Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA5195

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
BK 1086/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/39.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1086/04 11 mei 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Leeuwarden (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 1 mei 2004 een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.300,--, alsmede een boete van € 113,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij uitspraak d.d. 18 oktober 2004 de opgelegde aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage) dat op 30 november 2004 ter griffie van het hof is ingekomen. Bij een op dezelfde datum bij de griffie van het hof ingekomen brief (met bijlagen) heeft belanghebbende zijn beroepschrift aangevuld.

1.4 De inspecteur heeft op 19 januari 2005 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.5 Op 25 januari 2005 is opnieuw een brief (met bijlagen) van belanghebbende ter griffie van het hof ingekomen. De inspecteur heeft hierop gereageerd door middel van een aanvullend verweerschrift (met bijlagen) dat op 25 april 2005 ter griffie van het hof is ingekomen.

1.6 Belanghebbende heeft ter griffie van het hof omstreeks 10 mei 2005 diverse bescheiden overgelegd, alsmede is van hem op 13 mei 2005 ter griffie van het hof een brief binnengekomen.

1.7 Nadat de mondelinge behandelingen van de zaak op 9 mei 2005 en 22 juli 2005 geen doorgang hadden gevonden, danwel door het niet verschijnen van belanghebbende, danwel door honorering van een door belanghebbende gedaan verzoek om uitstel, heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 14 oktober 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, en namens de inspecteur A, bijgestaan door de heer B. De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 20 maart 2007, nadat op verzoek van belanghebbende de geplande mondelinge behandelingen op 9 december 2005 en 24 april 2006 (later gewijzigd in 26 april 2006) waren uitgesteld.

1.8 Ter zitting van 20 maart 2007 waren aanwezig namens de inspecteur de heer B, bijgestaan door C. Belanghebbende is ter zitting niet verschenen.

1.9 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 oktober 2005, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op .. september 19.., is ongehuwd. Belanghebbende heeft één dochter, D, geboren op .. november 19... Zij woont bij haar moeder in L.

2.3 Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een WAO/AAW-uitkering van € 23.300,-, loonheffing € 6.301,-.

2.4 De aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2002 is op 28 februari 2003 door de inspecteur aan belanghebbende verzonden. Deze aangifte had voor 1 april 2003 ingeleverd dienen te worden. Belanghebbende heeft nagelaten deze aangifte in te leveren en op 3 november 2003 heeft de inspecteur belanghebbende een aanmaning gestuurd. Belanghebbende werd hierbij in de gelegenheid gesteld de aangifte alsnog vóór 24 november 2003 in te leveren. Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan de aanmaning en de inspecteur heeft vervolgens ambtshalve op 1 mei 2004 een aanslag opgelegd waarbij het inkomen als volgt is vastgesteld.

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 23.300,-

(loonheffing € 6.301,-)

Vastgesteld inkomen box 1 € 23.300,-

Daarnaast heeft de inspecteur, gelijktijdig met de ambtshalve aanslag, aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd ten belope van € 113,-.

2.5 Voor de jaren 1998 en 2001 was eveneens een boete opgelegd, zodat voor het jaar 2002 sprake was van een derde verzuim.

2.6 Belanghebbende heeft tegen de ambtshalve opgelegde aanslag bezwaar aangetekend en een grote hoeveelheid stukken opgestuurd.

2.7 De inspecteur heeft de ambtshalve aanslag in bezwaar gehandhaafd.

2.8 Belanghebbende is voor de zitting van 20 maart 2007 zowel per brief met handtekening retour, als per gewone post, beide d.d. 20 februari 2007, aan het adres a-straat 12, 0000 YY te Z, onder vermelding van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling, uitgenodigd te verschijnen.

De uitnodiging per gewone post is, ongeopend, op 23 februari 2007 ter griffie van het hof retour ontvangen. De per brief met handtekening retour verzonden uitnodiging is, ongeopend, op 21 maart 2007 ter griffie van het hof retour ontvangen. Uit telefonische informatie van TNT Post en opgevraagde statusinformatie over verzonden poststukken via "Track & Trace" op internet, blijkt dat op 22 februari 2007 is getracht de "zending" af te leveren, maar dat belanghebbende op dat moment niet aanwezig was.

De griffier van het hof heeft op 26 februari 2007 het adres van belanghebbende bij de Gemeente M geverifieerd. Uit de reactie van de gemeente, d.d. 27 februari 2007, bleek dat opgegeven adres van belanghebbende, a-straat 12, 0000 YY te Z, nog steeds juist was.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Belanghebbende stelt dat bij de vaststelling van zijn belastbaar inkomen rekening gehouden moet worden met een persoonsgebonden aftrek als gevolg van, onder meer, de door hem gemaakte kosten voor medische verzorging, betaalde kinderalimentatie, scholingsuitgaven en gedane giften.

3.3 De inspecteur stelde zich in beroep aanvankelijk op het standpunt dat de opgelegde aanslag naar een juist bedrag was vastgesteld. Nadien heeft de inspecteur zijn standpunt gewijzigd en ter behandeling ter zittingen van 14 oktober 2005 en van 20 maart 2007 deelde de inspecteur mee akkoord te gaan met een persoonsgebonden aftrek tot een totaal bedrag van € 1.350,-- op grond van door belanghebbende gedane uitgaven voor levensonderhoud van zijn kind en met een giftenaftrek van € 90,-.

3.4 Voor een meer uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 6.1, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) dient onder persoonsgebonden aftrek te worden verstaan het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Ingevolge het tweede lid, onderdelen c, d, f en h zijn persoonsgebonden aftrekposten de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, scholingsuitgaven en aftrekbare giften.

4.2 Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij aanspraak kan maken op de persoonsgebonden aftrek heeft belanghebbende in de bezwaarfase diverse bescheiden aan de inspecteur doen toekomen.

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

4.3 Op grond van artikel 6.13, lid 1, van de Wet IB 2001, zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Uit artikel 6.15 van de Wet IB 2001 volgt dat de uitgaven voor levensonderhoud van een kind in aanmerking worden genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. De bedoelde regels zijn nader uitgewerkt in de artikelen 2 en 36 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Op grond van het eerste lid aanhef en onderdeel b van dit artikel worden indien de kosten van levensonderhoud van een kind van 6 jaar of ouder, doch jonger dan 12 jaar, in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken in aanmerking genomen tot een bedrag van € 315,-- per kalenderkwartaal.

4.4 Uit een overgelegd betalingsoverzicht van, naar het hof begrijpt, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen blijkt dat belanghebbende in het onderhavige jaar € 1.500,-- (inclusief opslag) in het levensonderhoud van zijn dochter heeft bijgedragen. Hoewel de betalingen niet gelijkmatig zijn geschied over de vier kwartalen van het onderhavige jaar, hetgeen in beginsel voor aftrek is vereist, heeft de inspecteur ter zitting van 20 maart 2007 aangegeven alsnog in te kunnen stemmen met een forfaitaire persoonsgebonden aftrekpost voor ieder kwartaal, als bedoeld in artikel 36, lid 1, letter b, van de Uitvoeringsregeling.

4.5 Voor zover belanghebbende een aanspraak claimt in verband met door hem gedane uitgaven voor twee andere kinderen, E en F, beiden geboren op .. december 19.., overweegt het hof het volgende. Vast staat dat beide kinderen geen eigen kinderen zijn van belanghebbende. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 wordt onder een kind mede verstaan een pleegkind. Dat beide kinderen pleegkinderen zijn van belanghebbende is echter niet aannemelijk geworden. Bovendien is niet gebleken van een financiële bijdrage van belanghebbende in de kosten van levensonderhoud van deze kinderen. Van een persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor levensonderhoud van kinderen als bedoeld in Afdeling 6.4 van de Wet IB 2001 kan dan ook geen sprake zijn.

Aftrekbare giften.

4.6 Op grond van Afdeling 6.9, de artikelen 6.32 tot en met 6.39, van de Wet IB 2001 kunnen, onder voorwaarden, giften als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen.

Belanghebbende stelt hieromtrent dat door hem betalingen zijn gedaan ten gunste van "G", "H" en "I".

De inspecteur heeft ter zitting van 14 oktober 2005 aangegeven dat de betalingen aan "G" zoals deze blijken uit de overgelegde bankafschriften als gift kunnen worden aangemerkt.

Het komt het hof voor dat de inspecteur hiermee niet van een onjuist standpunt uitgaat. Niet aannemelijk is geworden dat de overige bedragen zijn betaald en of dit aftrekbare giften zijn in de zin van de Wet IB 2001.

4.7 Het totaal van de betalingen aan "G" bedraagt € 322,10, minus de op grond van artikel 6.39, lid 1, van de Wet IB 2001 in aanmerking te nemen drempel van 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, ofwel € 233,--, kan het bedrag van de aftrekbare giften worden gesteld op € 90,-.

Buitengewone uitgaven.

4.8 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor een persoonsgebonden aftrek in verband met buitengewone uitgaven wegens ziekte.

4.9 Op grond van artikel 6.16 van de Wet IB 2001 zijn uitgaven wegens ziekte buitengewone uitgaven. De voor aftrek in aanmerking komende uitgaven wegens ziekte worden nader gedefinieerd in de artikelen 6.17, 6.18 en 6.19 van de Wet IB 2001.

De omvang van de in aanmerking te nemen uitgaven wordt beperkt door artikel 6.24 van de Wet IB 2001. Voor belanghebbende betekent dit een drempel van 11,2% van € 23.300,-, ofwel € 2.609,--.

Het hof is, op grond van het door belanghebbende gestelde en de door hem overgelegde bescheiden, van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake van de in aanmerking te nemen ziektekosten een hoger bedrag dan € 2.609,-- in het onderhavige jaar heeft uitgegeven.

Scholingsuitgaven.

4.10 Belanghebbende maakt ook nog aanspraak op scholingsuitgaven. Artikel 6.27 van de Wet IB 2001 bepaalt dat scholingsuitgaven uitgaven zijn voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Op geen enkele wijze is gebleken dat het bezoek aan Polen, kosten TMI, strategie, N en O hieraan voldoen, of niet onder de beperkingen van artikel 6.28 van de Wet IB 2001 vallen.

Persoonsgebonden aftrek, overig.

4.11 Indien belanghebbende op grond van andere uitgaven nog aanspraak meent te kunnen maken op een persoonsgebonden aftrek overweegt het hof dat hiervan niet is gebleken.

De boete.

4.12 Gelijktijdig met de ambtshalve aanslag IB/PV 2002 is aan belanghebbende een verzuimboete ad € 113,-- opgelegd.

4.13 Op grond van artikel 24a van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wordt een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag waarin een boete is begrepen mede te zijn gericht tegen de boete.

4.14 Artikel 67a van de AWR bepaalt dat, indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft gedaan, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 1.134,-- kan opleggen.

4.15 Ingevolge paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur bij een derde/volgend verzuim een boete op van € 113,-- indien de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld.

4.16 Nu belanghebbende heeft nagelaten tijdig aangifte te doen voor de IB/PV 2002, heeft de inspecteur gelet op het hiervoor overwogene naar het oordeel van het gerechtshof terecht een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd. Niet in geschil is immers dat belanghebbende ten minste twee eerdere verzuimen als bedoeld in artikel 67a van de AWR heeft begaan.

4.17 De boete is op 1 mei 2004 opgelegd. Gelet op de datum van de onderhavige uitspraak, ligt tussen de aankondiging/ de oplegging van de boete en de uitspraak -in de laatste feitelijke instantie- een periode van ruim 3 jaar. Uit de jurisprudentie, onder meer Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, BNB 2005/337c, komt naar voren dat bedoelde periode op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in beginsel niet langer dient te zijn dan twee jaar. Het hof dient derhalve ambtshalve na te gaan wat de reden is geweest voor de vertraging in de afdoening van de zaak.

4.18 Op 18 oktober 2004 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingediende bezwaar. Het beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar is op 30 november 2004 ter griffie van het hof binnengekomen. Vervolgens zijn op 9 mei, 22 juli, 14 oktober en 9 december 2005, 24/26 april 2006 en 20 maart 2007 zittingen gepland. Belanghebbende is, met uitzondering van de zitting van 14 oktober 2005, al dan niet met een tijdig daartoe strekkend ingediend bericht, niet verschenen. De behandeling ter zitting van 14 oktober 2005 kon als gevolg van gezondheidsklachten van belanghebbende niet worden afgerond.

Bij brief van 12 mei 2006 heeft belanghebbende aangekondigd schriftelijk te zullen aangeven wanneer hij zich lichamelijk weer in staat voelt ter zitting te verschijnen. Na voormelde brief is van belanghebbende niets meer vernomen. De behandeling van de zaak is vervolgens voortgezet ter zitting van 20 maart 2007.

4.20 Gelet op voormelde gang van zaken is het hof van oordeel dat de reden van de vertraging in de afdoening van de zaak voor een zeer groot deel gevonden moet worden in de proceshouding van belanghebbende. De omstandigheid dat de gezondheid van belanghebbende, naar zijn zeggen, aan het bijwonen van de geplande zittingen in de weg heeft gestaan, doet aan dit oordeel niet af, nu belanghebbende zich ter zitting had kunnen laten vertegenwoordigen.

Voor matiging van de boete om reden van tijdsverloop, acht het hof geen gronden aanwezig.

Gelet op de ernst van het feit, alsmede het hiervoor overwogene, acht het hof de hoogte van de verzuimboete ad € 113,-- passend en geboden.

4.17 Het vorenstaande betekent dat de grieven van belanghebbende ten dele slagen.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep gegrond is.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof zal deze kosten bepalen op afgerond € 25,-- aan gemaakte reiskosten door belanghebbende.

7. De beslissing.

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de ambtshalve aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.950,--;

handhaaft de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete van € 113, -;

gelast de Staat der Nederlanden belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 37,- te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 25,-- ; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 11 mei 2007 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en lid van de tweede enkelvoudige kamer, en uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 16 mei 2007