Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA3991

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
01-05-2007
Zaaknummer
0500293
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH4041, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH4041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat - ook wanneer het mede acht zou slaan op het verslag van het interview van betrokkene 2 - appellanten hun stelling dat zij als vervoerder hebben voldaan aan hun uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichting tot aflevering aan OOO 'Stroyinvest-K' als geadresseerde in het licht van de betwisting door AIG onvoldoende hebben onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat OOO 'Stroyinvest-K' als een verlengstuk van Dyker moet worden gezien, zoals appellanten blijkens hun stelling bij memorie van grieven ingang willen doen vinden, nog daargelaten wat daaronder rechtens moet worden verstaan en welke consequenties dat zou hebben. Evenmin kan op grond van de stellingen, producties en het interview met betrokkene 2 worden aangenomen dat Dyker in die zin als ontvanger moet worden aangemerkt dat de vervoerde goederen uiteindelijk voor Dyker waren bestemd en evenmin dat die goederen ook daadwerkelijk door Dyker zijn ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 april 2007

Rolnummer 0500293

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [naam 1] Oost-Europa B.V.,

gevestigd te Coevorden,

2. [naam 1] Coevorden B.V.,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: [naam 1] Coevorden

3. Transportgroep [naam 1] B.V.,

gevestigd te Coevorden,

hierna te noemen: Transportgroep [naam 1],

appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

1. A.I.G. Europe S.A.,

gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

hierna te noemen: AIG.,

2. Oesterreichische Philips Industrie Gesellschaft mbH,

gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

3. Philips Domestic Appliance and Personal Care B.V.,

gevestigd te Groningen,

4. [naam 2] Expeditie B.V.,

gevestigd te Vianen,

5. OOO 'Stroyinvest-K',

gevestigd te Moskou (Rusland),

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Philips c.s.,

procureur: mr. J.B. Dijkema.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 november 2001, 28 juni 2002 en 17 november 2004 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 14 februari 2005 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 28 juni 2002 en 17 november 2004 met dagvaarding van Philips c.s. tegen de zitting van 1 juni 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis a quo voorzover appellanten daarvan in hoger beroep zijn gekomen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, geïntimeerden alsnog niet ontvankelijk te verklaren in hun in prima ingestelde vorderingen althans hen deze te ontzeggen, met veroordeling bij voorraad van geïntimeerden in de kosten van beide instantiën."

Bij memorie van antwoord is door Philips c.s. verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"[naam 1] Coevorden dient niet ontvankelijk te worden verklaard. De overige appellanten zijn niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen de andere appellanten dan AIG.

Het vonnis van de Rechtbank dient te worden bekrachtigd voor zover het betreft de veroordeling van [appellanten]. Het dient te worden vernietigd voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. [appellanten] dienen te worden veroordeeld om ook de buitengerechtelijke kosten te betalen vermeerderd met rente zoals in eerste aanleg gevorderd. Als in het ongelijk gesteld dienen [appellanten] te worden veroordeeld in de kosten van het geding."

Door [appellanten] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"bij arrest incidenteel appellanten in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering af te wijzen, en het vonnis van de Rechtbank Groningen voor het gedeelte terzake de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten te bekrachtigen, met veroordeling van incidenteel appellanten, bij voorraad, in de kosten van deze procedure."

Voorts hebben [appellanten] een akte genomen en hebben Philips c.s. een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben in het principaal appel drie grieven opgeworpen.

Philips c.s. hebben in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid in het principaal appel

1. Philips c.s. hebben onbestreden bij memorie van antwoord onder 4 aangevoerd dat [naam 1] Coevorden op 30 december 1998 is opgehouden te bestaan door een fusie met Transportgroep [naam 1].

2. [naam 1] Coevorden dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar appel. Hierna zal de aanduiding [appellanten] nog slechts worden gebruikt voor [naam 1] Oost-Europa B.V. en Transportgroep [naam 1].

3. [appellanten] hebben hun appel gericht tegen de vijf gezamenlijk als Philips c.s. aangeduide vennootschappen. De rechtbank heeft echter alleen de vordering van AIG toegewezen en de vorderingen van de overige geïntimeerden afgewezen, zodat [appellanten] wegens het ontbreken van belang in hun appel tegen deze overige geïntimeerden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

4. Het hof zal er dus in het navolgende van uitgaan dat het geschil in hoger beroep nog slechts de appellanten [naam 1] Oost-Europa B.V. en Transportgroep [naam 1], gezamenlijk [appellanten], en de geïntimeerde AIG betreft.

5. [appellanten] hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 28 juni 2002, zodat zij ook in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun appel.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid in het incidenteel appel

6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid in het principaal appel is slechts AIG ontvankelijk in haar vordering in het incidenteel appel en wel voor zover dit is ingesteld tegen [naam 1] Oost-Europa B.V. en Transportgroep [naam 1].

Met betrekking tot de feiten, zowel in het principaal als in het incidenteel appel

7. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (a tot en met g) van genoemd vonnis van 28 juni 2002 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, voor zover nog van belang voor het in omvang beperkte geschil in hoger beroep.

Met betrekking tot de grieven in het principaal appel

Grief I

8. De grief betreft het oordeel van de rechtbank dat het [appellanten] niet was toegestaan om af te leveren aan de firma Dyker in plaats van aan het in de CMR-vrachtbrief als ontvanger vermelde bedrijf OOO 'Stroyinvest-K'. Ter toelichting op de grief stellen [appellanten] dat OOO 'Stroyinvest-K' als een verlengstuk van Dyker moet worden gezien, refererend aan de stelling bij pleidooi in eerste aanleg (pleitnota van mr. Van Hasselt onder 24) dat Dyker Company de eindontvanger is die ten behoeve van de aflevering in casu gebruik maakte van OOO 'Stroyinvest-K'. [appellanten] beroepen zich voorts op een schriftelijk verslag van een interview dat in 2003 is gehouden door [betrokkene 1 ], correspondent van [appellanten] in Moskou, met de chauffeur [betrokkene 2 ], die het transport heeft verzorgd na aankomst van de truck in Moskou naar de douanepost Tushino en vandaar naar de feitelijke plaats van aflevering in Balashikha. Een kopie van dit schriftelijk verslag is door [appellanten] overgelegd bij akte van 20 september 2006.

9. AIG heeft bij antwoordakte van 18 oktober 2006 gesteld dat de betreffende productie als te laat overgelegd door het hof buiten beschouwing moet worden gelaten.

10. Het hof is van oordeel dat - ook wanneer het mede acht zou slaan op het verslag van het interview van [betrokkene 2 ] - [appellanten] hun stelling dat zij als vervoerder hebben voldaan aan hun uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichting tot aflevering aan OOO 'Stroyinvest-K' als geadresseerde in het licht van de betwisting door AIG onvoldoende hebben onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat OOO 'Stroyinvest-K' als een verlengstuk van Dyker moet worden gezien, zoals [appellanten] blijkens hun stelling bij memorie van grieven ingang willen doen vinden, nog daargelaten wat daaronder rechtens moet worden verstaan en welke consequenties dat zou hebben. Evenmin kan op grond van de stellingen, producties en het interview met [betrokkene 2 ] worden aangenomen dat Dyker in die zin als ontvanger moet worden aangemerkt dat de vervoerde goederen uiteindelijk voor Dyker waren bestemd en evenmin dat die goederen ook daadwerkelijk door Dyker zijn ontvangen.

11. Grief I faalt.

Grief II

12. [appellanten] doen - kennelijk - in hun tweede grief wederom een beroep op overmacht in de zin van artikel 17 lid 2 CMR-verdrag, dat door de rechtbank in rechtsoverweging 5 van het bestreden vonnis van 17 november 2004 is verworpen.

13. Het hof leest in de stellingen van [appellanten] in dit verband geen andere stellingen dan reeds door haar in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, behoudens voor zover [appellanten] ook in het verband van deze grief mede een beroep doen op het hiervoor reeds genoemde verslag van het interview met [betrokkene 2 ].

14. Het hof kan zich verenigen met de door de rechtbank voor de afwijzing van het beroep op overmacht gegeven motivering en maakt die tot de zijne. Het hof is voorts van oordeel dat met betrekking tot dit beroep op overmacht in het verslag van het interview met [betrokkene 2 ] geen althans onvoldoende aanknopingspunten naar voren komen voor een ander oordeel. Om die reden komt het hof ook niet toe aan het aanbod van [appellanten] om te bewijzen dat de door haar gestelde feiten en omstandigheden een beroep op overmacht rechtvaardigen.

15. Grief II faalt.

Grief III

16. [appellanten] stellen dat in geen geval sprake is van opzet of grove schuld in de zin van artikel 29 CMR-verdrag, die een doorbreking van de beperking van de aansprakelijkheid op grond van artikel 23 CMR-verdrag rechtvaardigt.

17. Ook hier geldt dat ook in hoger beroep [appellanten] de gemotiveerde stellingen van AIG omtrent de gang van zaken rond het transport en de aflevering, althans het achterwege blijven daarvan, in Moskou onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Het hof verenigt zich ook te dien aanzien met de door de rechtbank gegeven motivering en maakt die tot de zijne. Ook hier geldt dat, voor zover al het verslag van het interview met [betrokkene 2 ] mede in de beschouwingen zou moeten worden betrokken, dit verslag onvoldoende feiten of omstandigheden bevat die tot een andersluidend oordeel zouden leiden. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 2 ] juist bevestigt dat er sprake was van grove schuld van [appellanten] Om die reden komt het hof ook in dit verband niet toe aan het door [appellanten] ter zake gedane bewijsaanbod, waarbij nog komt dat [appellanten] niet hebben gesteld dat [betrokkene 2 ] meer of anders zou kunnen verklaren dan is neergelegd in het genoemde verslag van het interview met hem.

18. De grief faalt.

Met betrekking tot de grief in het incidenteel appel

19. AIG klaagt erover dat de rechtbank in het vonnis van 17 november 2004 de gevorderde buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 23 lid 4 laatste zinsdeel CMR-verdrag niet heeft toegewezen.

20. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de genoemde bepaling van artikel 23 lid 4 CMR-verdrag geen ruimte laat voor de toewijzing van buitengerechtelijke kosten, omdat - wat er overigens ook zij van het antwoord op de vraag of deze daadwerkelijk zijn gemaakt, redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt moesten worden - deze kosten niet zijn gemaakt met betrekking tot het vervoer en mitsdien niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit oordeel staat niet in de weg aan een veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, omdat deze veroordeling niet een schadevergoeding betreft, waarvan sprake is in artikel 23 lid 4 CMR-verdrag, maar een veroordeling is van eigen aard op grond van artikel 237 Rv., gebaseerd op de omstandigheid dat AIG als winnende partij ten onrechte door [appellanten] als verliezende partij in een procedure is betrokken.

21. De grief faalt.

De slotsom.

22. [naam 1] Coevorden, [appellanten], alsmede Philips c.s. met uitzondering van AIG dienen in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard zoals hiervoor is overwogen in rechtsoverwegingen 1 tot en met 6.

Het vonnis van 17 november 2004 dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel (tarief VI, 1,5 punt) en Philips c.s in het incidenteel appel (tarief I, 0,5 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel

verklaart [naam 1] Coevorden niet-ontvankelijk in haar hoger beroep zowel tegen het bestreden vonnis van 28 juni 2002 als dat van 17 november 2004;

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 28 juni 2002;

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 17 november 2004, voor zover dit betreft Philips c.s. met uitzondering van AIG;

in het incidenteel appel

verklaart Philips c.s. met uitzondering van AIG niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 17 november 2004;

in het principaal en incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van 17 november 2004;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel en begroot die aan de zijde van Philips c.s. tot aan deze uitspraak op € 5.731,-- aan verschotten en € 4.894,50 aan salaris voor de procureur;

veroordeelt Philips c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die aan de zijde van [appellanten] tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en € 316,-- aan salaris voor de procureur en verklaart deze veroordeling in de proceskosten van Philips c.s. uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Keur en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 april 2007.