slechts zou plaatsvinden onder de voorwaarde van belasting-teruggave over de jaren 1997 en 1998.

13.1 Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde], conform de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast ter zake op [appellant] rust, zodat het hof daarvan ook zal uitgaan.

De rechtbank heeft evenwel overwogen dat het gewenst is dat [appellant], alvorens hem tot bewijslevering toe te laten, zich eerst bij akte uitlaat over de vragen of, en zo ja, op welke wijze hij bewijs wenst te leveren. Het gaat hier om procesbeleid, dat zich uit zijn aard in beginsel niet leent voor toetsing in hoger beroep.

13.2 In appel heeft [appellant] zijn bewijsaanbod herhaald en daarbij aangegeven dat hij bewijs wil leveren met alle middelen rechtens en in het bijzonder door het doen horen van een met name genoemde getuige.

13.3 Naar het oordeel van het hof is het door [appellant] in hoger beroep gedane bewijsaanbod zodanig geconcretiseerd dat hij in zoverre geacht moet worden thans reeds te hebben voldaan aan hetgeen de rechtbank van hem heeft verlangd.

Slotsom

14. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd, met dien verstande dat [appellant] zal worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling omtrent de aan de schuldbekentenis verbonden voorwaarde. De zaak zal daarom naar de rechtbank worden verwezen ter verdere behandeling.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 13 juli 2005 waarvan beroep;

verwijst de zaak naar de rechtbank Leeuwarden om met inachtneming van dit arrest verder te worden behandeld;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die

tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 389,-- aan verschotten en op

€ 5.264,-- voor salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Hidma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 9 mei 2007.