Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA4647

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
BK 12/06 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 12/06

Uitspraakdatum: 4 mei 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/1192 van de rechtbank Groningen van 23 januari 2006 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bellingwedde, de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ) heeft de heffingsambtenaar bij beschikking van 31 maart 2005 de waarde van de onroerende zaak a-straat 6 te Z (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld op € 267.000,--. De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. De waardepeildatum is 1 januari 2003.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 18 augustus 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2006, verzonden op 23 januari 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlage) van 26 februari 2006, bij het hof ingekomen op 28 februari 2006.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Van belanghebbende is op 12 februari 2007 nog een brief van 9 februari 2007 (met bijlage) ingekomen.

De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007.

Aldaar zijn verschenen de belanghebbende en zijn gemachtigde de heer A. Namens de heffingsambtenaar is -met telefonische kennisgeving- niemand verschenen. De belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning op een perceel van 6.406 m2 en met een inhoud van 359 m3.

2.2 In de nabijheid staan zeventien windturbines met een ashoogte van 98 m, een rotordiameter van 72 m en een totale hoogte van 133 m.

2.2 Bij de onder 1 vermelde beschikking is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op

€ 267.000,--. Voormelde waarde is bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld, welke vraag de belanghebbende bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt.

3.2 De belanghebbende is van mening dat de waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld omdat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met het waardedrukkende effect van de aanwezigheid van de windturbines, welke geluidsoverlast en beperking van uitzicht veroorzaakt. Belanghebbende staat een waarde voor van € 258.000,--. Dit bedrag heeft hij becijferd in zijn genoemde brief van 9 februari 2007.

3.3 De heffingsambtenaar acht de uitspraak van de rechtbank juist.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economische verkeer).

4.2 De heffingsambtenaar gaat uit van een waarde van de onroerende zaak van € 267.000,-. Belanghebbende bepleit een waarde die € 9.000,- lager ligt. Dit verschil is niet meer dan 4% van € 267.000,-. Ingevolge het bepaalde in artikel 26a van de WOZ wordt de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde dan toch geacht juist te zijn, ook al zou belanghebbende dit verschil van € 9.000,- terecht aanvoeren.

4.3 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 4 mei 2007 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 9 mei 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.