Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA3532

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
0500054, 0500055 en 0500087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover thans relevant en verkort weergegeven, heeft het hof in de rechtsoverwegingen 35 en 36 van zijn tussenarrest geoordeeld dat op de in dat arrest neergelegde gronden voorshands bewezen moet worden geacht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door Hart van Friesland geleden schade als gevolg van het nalaten van het (doen) verwijderen van slib uit de havens van Hart van Friesland, zulks behoudens door de gemeente te leveren tegenbewijs. Aan de gemeente was in het kader van dat tegenbewijs gelegenheid geboden - zakelijk weergegeven - bij akte een feitelijke en deugdelijke onderbouwing te geven aan haar stellingen dat de slibaanwas in de havens van Hart van Friesland een natuurlijke oorzaak had, alsmede dat het "natuurkundig onmogelijk" is dat slib zo lang blijft zweven dat het pas in de havens van Hart van Friesland neerslaat. Het hof stelt vast dat uit de laatstgenomen akte van de gemeente niet in toereikende mate blijkt van een feitelijke onderbouwing van haar hierboven aangehaalde stellingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij (de gemeente) niet aansprakelijk is voor de door Hart van Friesland gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 18 april 2007

Rolnummer 0500054, 0500055 en 0500087

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken na voeging in de zaken van:

1. rolnr. 0500054

Aannemingsmaatschappij [naam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: DVW,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

Watersportcentrum "Hart van Friesland" B.V.,

gevestigd te Uitwellingerga,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Hart van Friesland,

procureur: mr. J. de Goede, thans mr. J.B. Dijkema,

2. rolnr. 0500055

Gemeente Wymbritseradiel,

zetelende te Ylst,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

Watersportcentrum "Hart van Friesland" B.V.,

gevestigd te Uitwellingerga,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Hart van Friesland,

procureur: mr. J. de Goede, thans mr. J.B. Dijkema,

3. rolnr. 0500087

Grontmij Advies en Techniek B.V.,

gevestigd te De Bilt,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Grontmij,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

tegen

Watersportcentrum "Hart van Friesland" B.V.,

gevestigd te Uitwellingerga,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Hart van Friesland,

procureur: mr. J. de Goede, thans mr. J.B. Dijkema.

De inhoud van de arresten d.d. 23 augustus 2006 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop in de zaak met rolnummer 0500055

De gemeente heeft een akte genomen, waarop Hart van Friesland bij akte heeft geantwoord.

Daarna hebben partijen de stukken opnieuw overgelegd voor arrest.

Het verdere procesverloop in de zaken met rolnummer 0500054 en 0500087

Partijen hebben geen proceshandelingen verricht. Zij hebben de gedingstukken opnieuw overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling in de zaak met rolnummer 0500055 (de gemeente tegen Hart van Friesland)

1. Voor zover thans relevant en verkort weergegeven, heeft het hof in de rechtsoverwegingen 35 en 36 van zijn tussenarrest geoordeeld dat op de in dat arrest neergelegde gronden voorshands bewezen moet worden geacht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door Hart van Friesland geleden schade als gevolg van het nalaten van het (doen) verwijderen van slib uit de havens van Hart van Friesland, zulks behoudens door de gemeente te leveren tegenbewijs.

2. Aan de gemeente was in het kader van dat tegenbewijs gelegenheid geboden - zakelijk weergegeven - bij akte een feitelijke en deugdelijke onderbouwing te geven aan haar stellingen dat de slibaanwas in de havens van Hart van Friesland een natuurlijke oorzaak had, alsmede dat het "natuurkundig onmogelijk" is dat slib zo lang blijft zweven dat het pas in de havens van Hart van Friesland neerslaat.

3. Het hof stelt vast dat uit de laatstgenomen akte van de gemeente niet in toereikende mate blijkt van een feitelijke onderbouwing van haar hierboven aangehaalde stellingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij (de gemeente) niet aansprakelijk is voor de door Hart van Friesland gestelde schade. Immers beperkt de gemeente zich voornamelijk tot niet nader geadstrueerde opmerkingen zoals - in essentie weergegeven - dat "uit onderzoek blijkt" dat de natuurlijke baggeraanwas een omvang heeft van 2 tot 4 centimeter per jaar (akte punt 12), dat "uit de praktijk is gebleken" dat slibdeeltjes zich rondom en in de nabijheid van een baggerlocatie door opwerveling kunnen verspreiden in een laag van maximaal enkele centimeters diep (akte punt 8), en dat het "eenvoudigweg" onmogelijk is dat slibdeeltjes zich kunnen hebben verplaatst vanuit het Ges over een afstand van meer dan één tot enkele meters naar het begin van de havens (akte punt 9).

4. Een en ander heeft (ook) de gemeente gebracht tot de constatering (akte punt 13) - in essentie - dat een natuurlijke slibaanwas de door Hart van Friesland gestelde slibophopingen in haar havens niet volledig kan verklaren, welke constatering zij vergezeld heeft doen gaan van de - gelet op het voorgaande ontoereikend onderbouwde - stelling dat het "natuurkundig onmogelijk" is dat de gestelde slibtoename in de havens van Hart van Friesland het gevolg is van de door de gemeente geïnitieerde baggerwerkzaamheden. Waar de gemeente in dat verband (opnieuw) heeft aangevoerd dat haars inziens niet vast staat dat de slibophopingen er niet ook al vóór de baggerwerkzaamheden waren, verwijst het hof naar hetgeen hij te dien aanzien heeft beslist in r.o. 33 - 35 van het tussenarrest, ten aanzien van de daarin vervatte bindende eindbeslissingen het hof geen grond ziet om daarop thans terug te komen.

5. Al met al heeft de gemeente ook in haar laatste akte geenszins een toereikende feitelijke onderbouwing gegeven aan haar stellingen die, indien bewezen, het hof tot een ander oordeel aanleiding zou kunnen geven. Hoewel het tegenbewijs van rechtswege open staat en geen nadere specificatie behoeft, heeft - ook in hoger beroep - te gelden dat eerst voor toelating tot (nadere) bewijslevering, waaronder tegenbewijs, plaats is wanneer de door Hart van Friesland gestelde feiten mede in het licht van het reeds aanwezige bewijsmateriaal voldoende gemotiveerd zijn betwist, waarvan in het onderhavige geval in het licht van het voorgaande geen sprake is (vgl. HR 14-11-2003, NJ 2005, 269). Mitsdien acht het hof geen plaats voor de door de gemeente aangeboden bewijslevering door middel van het voorbrengen van (deskundige) getuigen of door het inwinnen van een deskundigenbericht.

6. Het boven overwogene brengt met zich dat ook subgrief IV-c doel mist. Daarmee staat vast dat geen van de grieven van de gemeente tot vernietiging kan leiden, zodat het vonnis waarvan beroep waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de gemeente jegens Hart van Friesland aansprakelijk is, op de gronden zoals weergegeven in dit arrest alsmede in het tussenarrest dient te worden bekrachtigd.

7. Waar de rechtbank nog geen eindvonnis heeft gewezen, zal het hof de zaak terugwijzen ter fine van de vaststelling van de (omvang van de) schade die Hart van Friesland als gevolg van het onrechtmatig handelen van de gemeente heeft geleden.

8. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal de gemeente de kosten van de procedure in hoger beroep dienen te dragen (tarief IV, 3 1/2 punt). Voor de door Hart van Friesland gevorderde (voorwaardelijke) veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten biedt het recht geen toereikende grondslag.

9. Hetgeen partijen overigens nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De verdere beoordeling in de zaken met rolnummer 0500054 en 0500087 (DVW resp. Grontmij tegen Hart van Friesland)

10. Het hof heeft reeds in meergenoemd tussenarrest overwogen dat de bestreden vonnissen waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat DVW en Grontmij jegens Hart van Friesland aansprakelijk zijn, dienen te worden vernietigd.

11. Daarnaast heeft het hof bepaald dat het de zaken aan zich zal houden en daarin einduitspraak zal doen. Hetgeen Hart van Friesland heeft gevorderd van DVW en Grontmij zal worden afgewezen. Hart van Friesland zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van beide instanties voorzover betrekking hebbend op de procedures tussen deze partijen, alsmede in de kosten van het voegingsincident (aan de zijde van DVW en Grontmij te berekenen in tarief IV, elk 4 punten in prima en in appel 4 punten voor DVW en 4 1/2 punt voor Grontmij).

De beslissing

Het gerechtshof:

in de zaak met rolnummer 0500055 (de gemeente tegen Hart van Friesland)

bekrachtigt op de gronden als boven omschreven het vonnis van de rechtbank d.d. 17 november 2004, waarvan beroep;

veroordeelt de gemeente in de kosten van de procedure in hoger beroep alsmede in die van het voegingsincident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hart van Friesland te begroten op € 2465,-- aan verschotten en € 5.708,50 voor salaris, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de rechtbank Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de zaak met rolnummer 0500054 (DVW tegen Hart van Friesland)

vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 17 november 2004, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het door Hart van Friesland gevorderde;

veroordeelt Hart van Friesland in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DVW als volgt te begroten:

in prima: € 1570,-- aan verschotten en € 3.576,-- voor salaris;

in appel alsmede in het voegingsincident: € 2536,93 aan verschotten en € 6.524,-- voor salaris;

in de zaak met rolnummer 0500087 (Grontmij tegen Hart van Friesland)

vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 17 november 2004, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het door Hart van Friesland gevorderde;

veroordeelt Hart van Friesland in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grontmij als volgt te begroten:

in prima: € 1570,-- aan verschotten en € 3.576,-- voor salaris;

in appel alsmede in het voegingsincident: € 2551,93 aan verschotten en

€ 7.339,50 voor salaris.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Janse en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 april 2007.