Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA4009

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
01-05-2007
Zaaknummer
0600482
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen de vennootschap onder firma Lambda als huurster en [verhuurder] als verhuurder is met ingang van 1 januari 1997 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] voor de duur van vijf jaren. Na ommekomst van die vijf jaren is de huurovereenkomst verlengd met vijf jaren tot 1 januari 2007. Appellant is op enig moment eigenaar en dus verhuurder van het betreffende pand geworden. [..] Bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft appellant in hoofdsom aanspraak gemaakt op betaling van de huurpenningen en energiekosten over de maanden april tot en met oktober 2005, door hem begroot op € 7.125, 28. Lambda c.s. hebben in conventie verweer gevoerd tegen de vordering van appellant, stellende dat de huurovereenkomst met instemming van appellant is beëindigd per 1 april 2005. In voorwaardelijke reconventie hebben Lambda c.s. aanspraak gemaakt op restitutie van beweerdelijk teveel door hen betaalde energiekosten en op afgifte van nota's en afrekeningen terzake van levering van energie aan het gehuurde pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 25 april 2007

Rolnummer 0600482

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. T.H. Pasma,

tegen

1. V.O.F. Lambda,

gevestigd te Leeuwarden,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Lambda c.s.,

procureur: mr. M.R. Bartels.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 25 augustus 2006 door de sector kanton, locatie Leeuwarden van de rechtbank Leeuwarden, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 september 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Lambda c.s. tegen de zitting van 4 oktober 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis op 25 augustus 2006 gewezen in de procedure tussen appellant als eiser in conventie tevens als gedaagde in reconventie en geïntimeerden als gedaagde in conventie tevens eisers in reconventie en opnieuw rechtdoende geïntimeerden te veroordelen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan appellant [appellant] te betalen een bedrag van € 19.559,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding d.d. 15 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening en voorts Lambda te veroordelen in de proceskosten in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Lambda c.s., onder overlegging van producties, verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in het appel althans dit af te wijzen, en het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton locatie Leeuwarden, op 25 augustus 2006 onder rolnummer CV EXPL 05-6600 gewezen, te bevestigen, en [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Als gesteld en niet betwist, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de - in eerste aanleg - overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast:

- Tussen de vennootschap onder firma Lambda als huurster en [verhuurder] als verhuurder is met ingang van 1 januari 1997 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] voor de duur van vijf jaren. Na ommekomst van die vijf jaren is de huurovereenkomst verlengd met vijf jaren tot 1 januari 2007. [appellant] is op enig moment eigenaar en dus verhuurder van het betreffende pand geworden.

- Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte (gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank Den Haag op 12 april 1989 en aldaar ingeschreven onder nummer 58/1989) van toepassing.

- Krachtens het bepaalde in de huurovereenkomst is opzegging slechts mogelijk tegen het einde van de lopende termijn van vijf jaren. Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploit of aangetekende brief met inachtneming van een termijn van ten minste 12 maanden.

- Bij aangetekende brief d.d. 14 december 2004 hebben Lambda c.s. de huur opgezegd "met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn." In bedoelde brief is verder het volgende vermeld: "Eventueel willen wij, in onderling overleg de huur eerder beëindigen."

- Lambda c.s. hebben op 31 januari 2005 andermaal een brief aan [appellant] gezonden. In deze brief staat - onder meer - het volgende: " Hiermee bevestig ik het gesprek dat ik met u had op donderdag j.l. over de opzegging van de huur van noordvliet 243, in welke u Lambda v.o.f. toestemming verleent per 31 maart 2005 de huurovereenkomst te ontbinden."

- Bij aangetekende brief van 31 maart 2005 hebben Lambda c.s. het volgende aan [appellant] geschreven: "Hierbij alle sleutels van [adres]. Het alarmsysteem is volledig intact en staat uit. De toegangscode tot het alarm is 6797. Bedankt voor het vertrouwen in ons."

- Lambda c.s. hebben de huurpenningen tot en met maart 2005 voldaan.

- Bij brief d.d. 26 oktober 2005 zijn Lambda c.s. door de raadsman van [appellant] aangemaand tot het voldoen van de huurpenningen over de sedert 1 april 2005 verstreken maanden, onder de mededeling dat de huurovereenkomst eerst op 1 januari 2007 contractueel eindigt.

2. Bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] in hoofdsom aanspraak gemaakt op betaling van de huurpenningen en energiekosten over de maanden april tot en met oktober 2005, door hem begroot op € 7.125, 28.

3. Lambda c.s. hebben in conventie verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant], stellende dat de huurovereenkomst met instemming van [appellant] is beëindigd per 1 april 2005. In voorwaardelijke reconventie hebben Lambda c.s. aanspraak gemaakt op restitutie van beweerdelijk teveel door hen betaalde energiekosten en op afgifte van nota's en afrekeningen terzake van levering van energie aan het gehuurde pand.

4. [appellant] erkent dat tussen partijen telefonisch overleg is gevoerd omtrent de wens van Lambda c.s. om de huurovereenkomst tussentijds te beëindigen, doch hij stelt dat hij daarbij steeds heeft aangegeven dat van tussentijdse beëindiging eerst sprake kon zijn als er een vervangende huurder zou zijn gevonden, zodat hij geen schade zou lijden tengevolge van de voortijdige beëindiging.

5. De kantonrechter heeft zowel de vordering in conventie als de vordering in (voorwaardelijke) reconventie afgewezen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het appel:

6. Blijkens de appeldagvaarding is appel ingesteld van het gehele vonnis van de kantonrechter. Nu geen grieven zijn ontwikkeld tegen de beslissing die de kantonrechter - in weerwil van het voorwaardelijke karakter daarvan - in reconventie heeft gegeven, kan [appellant] in zoverre niet in zijn appel worden ontvangen.

Met betrekking tot de grieven:

7. De grieven richten zich tegen de door de kantonrechter in conventie gegeven beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

8. Nu vaststaat dat opzegging van de huurovereenkomst door Lambda c.s. eerst mogelijk was tegen 1 januari 2007, behoeft de vraag of de huurovereenkomst door middel van de brief van 14 december 2004 op rechtsgeldige wijze is opgezegd geen beantwoording.

9. Het verweer van Lambda c.s. slaagt alleen als genoegzaam komt vast te staan dat de huurovereenkomst met wederzijdse instemming per 1 april 2005 is ontbonden. Lambda c.s. dragen de bewijslast van hun stelling dat [appellant] met die tussentijdse beëindiging heeft ingestemd. Op basis van de vaststaande feiten moet echter

worden geoordeeld dat Lambda c.s. dat bewijs voorshands in voldoende mate hebben bijgebracht, zodat de instemming van [appellant] vaststaat, behoudens eventueel door hem te leveren tegenbewijs.

10. In dat verband verdient opmerking dat de brieven van 31 januari 2005 en van 31 maart 2005 weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten, dat is gesteld noch gebleken dat [appellant] de sleutels van het gehuurde niet bij brief van 31 maart 2005 heeft ontvangen en dat een schriftelijke reactie van [appellant] op een en ander pas bijna zeven maanden later is gevolgd. [appellant] stelt weliswaar dat hij diverse keren telefonisch contact met Lambda c.s. over de kwestie heeft gevoerd, maar uit zijn stellingen ter zake valt niet op te maken dat hij na de retourzending van de sleutels bij Lambda c.s. heeft geprotesteerd.

11. Nu [appellant] in hoger beroep in het geheel geen bewijsaanbod heeft gedaan, zal hij niet worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs als hiervoor bedoeld.

12. De grieven treffen geen doel.

Slotsom

13. Het vonnis waarvan beroep zal - onder verbetering van gronden - worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris gemachtigde: 1 punt tarief I).

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 25 augustus 2006, voorzover in reconventie gewezen;

bekrachtigt bedoeld vonnis voorzover in conventie gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Lambda c.s. begroot op € 248,-- aan verschotten en op € 632,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Kuiper en De Hek, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 april 2007.