Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA4386

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
0500193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen hebben in het kader van de ontwikkeling van een nieuw voetbalstadion voor FC Groningen een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Partijen - FC Groningen daarbij vertegenwoordigd door haar voorzitter [voorzitter FC Groningen] en haar directeur [directeur FC Groningen], en Lalan door haar directeur [directeur Lalan] - hebben het daarvan opgemaakte contract (hierna: de samenwerkingsovereen-komst) op 3 juli 2001 ondertekend. [..] In dit geding gaat het uitsluitend om de vraag of Lalan op grond van de bepalingen van de - door FC Groningen beëindigde - samenwerkingsovereenkomst recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte kosten en ingebrachte kennis, ervaring en arbeidskracht, welke vergoeding blijkens de tekst van de laatste alinea van artikel 11 van de overeenkomst ƒ 1.250,-- per dagdeel exclusief btw bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 2 mei 2007

Rolnummer 0500193

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Lalan Sport & Leisure B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Lalan,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr. W.O. Groustra, advocaat te Amsterdam,

tegen

F.C. Groningen B.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: FC Groningen,

procureur: mr. P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr. W.A. Entzinger, advocaat te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 31 maart 2004 en 5 januari 2005 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 1 april 2005 is door Lalan hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van FC Groningen tegen de zitting van

20 april 2005.

Het petitum van het appelexploot luidt:

"de vonnissen van de rechtbank te Groningen d.d. 31 maart 2004 en 5 januari 2005 tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 64502 HAZA 03-291 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde alsnog te veroordelen tot betaling aan appellante van:

- de vergoeding inzake de door appellante gemaakte kosten en ingebrachte kennis,

ervaring en arbeidskracht ter grootte van € 422.381,85;

- de wettelijke rente over genoemd bedrag met ingang van de dag der beëindiging van de

overeenkomst, 18 juli 2002, tot de dag der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke kosten ad. € 4.448,--,

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van deze procedure."

Lalan heeft, onder overlegging van 17 producties, een memorie van grieven genomen, waarvan de conclusie luidt:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen d.d. 31 maart 2004 en 5 januari 2005 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding en derhalve FC Groningen te veroordelen tot betaling aan Lalan een bedrag groot € 371.753,27 (te verhogen met de daarover verschuldigde BTW), althans

€ 345.309,00 (te verhogen met de daarover verschuldigde BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2002 tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de kosten der beide instanties."

Door FC Groningen is bij memorie van antwoord verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd, met als conclusie:

"tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep,

maar met vernietiging van het eindvonnis voorver het de proceskostenveroordeling betreft,

met veroordeling van Lalan, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties."

FC Groningen heeft ter griffie van het hof bewijsstukken (2 kantooragenda's) gedeponeerd.

Lalan heeft in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het door FC Groningen ingestelde incidentele appèl af te wijzen, hetzij door de vordering ongegrond te verklaren, hetzij door FC Groningen niet ontvankelijk te verklaren, kosten rechtens."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Lalan heeft in het principaal appel elf grieven opgeworpen, terwijl door FC Groningen in het incidenteel appel één grief is voorgesteld.

De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

1. Tegen de weergave door de rechtbank van de vaststaande feiten in rechtsover-weging 1 (1.1 t/m 1.5) in het beroepen (tussen)vonnis van 31 maart 2004 is, behoudens na te melden uitzonderingen, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep in zoverre van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna nog met betrekking tot de feiten zal worden overwogen (zie r.o. 4).

2. Het gaat in dit geding - samengevat - om het volgende.

2.1. Partijen hebben in het kader van de ontwikkeling van een nieuw voetbalstadion voor FC Groningen een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Partijen - FC Groningen daarbij vertegenwoordigd door haar voorzitter [voorzitter FC Groningen] en haar directeur [directeur FC Groningen], en Lalan door haar directeur [directeur Lalan] - hebben het daarvan opgemaakte contract (hierna: de samenwerkingsovereen-komst) op 3 juli 2001 ondertekend.

2.2. Artikel 11 van de samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:

"Ieder van partijen heeft het recht om deze overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen:

- indien Euroborg N.V. i.o. haar goedkeuring, als bedoeld in punt 3, aan

het businessplan onthoudt;

- (...)

- (...)

- (...)

FC Groningen is in al deze gevallen aan Lalan een vergoeding verschuldigd voor de door haar tot het betreffende moment gemaakte kosten en ingebrachte kennis, ervaring en arbeidskracht. Deze vergoeding bedraagt ƒ 1.250,-- per dagdeel exclusief b.t.w."

2.3. In de artikelsgewijze toelichting is bij artikel 11 vermeld:

"Hier is beschreven dat FC Groningen slechts een consultantfee aan [directeur Lalan] verschuldigd is indien het businessplan wordt afgewezen, indien FC Groningen geen overeenstemming met [directeur Lalan] kan bereiken omtrent de definiëring van autonome groei en overwinst, indien de financiering niet voor 1 januari 2002 gerealiseerd kan worden en indien Euroborg en FC Groningen c.q. de exploitatiemaatschappij geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent overdracht van de eigendom en exploitatierechten."

2.4. Bij brief van 18 juli 2002 heeft FC Groningen aan Lalan het volgende meegedeeld:

"Geachte heer [directeur Lalan],

Uit bijgaande brief van Euroborg NV blijkt opnieuw bezorgdheid over het feit dat Ebex tot op heden niet in staat is gebleken de gevraagde garanties met betrekking tot de financiering van de koopsom van het stadion te leveren.

Omwille van het belang van het Euroborg-project voor de toekomst van FC Groningen hebben wij derhalve besloten op grond van artikel 11 van onze samenwerkingsovereenkomst d.d. 3 juli 2001 gebruik te maken van ons recht om de samenwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.

(...)"

De vordering

3. Stellende dat zij op grond van de bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst recht heeft op vergoeding van door haar gemaakte kosten en ingebrachte kennis, ervaring en arbeidskracht, heeft Lalan gevorderd FC Groningen te veroordelen tot betaling van € 442.381,85 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2002, met de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.448,-- en met de proceskosten.

3.1. Na door FC Groningen gevoerd verweer, heeft de rechtbank de vordering van Lalan - met inachtneming van een reeds door FC Groningen aan Lalan betaald bedrag van € 84.583,27 - toegewezen tot een bedrag van pro resto € 53.961,50 (exclusief btw), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2002. Voorts is FC Groningen veroordeeld in de proceskosten.

Voorts in het principaal appel

4. De grieven 1 en 2 keren zich tegen de vaststelling door de rechtbank van de vast-staande feiten in het tussenvonnis van 31 maart 2004.

4.1. In grief 1 komt Lalan op tegen de vaststelling door de rechtbank dat partijen op

3 juli 2001 een samenwerkingsovereenkomst (hebben) gesloten.

4.2. Anders dan Lalan kennelijk van mening is, heeft de rechtbank niet vastgesteld dat de feitelijke samenwerking tussen partijen eerst is aangevangen na ondertekening van de overeenkomst. De grief mist derhalve feitelijke grondslag en faalt daarom.

4.3. In grief 2 wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uit de algemene- en artikelsgewijze toelichting op de samenwerkingsovereenkomst heeft geciteerd alsof die toelichting en overeenkomst onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden.

4.4. Lalan betwist (zie de voetnoot bij punt 10 van de inleidende dagvaarding) slechts de juistheid van de artikelsgewijze toelichting voor zover die afwijkt van de letterlijke bewoordingen van de samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 11 van de samenwerkingsovereenkomst - waarop Lalan zijn vordering ter zake van vergoeding van gemaakte kosten en ingebrachte kennis, ervaring en arbeidskracht baseert - en de toelichting daarop wijken niet van elkaar af, zodat Lalan bij deze grief geen belang heeft.

5. De overige grieven (3 t/m 11) komen op tegen de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van de vordering van Lalan. De grieven lenen zich voor gezamen-lijke behandeling.

6. Vooropgesteld moet worden dat naar 's hofs oordeel Lalan met de door hem overgelegde stukken genoegzaam heeft aangetoond dat de (feitelijke) samen-werking tussen partijen niet eerst een aanvang heeft genomen op de datum van de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst - 3 juli 2001 - maar dat die samenwerking al eerder gestalte heeft gekregen en dat daaraan door Lalan ook inhoud is gegeven.

6.1. Dat Lalan in die tijd mogelijk ook voor Euroborg N.V. - een door de gemeente Groningen en de gezamenlijke projectontwikkelaars/aannemers opgezette vennootschap die leiding gaf aan de realisatie van het nieuwe stadion - werkzaam was, doet hieraan niet af. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de datum

3 juli 2001 slechts moet worden gezien als de datum waarop partijen hun handtekening hebben gezet onder de definitieve tekst van de samenwerkingsover-eenkomst, waarvan het eerste concept al begin september 2000 is opgesteld en waarop vervolgens nog een aantal keren wijzigingen zijn aangebracht.

6.2. In hoeverre dit voor de beoordeling van het geschil verder van belang zal zijn, blijkt hierna.

7. In dit geding gaat het uitsluitend om de vraag of Lalan op grond van de bepalingen van de - door FC Groningen beëindigde - samenwerkingsovereen-komst recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte kosten en ingebrachte kennis, ervaring en arbeidskracht, welke vergoeding blijkens de tekst van de laatste alinea van artikel 11 van de overeenkomst ƒ 1.250,-- per dagdeel exclusief btw bedraagt. De vraag of FC Groningen al dan niet terecht de samenwerkings-overeenkomst heeft beëindigd, vormt hier uitdrukkelijk geen onderwerp van geschil.

8. Lalan heeft haar vordering ter zake vergoeding van de door haar in het kader van de samenwerkingsovereenkomst verrichte werkzaamheden gebaseerd op het door haar zelf vervaardigd overzicht van die werkzaamheden en van de daaraan bestede uren. Primair stelt zij dat met deze werkzaamheden sedert begin mei 2000 in totaal 3218 uren (= 804,5 dagdelen) gemoeid zijn geweest, en subsidiair, uitgaande van gewerkte uren vanaf 4 september 2000 - de datum van het eerste concept - 3032 uren (=757,88 dagdelen).

8.1. FC Groningen heeft de juistheid van het door Lalan verstrekte overzicht betreffende de urenspecificatie gemotiveerd weersproken, zowel voor wat betreft de verantwoording van het aantal te declareren uren als ook van de urenbesteding zelf. Bovendien betwist FC Groningen dat Lalan enige vergoeding toekomt voor werkzaamheden welke zijn verricht vóórdat partijen de samenwerkingsovereen-komst hebben getekend. Ter onderbouwing van haar verweer heeft FC Groningen twee kantooragenda's, door middel van een depot ter griffie van het hof, in het geding gebracht. De in die agenda's genoteerde afspraken aangaande het stadionproject zouden, aldus FC Groningen, uitwijzen dat de urenspecificatie van Lalan onjuist is.

9. Gelet op dit gemotiveerde verweer van FC Groningen lag het op de weg van Lalan zijn vordering minst genomen van enige nadere onderbouwing te voorzien. Dat heeft zij nagelaten, nu zij haar vordering kennelijk slechts wenst te baseren op de door haarzelf - achteraf - opgemaakte urenspecificatie. Hoewel daartoe in de gelegenheid zijnde, heeft Lalan zelfs niet de moeite genomen haar uren-specificatie te vergelijken met de gegevens zoals die zouden kunnen worden afgeleid uit de door FC Groningen gedeponeerde kantooragenda's. Aldus heeft Lalan nagelaten de juistheid van haar vordering in voldoende mate inzichtelijk te maken. Geconcludeerd moet dan ook worden dat Lalan in zoverre niet heeft voldaan aan haar stelplicht, hetgeen met zich brengt dat voor bewijslevering geen plaats is.

10. De conclusie moet dan ook luiden dat de vordering van Lalan - ongeacht welke datum tot uitgangspunt zou worden genomen voor het in rekening brengen van gewerkte uren - niet is komen vast te staan.

Op grond van het in appel geldende beginsel van "reformatio in peius", mee-brengende dat een appellant door zijn hoger beroep - in het geval voor wat betreft de door de rechtbank toegewezen vordering geen incidenteel appel is ingesteld - niet in een slechtere positie mag worden gebracht, zal het eindvonnis van de rechtbank van 5 januari 2005, voor zover daarin de vordering van Lalan is toegewezen tot een bedrag van € 53.961,50 exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2002, echter in stand moeten blijven.

11. De grieven behoeven voor het overige geen inhoudelijke behandeling.

Voorts in het incidenteel appel

12. De grief in het incidenteel appel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om FC Groningen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen.

12.1. Van de oorspronkelijk bij inleidende dagvaarding ingestelde vordering van Lalan ter grootte van € 442.381,85 is door de rechtbank uiteindelijk € 138.544,77 - inclusief hetgeen FC Groningen reeds aan Lalan had betaald - toewijsbaar geoordeeld, welk oordeel in hoger beroep standhoudt. Lalan dient derhalve als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd. Het hof ziet hierin aanleiding om FC Groningen te veroordelen in een/vierde gedeelte van de proceskosten aan de zijde van Lalan, zodat laatstgenoemde haar kosten voor drie/vierde gedeelte zelf dient te dragen.

12.2. De grief slaagt in zoverre.

Slotsom

In het principaal en het incidenteel appel

13. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het (tussen)vonnis van 31 maart 2004 moet worden bekrachtigd en dat het eindvonnis van 5 januari 2005, doch uitsluitend voor zover het betreft de daarin uitgesproken proceskosten-veroordeling, dient te worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal FC Groningen worden veroordeeld in een/vierde gedeelte van de aan de zijde van Lalan in eerste aanleg gevallen proceskosten, in totaal begroot op € 3.931,20 aan verschotten en voor wat betreft het salaris voor de procureur op € 3.129,-- (berekend naar 31/2 procespunten, volgens tarief IV), totaal € 7.060,20. Van die kosten dient FC Groningen derhalve een/vierde gedeelte te voldoen, zijnde € 1.765,05.

13.1. Voor het overige zal het eindvonnis van 5 januari 2005 worden bekrachtigd.

13.2. Lalan moet in het principaal appel als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd en om die reden zal zij in de proceskosten daarvan worden veroordeeld (3 procespunten, tarief IV).

13.3. In het incidenteel appel is Lalan slechts voor een deel in het ongelijk gesteld. Daarom zal Lalan worden veroordeeld in een/vierde gedeelte van de in het incidenteel appel aan de zijde van FC Groningen gevallen kosten, welke totaal worden begroot op € 815,50 (1 procespunt, helft van tarief IV). FC Groningen zal voor het overige - drie/vierde gedeelte - haar kosten van het incidenteel appel hebben te dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en het incidenteel appel

bekrachtigt het beroepen tussenvonnis van 31 maart 2004;

vernietigt het eindvonnis van 5 januari 2005 waarvan beroep, doch uitsluitend voor wat betreft de proceskostenveroordeling,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt FC Groningen in het een/vierde gedeelte van de in eerste aanleg aan de zijde van Lalan gevallen proceskosten, welke in totaal worden begroot op

€ 7.060,20 (zijnde € 3.931,20 aan verschotten en € 3.129,-- aan salaris voor de procureur), zodat FC Groningen daarvan dient te voldoen € 1.765,05;

bekrachtigt genoemd eindvonnis d.d. 5 januari 2005 voor het overige;

voorts in het principaal appel

veroordeelt Lalan in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van FC Groningen begroot op € 5.731,-- aan verschotten en op € 4.893,-- aan salaris voor de procureur;

voorts in het incidenteel appel

veroordeelt Lalan in het een/vierde gedeelte van de aan de zijde van FC Groningen gevallen proceskosten, totaal begroot op € 815,50 aan salaris voor de procureur, zodat Lalan daarvan dient te voldoen € 203,88;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Voorink, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 2 mei 2007.