Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA3007

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
24-00457-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD2775
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BD2775
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, na in de ochtend een hoeveelheid vrijwel zuivere amfetamine te hebben gebruikt, op 1 augustus 2005 allereerst getracht zijn vriendin, [slachtoffer 1], van het leven te beroven. Hij heeft daartoe zijn kunstgebit in haar mond geduwd en getracht dit met zijn tong verder in de keel van [slachtoffer 1] te duwen. Verder heeft hij haar gestompt en met een metalen stang geslagen. Verdachte heeft bij [slachtoffer 1] de overtuiging gewekt dat hij probeerde haar van het leven te beroven. Om haar leven te redden is [slachtoffer 1] op het moment dat verdachte haar losliet, naar het balkon gerend, over de balustrade geklommen en heeft zich op de grond laten vallen. [slachtoffer 1] liet in paniek haar beide kinderen achter in de woning. Zij heeft vervolgens de politie laten waarschuwen, omdat haar kinderen nog bij de agressieve verdachte waren achtergebleven. Ongeveer een kwartier later trof de politie de levenloze lichamen van de beide kinderen aan in de woning van verdachte. De kinderen zijn op zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Op diverse plaatsen op hun lichamen hadden ze tal van verwondingen, veroorzaakt door het slaan met een kandelaar en het steken met een mes. Bovendien heeft verdachte de keel van [slachtoffer 2] samengedrukt. Ten gevolge van de verwondingen zijn de kinderen overleden, zo blijkt uit de sectierapporten.

Verwijzing door Hoge Raad naar Gerechtshof Arnhem; LJN BD2775

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000457-06

Parketnummer eerste aanleg: 18-630354-05

Arrest van 16 april 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 16 februari 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Haaglanden, PCS Unit 4 (BIBA en BGG) te 's-Gravenhage,

ter terechtzitting verschenen. Tevens is verschenen de raadsman van verdachte

mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd en heeft de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 4 juli 2006, 12 september 2006, 5 december 2006, 19 december 2006 en 12 maart 2007, onderbroken en voortgezet op 19 maart 2007 en 2 april 2007, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair (moord), 2 primair (moord) en 3 primair (poging tot moord) ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, dat het hof aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen en dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van

€ 18.219,20.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Rapporten en verklaringen van getuige-deskundigen

Vooraf merkt het hof op dat in deze zaak is gerapporteerd door J.M. Oudejans, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, en A.G.S. de Ranitz, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC). Hun rapport dateert van 13 januari 2006.

Op verzoek van verdachte en zijn raadsman hebben in het kader van een contra-expertise gerapporteerd:

- A.M. Korebrits, forensisch psychiater, vast gerechtelijk deskundige, d.d. 5 maart 2007;

- C. de Ruiter, gezondheidszorg psycholoog BIG, klinisch psycholoog NIP en forensisch psycholoog, d.d. 23 maart 2007.

Daarnaast zijn genoemde rapporteurs ter zitting van het hof gehoord als getuige-deskundige. Tevens is als getuige-deskundige gehoord psychiater B.T. Takkenkamp.

De feiten

Het hof gaat bij de beoordeling van de zaak en de bespreking van de verweren van de raadsman uit van de navolgende vaststaande feiten.

[slachtoffer 1] en haar twee kinderen, [slachtoffer 2], 2 jaar oud, en [slachtoffer 3], 4 jaar oud, zijn vanaf eind maart 2005 bij de broer van [slachtoffer 1] te [plaats 1] ingetrokken en hebben daar verdachte leren kennen. Begin juni 2005 zijn zij bij verdachte gaan wonen aan [adres] te [plaats 2]. Verdachte had op dat moment gedurende ongeveer vier jaren veelvuldig amfetamine gebruikt en was daaraan verslaafd geraakt. Verdachte betrok zijn amfetamine van een vaste dealer. Op 29 juli 2005 heeft verdachte opnieuw een hoeveelheid amfetamine gekocht en heeft daarvan reeds vóór

1 augustus 2005 gebruikt. Verdachte constateerde toen dat de amfetamine anders was dan de vorige keren. Op grond hiervan stelt het hof vast dat verdachte wist dat de amfetamine kennelijk van een andere samenstelling was dan gewoonlijk en hierdoor een andere uitwerking op hem had of zou kunnen hebben. Op 31 juli 2005 hebben verdachte en [slachtoffer 1], nadat ze beiden van de laatst gekochte amfetamine hadden gebruikt, religieus getinte gesprekken met elkaar gevoerd.

In de ochtend van 1 augustus 2005 waren verdachte, [slachtoffer 1] en de beide kinderen in de woning van verdachte. Verdachte heeft die ochtend op het toilet opnieuw amfetamine gebruikt. Hierna is hij wederom met [slachtoffer 1] in gesprek gegaan. Op een zeker moment heeft hij haar zo stevig omhelsd, dat ze uit evenwicht raakten en vielen. Verdachte begon [slachtoffer 1] vervolgens hevig te zoenen. Op dat moment ervoer [slachtoffer 1] een omslag in de houding van verdachte van liefdevol in onbeheerst agressief. Verdachte duwde zijn kunstgebit in de mond van [slachtoffer 1]. Zij kon op dat moment geen kant op, doordat verdachte boven op haar lag, en had het idee dat verdachte haar op deze manier wilde laten stikken. Zij voelde dat verdachte zijn kunstgebit verder in haar keel duwde. Ze heeft zich hiertegen verzet. Op een gegeven moment liet verdachte [slachtoffer 1] los en is gaan bidden. Na enige tijd pakte hij [slachtoffer 1] echter weer vast, begon harder te praten en te schelden en probeerde het hoofd van [slachtoffer 1] om te draaien, hetgeen niet is gelukt, doordat [slachtoffer 1] haar lichaam meedraaide. Hierna begon hij haar te stompen. Vervolgens pakte hij een metalen voorwerp en sloeg [slachtoffer 1] daarmee. Toen [slachtoffer 1] er achter kwam dat verdachte haar niet meer vasthield, is zij naar het balkon gerend, over de balustrade geklommen en heeft zich van de eerste verdieping naar beneden laten vallen. Op dat moment waren de beide kinderen van [slachtoffer 1] alleen met verdachte in de woning en leefden ze nog. Ongeveer een kwartier later trof de op verzoek van [slachtoffer 1] gealarmeerde politie verdachte in zijn woning aan. Tevens werden de beide kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met zeer ernstig letsel in de woning aangetroffen. Zij waren beiden toen reeds overleden.

Verdachte heeft aangegeven met betrekking tot de ten opzichte van beide kinderen gepleegde feiten zelf geen enkele herinnering te hebben. Hij heeft daarover dan ook in zijn afgelegde verklaringen niets gezegd. Gelet op de toedracht als hiervoor weergegeven staat voor het hof vast dat verdachte de beide kinderen om het leven heeft gebracht. Voorts gaat het hof er vanuit dat verdachte de feiten heeft gepleegd terwijl hij verkeerde in een psychotische toestand als gevolg van amfetaminegebruik.

Verweren van de raadsman

Ten aanzien van het opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet op de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de cognitieve vermogens van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten door een ontstane amfetaminepsychose dermate beperkt waren dat hij niet in staat is geweest opzet op welke gedraging dan ook te hebben gehad. Bovendien is naar de mening van de raadsman ook voorwaardelijk opzet niet te bewijzen. Verdachte zou dan de aanmerkelijke kans moeten hebben aanvaard dat hij door het amfetaminegebruik in een psychose zou komen te verkeren en daarbij zou hij de kans, dat hij tijdens een dergelijke psychose de verweten feiten zou plegen, moeten hebben aanvaard. Nu verdachte niet heeft geweten en ook niet kon weten dat deze gevolgen zouden intreden, kan niet worden gezegd dat hij de kans, dat dit wel zou gebeuren, voor lief heeft genomen, aldus de raadsman. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat opzet op de feiten niet louter kan worden aangenomen op basis van culpa in causa.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Om te beoordelen of er sprake is geweest van opzet op de ten laste gelegde feiten, dient in beginsel te worden uitgegaan van het moment van het plegen van die feiten. Uit de verklaringen van de verschillende deskundigen, welke zij ter terechtzitting van het hof hebben afgelegd, volgt dat, wanneer iemand evident in dit type psychose verkeert, die persoon gedurende de psychose niet de vrijheid heeft om zijn wil te bepalen en keuzes te maken, althans niet in de context van de feitelijke realiteit, en alsdan ontoerekeningsvatbaar is. Dit was bij verdachte het geval, zo blijkt uit de verklaringen. In die zin zou er aldus geen sprake zijn geweest van opzet op de feiten.

Het hof is, gelet op na te noemen omstandigheden, echter van oordeel dat dit in casu anders is. In zijn algemeenheid is het bekend dat amfetamine een uitwerking heeft op de hersenfunctie. Vooraf is het nooit bekend wat de precieze samenstelling van de drug is, zodat een gebruiker van tevoren nooit precies weet, en in beginsel ook niet kan weten, wat de gevolgen van het gebruik van de drug zullen zijn. Amfetamine is immers een verboden drug en slechts via illegale weg te verkrijgen. Verdachte had vóór 1 augustus 2005 al een hoeveelheid amfetamine gebruikt van dezelfde portie amfetamine die hij ook op 1 augustus 2005 weer heeft gebruikt. Verdachte heeft verklaard dat hij daardoor wist dat de amfetamine anders was dan de amfetamine die hij eerder had gebruikt. Het hof acht, op basis van hetgeen daaromtrent door de ter terechtzitting gehoorde deskundigen is verklaard, het aantal psychoses als gevolg van amfetaminegebruik dusdanig groot, dat bekend verondersteld mag worden dat iemand door het gebruik van drugs in een psychose kan geraken. Daarnaast komen ook impulsdoorbraken en geweldgebruik tijdens een psychose geregeld voor. Hoewel de exacte gevolgen hiervan in een concreet geval niet te voorspellen zijn, is het wel bekend dat iemand zich tijdens een psychose ongecontroleerd kan gedragen. Het hof is aldus met de raadsman van oordeel dat verdachte niet heeft voorzien dat hij tijdens de psychose juist deze ernstige feiten zou plegen, maar is wel van oordeel dat verdachte zich willens en wetens in een situatie van intoxicatie heeft gebracht en daarmee aan zichzelf heeft te wijten dat hij in een psychotische toestand is geraakt. Verdachte wist, gelet op zijn jarenlange intensieve amfetaminegebruik, wat de risico's van zijn drugsgebruik zouden kunnen zijn.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte door een herhaald gebruik van de op 29 juli 2005 gekochte amfetamine, waarvan hij wist dat deze anders was dan de amfetamine die hij eerder had gehad, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in een psychose zou geraken en tijdens die psychose gewelddadige handelingen zou kunnen verrichten. Aldus is het hof van oordeel, dat het opzet, zoals ten laste is gelegd, bewezen kan worden.

Ten aanzien van de voorbedachte raad

De raadsman heeft aangevoerd dat het element voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er ten tijde van de psychose voor verdachte geen ruimte is geweest om zich te beraden op genomen of te nemen besluiten en ook niet voor het kunnen nadenken over en overzien van de gevolgen van het handelen. Bovendien is niet gebleken dat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten enig moment van rust of bezinning heeft gekend gedurende welke hij heeft nagedacht of heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat ook de voorbedachte raad niet kan worden geconstrueerd met behulp van een culpa in causa-redenering.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor het aanwezig zijn van voorbedachte raad de maatstaf niet alleen is dat er tijd was om na te kunnen denken over het handelen en de gevolgen daarvan, maar ook dat de verdachte daadwerkelijk gebruik kon maken van die gelegenheid om daarover na te denken. Over die gelegenheid heeft onder andere getuige-deskundige De Ranitz ter terechtzitting van het hof verklaard, zakelijk weergegeven:

'Als iemand psychotisch is, is hij het contact met de realiteit kwijt. Tijdens de psychose zijn de wil en de keuzes gebaseerd op onjuiste aannames en emoties, die mogelijk niet passen bij de realiteit. Ik denk dat er wel ruimte is geweest voor beraad, maar dit beraad zal zijn gestoeld op onjuiste waarnemingen en een vertekend beeld van de realiteit. Binnen een psychose kunnen oorzaak en gevolg logisch lijken. Voor iemand die de psychose niet heeft of, als de psychose over is, voor degene die de psychose heeft gehad, zal die logica er niet zijn. Een toetsing aan de realiteit is tijdens een psychose niet mogelijk.'

Zowel uit deze verklaring als uit de verklaringen van de andere door het hof gehoorde getuige-deskundigen, die een overeenkomstige strekking hebben als de verklaring van

De Ranitz, volgt dat het mogelijk is dat verdachte tijdens de psychose zich heeft beraden op zijn handelen, maar dat er geen ruimte was voor een realiteitstoetsing. Het hof is van oordeel dat in het dossier geen aanwijzingen aanwezig zijn voor enig realiteitsbesef tijdens de circa vijftien minuten gedurende welke de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het bidden door verdachte goed in de psychosetoestand van verdachte kan passen. Ook verdachte zelf geeft geen aanwijzingen voor een eventueel realiteitsbesef.

Aldus is het hof van oordeel dat verdachte heeft gehandeld op basis van de psychotische beelden die hij ten tijde van het plegen van de feiten had, te weten dat hij zowel [slachtoffer 1] als de beide kinderen als duivels zag. Dit was zijn eigen realiteit, die in geen enkel opzicht overeen kwam met de feitelijke realiteit. Verdachte kon daardoor zijn handelen en de gevolgen daarvan niet aan de realiteit toetsen. Het realiteitsbesef ontbrak volledig. Aldus heeft verdachte geen gebruik kunnen maken van de gelegenheid om zich op zijn handelen en de gevolgen daarvan te beraden, zodat naar het oordeel van het hof geen sprake kan zijn van voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 01 augustus 2005 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- meermalen met (een of meerdere delen van) een kandelaar geslagen op het hoofd van [slachtoffer 3] en met een mes gestoken en gesneden in het lichaam van [slachtoffer 3] en

- de hals van [slachtoffer 3] doorgesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden;

2.

hij op 01 augustus 2005 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- meermalen met (een of meerdere delen van) een kandelaar geslagen op het hoofd en lichaam van [slachtoffer 2] en

- met kracht de hals van [slachtoffer 2] samengedrukt en/of met kracht op de hals van [slachtoffer 2] geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

3.

hij op 01 augustus 2005 te [plaats 2], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- zijn kunstgebit in de mond en keel van [slachtoffer 1] heeft geduwd en verder geduwd en

- het hoofd van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en gedraaid en

- meermalen heeft gestompt tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en

- met een stang heeft geslagen op het hoofd en schouder en rug van [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feiten 1 en 2 telkens:

doodslag;

feit 3:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Alvorens over de strafbaarheid van verdachte te beslissen, bespreekt het hof het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot het rapport van het PBC van 13 januari 2006.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof d.d. 12 maart 2007 en (wederom) op 2 april 2007 aangevoerd dat het PBC-rapport niet mag worden gebruikt zonder de instemming daarvoor van de verdediging, welke instemming uitdrukkelijk niet wordt gegeven. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2007 opnieuw is aangevangen en het rapport meer dan een jaar daarvoor is gedagtekend. De raadsman baseert zijn verweer op artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft ten aanzien van dit verweer reeds tijdens de terechtzitting van

12 maart 2007 een beslissing genomen. Het hof heeft toen overwogen dat de terechtzitting op 4 juli 2006 is aangevangen en dat toen verstek is verleend tegen verdachte. Nadien hebben drie vervolgzittingen plaatsgevonden, waarbij verdachte niet aanwezig was. Nu verdachte op 12 maart 2007 wel aanwezig was, is het verstek tijdens die zitting vervallen verklaard, waarbij tevens, zoals door de wet voorgeschreven, het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen. Artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat er instemming van de verdediging moet zijn verkregen indien het rapport eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend. Genoemd artikel 37 ziet niet op de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Nu het rapport is gedagtekend op 13 januari 2006 en de terechtzitting is aangevangen op 4 juli 2006, heeft het hof bepaald dat het rapport ten tijde van de aanvang van de terechtzitting minder dan een jaar oud was en aldus in beginsel bruikbaar is. Het hof blijft bij dat oordeel en herhaalt dat thans.

Het hof acht het rapport thans bruikbaar, nu de getuige-deskundigen Oudejans en De Ranitz ter terechtzitting hebben verklaard dat zij nog achter de inhoud van het rapport staan en dat het rapport nog steeds actueel is.

Toerekeningsvatbaarheid

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman stelt zich daartoe op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, nu er sprake was van een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten, er een causaal verband bestaat tussen die stoornis en de gepleegde feiten en de stoornis van zodanige aard is dat zij de toerekening van de feiten in de weg staat. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat er bij de deskundigen geen twijfel bestaat over het feit dat verdachte de feiten heeft gepleegd tijdens een heftige stoornis en dat bovendien de deskundigen van mening zijn dat verdachte de feiten niet had gepleegd indien er geen psychose was geweest, zodat ook het causale verband als vaststaand moet worden aangenomen. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de autonome verslavingsziekte van verdachte dermate ernstig was, dat er niet meer kan worden gezegd dat hij vrijwillig amfetamine gebruikte. Bovendien was voor verdachte niet voorzienbaar dat hij psychotisch ontregeld zou geraken en dat er agressieve impulsdoorbraken zouden plaatsvinden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt met betrekking tot het voorgaande het volgende. De deskundigen die in deze zaak hebben gerapporteerd hebben zich allen uitgelaten over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Door Oudejans en De Ranitz is een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Hun bevindingen, alsmede de daaruit getrokken conclusies, zijn neergelegd in hun rapport van 13 januari 2006. Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

'Bij betrokkene is sprake van een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis, afhankelijkheid van amfetamine (speed) en een psychotische decompensatie (nu in remissie). De narcistische persoonlijkheidsstoornis, de verslaving aan amfetamine en de psychotische decompensatie hangen nauw met elkaar samen.

De ten laste gelegde feiten zijn door betrokkene gepleegd in een psychotische toestand. Hierdoor heeft hij de greep op zichzelf, zijn gedachten, zijn handelingen geheel verloren, resulterend in een massale doorbraak van agressieve impulsen. Het onderzoekend team is van mening dat de psychotische decompensatie en de massale agressieve impulsdoorbraak het gevolg zijn van een samenspel tussen een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en een verslaving aan amfetamine. Hoewel er een nauw verband bestaat tussen betrokkenes ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en zijn ernstige afhankelijkheid van amfetamine, heeft de persoonlijkheidsstoornis zijn vrijheid om er voor te kiezen om al dan niet amfetaminen te gebruiken niet volledig aangetast. Hoewel ook de autonome ernstig verslavende eigenschappen van amfetamine betrokkenes vermogen om het gebruik te minderen of te staken ernstig hebben aangetast, kan toch worden geconcludeerd dat betrokkene enige, zij het zeer beperkte verantwoordelijkheid draagt voor het zichzelf in een toestand van psychotische ontregeling brengen, en daarmee voor de massale doorbraak van agressieve impulsen die daar rechtstreeks uit voortvloeit. Op grond van voorgaande overwegingen is het onderzoekend team van mening dat het ten laste gelegde betrokkene slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.'

Ter zitting van het hof heeft Oudejans onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

'Verdachte lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De verwachting is dat hij onder invloed van die amfetamineafhankelijkheid ontregeld is geraakt. Daar speelt de narcistische persoonlijkheidsstoornis ook een rol. We hebben aangetoond dat vanuit die narcistische persoonlijkheidsstoornis er een gevoeligheid is voor psychotische ontregeling.

Wij concluderen uiteindelijk dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. Als iemand evident psychotisch is ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, zou je in principe tot ontoerekeningsvatbaarheid komen. In dit geval zijn wij echter van mening dat verdachte in de keuzevrijheid, waar het gaat om het gebruik van middelen, ernstig belemmerd werd op basis van de narcistische persoonlijkheidsstoornis en simpelweg vanwege het feit dat er sprake is van een verslaving, maar dat die vrijheid om al dan niet amfetamine te gebruiken niet volledig afwezig was. Het moment van toerekening wordt hiermee terug in de tijd verschoven naar het moment waarop hij deze amfetamine gebruikte.

Bij het bepalen van de mate van toerekeningsvatbaarheid speelt de voorzienbaarheid geen rol. Het stukje toerekeningsvatbaarheid zit dus niet zozeer in de juridische culpa in causa-redenering, maar in de keuzevrijheid van het gebruik.

De feiten zouden niet zijn gepleegd als er geen psychotische decompensatie had plaatsgevonden.

Ik zou alleen concluderen tot ontoerekeningsvatbaarheid voor het gebruik van middelen als iemand vanuit een psychotische beleving de overtuiging heeft dat hij die middelen moet nemen omdat hij anders bijvoorbeeld doodgaat. Je hebt gradaties bij het bepalen van de ontoerekeningsvatbaarheid voor het al dan niet gebruiken van middelen. De conclusie sterk verminderd toerekeningsvatbaar doet recht aan de vrijheid die er nog wel is geweest.'

De Ranitz heeft ter zitting van het hof onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

'Ik ben nog steeds van mening dat er een evidentie is voor het aanwezig zijn van een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Het stukje toerekeningsvatbaarheid schuilt in de keuze om amfetamine te gebruiken en om amfetamine te blijven gebruiken op het moment dat deze amfetamine van een andere kwaliteit blijkt te zijn dan normaal.

Wij zijn tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid gekomen, omdat wij van mening zijn dat de combinatie van de ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en de langdurig bestaande verslaving, die over het algemeen onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de hersenen van mensen, iemand behoorlijk beperkt in de wilsvrijheid, maar er is zeker geen sprake van ontoerekeningsvatbaarheid. Als gedragskundige zie ik de toerekenbaarheid in iemands mogelijkheden om zijn vrije wil te kunnen bepalen. Ik vind het niet relevant of iemand wel of niet wist dat hij een psychose zou kunnen krijgen door het gebruik van amfetamine.

Ik acht het niet aannemelijk dat verdachte tot deze handelingen zou zijn gekomen als hij niet in een psychose was geraakt.'

De conclusies van het rapport van Korebrits houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

'Betrokkene is lijdend aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis en ten tijde van het ten laste gelegde was er daarnaast sprake van een psychotische stoornis door amfetamine met wanen en hallucinaties, na misbruik van amfetamine. Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze stoornissen aanwezig. Slechts de psychotische stoornis na amfetamine beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes, c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde, als gevolg waarvan betrokkene geen controle meer had over zijn gedrag c.q. handelen.

Aangezien betrokkene voorafgaand aan het ten laste gelegde fors amfetamine had gebruikt en hem bekend had moeten zijn dat het misbruik van middelen in het algemeen kan leiden tot ernstige medische en vooral psychiatrische stoornissen, is hij als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.'

Ter terechtzitting van het hof heeft Korebrits zijn rapport als volgt toegelicht, zakelijk weergegeven:

'Ik ken geen duidelijke samenhang tussen een narcistische persoonlijkheidsstoornis en misbruik van amfetamine. Naar mijn inzicht zou verdachte niet psychotisch zijn geworden als hij geen amfetamine zou hebben gebruikt.

Ik zou spreken van een lichte persoonlijkheidsstoornis bij verdachte. Dat hangt samen met het feit dat ik denk dat de gedragingen van verdachte niet uitsluitend op grond van de narcistische persoonlijkheidsstoornis kunnen worden verklaard. Ik denk dat er nog een heleboel andere dingen in zijn leven zijn, die van belang zijn, bijvoorbeeld zijn verslaving.

Ik ben van mening dat het evident is dat er een directe samenhang bestaat tussen het misbruik van amfetamine en het optreden van de psychose. Ik ben van mening dat niet gezegd kan worden dat iemand ontoerekeningsvatbaar is op het moment dat hij een psychose heeft op basis van amfetaminemisbruik. Ik verschuif de toerekeningsvatbaarheid naar het moment waarop verdachte koos amfetamine te gebruiken.

De keuzevrijheid om amfetamine te gebruiken is van invloed op de mate van toerekeningsvatbaarheid. Een ieder die begint met het misbruiken van verdovende middelen, moet weten dat het kan leiden tot ernstige psychische en lichamelijke bijwerkingen. Naar mijn mening ben je op het moment dat je begint met het misbruik verantwoordelijk voor de situatie die daarna ontstaat. Ik koppel het begrip toerekeningsvatbaarheid direct daaraan. Ik zie geen duidelijke samenhang tussen het begin van het middelenmisbruik door verdachte en de narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Bij het bepalen van de mate van de toerekeningsvatbaarheid speelt de mate van voorzienbaarheid een rol. Ik werk regelmatig met mensen die verslaafd zijn. Ze weten eigenlijk heel veel van wat er met je kan gebeuren als je een drug gaat gebruiken. Bovendien is het middel niet voor niets verboden. Van veel psychoactief werkende stoffen is bekend dat je daarvan in een psychose kunt geraken. Daar is voldoende materiaal over.

Ik acht het niet denkbaar dat deze feiten zouden zijn gepleegd als de psychose er niet was geweest.'

Ten slotte heeft ook De Ruiter onderzoek gedaan naar de geestvermogens. Het rapport van De Ruiter houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

'Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een psychose met wanen en hallucinaties ten gevolge van amfetaminegebruik. Ook was er op dat moment sprake van amfetamineafhankelijkheid. Er is dus in feite sprake van twee stoornissen op dat moment. De gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde kunnen geheel toegeschreven worden aan de psychotische toestand waarin [verdachte] op dat moment verkeerde. Die psychotische toestand is veroorzaakt door het innemen van zuivere amfetamine. Op grond van het huidige onderzoek moet de conclusie worden getrokken dat [verdachte] op het moment dat het ten laste gelegde door hem gepleegd werd volledig ontoerekeningsvatbaar was door de allesoverheersende psychose.'

Ter terechtzitting van het hof heeft De Ruiter haar rapport toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

'Op basis van alle informatie in het dossier kom ik niet tot de diagnose narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ik zie wel twee narcistische trekken, namelijk het opscheppen en in enige mate de superioriteit. Volgens de internationaal aanvaarde diagnose-standaard DSM-IV dienen echter ten minste vijf elementen van narcisme te worden vastgesteld om de diagnose narcistische persoonlijkheidsstoornis te stellen.

Er is geen relatie tussen het amfetaminegebruik en een eventuele narcistische persoonlijkheidsstoornis. Deze relatie is wetenschappelijk nergens gebleken.

Het geheel bekijkend is verdachte verantwoordelijk voor zijn verslaving.

De ernst van de verslaving en het feit dat hij op dat moment zeer veel gebruikt had zijn samen verantwoordelijk voor de psychose. Ik denk niet dat de feiten zouden zijn gepleegd als hij niet in een psychose was geraakt.'

Uit de verklaringen van de deskundigen volgt dat verdachte de feiten heeft gepleegd gedurende een psychose, welke is ontstaan door het amfetaminegebruik van verdachte. Het hof is dat eens met de deskundigen. De deskundigen zijn het er over eens dat de feiten niet zouden zijn gepleegd wanneer verdachte geen psychose had gehad. Het hof acht het op basis van de stukken en de verklaringen van de deskundigen aannemelijk dat de psychose niet zou zijn ontstaan zonder het amfetaminegebruik.

Het hof neemt de conclusies uit de rapporten van het PBC en van Korebrits over dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten leed aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dat De Ruiter niet tot die conclusie komt, is terug te voeren op haar meer strikte hantering van de DSM-IV. Nu ook zij een aantal elementen heeft aangetroffen bij verdachte en haar bevindingen aldus niet lijnrecht tegenover de bevindingen van de andere deskundigen staan, is het hof van oordeel dat met de overige genoemde deskundigen geconcludeerd kan worden dat verdachte lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Deze vaststelling is overigens niet van cruciale betekenis, zoals hierna zal blijken.

De deskundigen hebben tevens verklaard dat er tussen de narcistische persoonlijkheidsstoornis en het begin van het gebruik van amfetamine geen verband bestaat. Wel lijkt er een verband te bestaan tussen de narcistische persoonlijkheidsstoornis en de ontwikkeling en het voortbestaan van de amfetamineverslaving. Gelet op het feit dat de deskundigen allen van oordeel zijn dat de feiten niet zouden zijn gepleegd wanneer verdachte geen amfetamine zou hebben gebruikt en de narcistische persoonlijkheidsstoornis niet de aanleiding is geweest voor het begin van het drugsgebruik, is het hof van oordeel dat er geen direct verband kan worden gelegd tussen de narcistische persoonlijkheidsstoornis en het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Aldus heeft de narcistische persoonlijkheidsstoornis geen, in elk geval geen doorslaggevende, invloed op de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.

Wel is het hof met de rapporteurs van het PBC van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten leed aan een autonome verslavingsziekte. Vanwege deze verslavingsziekte was de wilsvrijheid van verdachte om al dan niet amfetamine te gebruiken enigszins beperkt. Als gevolg hiervan is het hof van oordeel dat verdachte (slechts) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte te dezer zake strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft, na in de ochtend een hoeveelheid vrijwel zuivere amfetamine te hebben gebruikt, op 1 augustus 2005 allereerst getracht zijn vriendin, [slachtoffer 1], van het leven te beroven. Hij heeft daartoe zijn kunstgebit in haar mond geduwd en getracht dit met zijn tong verder in de keel van [slachtoffer 1] te duwen. Verder heeft hij haar gestompt en met een metalen stang geslagen. Verdachte heeft bij [slachtoffer 1] de overtuiging gewekt dat hij probeerde haar van het leven te beroven. Om haar leven te redden is [slachtoffer 1] op het moment dat verdachte haar losliet, naar het balkon gerend, over de balustrade geklommen en heeft zich op de grond laten vallen. [slachtoffer 1] liet in paniek haar beide kinderen achter in de woning. Zij heeft vervolgens de politie laten waarschuwen, omdat haar kinderen nog bij de agressieve verdachte waren achtergebleven. Ongeveer een kwartier later trof de politie de levenloze lichamen van de beide kinderen aan in de woning van verdachte. De kinderen zijn op zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Op diverse plaatsen op hun lichamen hadden ze tal van verwondingen, veroorzaakt door het slaan met een kandelaar en het steken met een mes. Bovendien heeft verdachte de keel van [slachtoffer 2] samengedrukt. Ten gevolge van de verwondingen zijn de kinderen overleden, zo blijkt uit de sectierapporten.

Verdachte heeft aldus drie slachtoffers gemaakt, waarvan twee zijn overleden. De beide kinderen waren nog zeer jong. Zij hebben mogelijk gezien wat verdachte hun moeder heeft aangedaan. Daarnaast heeft een van beide kinderen wellicht gezien wat verdachte de ander heeft aangedaan. Dit moet voor de kinderen onvoorstelbaar beangstigend zijn geweest. Een van de kinderen heeft waarschijnlijk getracht zichzelf te verbergen voor verdachte. Dit is af te leiden uit het feit dat de deur van de badkamer weliswaar open stond, maar op slot was gedraaid.

Verdachte heeft op deze wijze de twee kinderen van [slachtoffer 1] en van de biologische vader afgenomen.

[slachtoffer 1] heeft in haar vordering als benadeelde partij aangegeven dat verder leven nu voor haar zinloos is en bovendien ondraaglijk, nu zij de beelden van de gezichtjes van haar kinderen, en de angst die daaruit sprak, zowel overdag als ook 's nachts terugziet. Het moet verschrikkelijk voor haar zijn te bedenken wat haar kinderen hebben ondergaan. Het feit dat het bewezenverklaarde hoogstwaarschijnlijk niet gepleegd zou zijn indien verdachte geen amfetamine had gebruikt, draagt hier ook aan bij.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan doodslag en eenmaal aan poging tot doodslag. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De rechtsorde is door de bewezenverklaarde feiten ernstig geschokt. De wijze waarop verdachte deze feiten heeft gepleegd, is gruwelijk. Daarnaast heeft verdachte de nabestaanden van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] oneindig leed berokkend.

Vanzelfsprekend komt alleen een langdurige vrijheidsstraf voor afdoening van deze zeer ernstige feiten in aanmerking. Voor het bepalen van de duur daarvan is het volgende van belang. Het hof komt weliswaar niet tot de door de rechtbank bewezenverklaarde en door de advocaat-generaal gevorderde dubbele moord en de poging tot moord, maar wel tot een hogere mate van toerekeningsvatbaarheid. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Terbeschikkingstelling

Door de rechtbank is in eerste aanleg aan verdachte naast een gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) opgelegd. Deze maatregel is in hoger beroep opnieuw gevorderd door de advocaat-generaal. De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld dat naar zijn mening verdachte niet in aanmerking komt voor de maatregel van TBS. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan een verdachte kan de maatregel van TBS worden opgelegd, indien tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Aan de eerste twee criteria wordt zonder meer voldaan. Vastgesteld is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten zowel een narcistische persoonlijkheidsstoornis als een autonome verslavingsziekte bestond. Tevens betreffen het feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Om te bepalen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van TBS vereist, dient een inschatting van het recidiverisico te worden gemaakt. De deskundigen van het PBC hebben hieromtrent in hun rapport gerelateerd, zakelijk weergegeven:

'Gezien de ernst van de narcistische pathologie en het risico op terugval in de verslaving aan amfetamine, indien betrokkenes persoonlijkheidsstoornis en verslaving onbehandeld blijven, schatten wij het risico op nieuwe psychotische ontregelingen in als aanzienlijk.

Op grond van de aard en weging van de risicofactoren van de HCR-20 kan geconcludeerd worden dat de recidivekans groot is. Om die reden adviseren wij aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.'

Oudejans heeft echter ter terechtzitting van het hof ook verklaard, dat de feiten niet zouden zijn gepleegd als er geen psychotische decompensatie had plaatsgevonden. Ook De Ranitz heeft verklaard dat zij het niet aannemelijk acht dat verdachte tot deze handelingen zou zijn gekomen als hij niet in een psychose was geraakt.

Korebrits heeft over de recidivekans in zijn rapport opgenomen, zakelijk weergegeven:

'De kans op een hernieuwde psychotische episode is zeker aanwezig indien betrokkene opnieuw (amfetamine; toev. hof) zou gaan gebruiken. Betrokkene heeft echter aangegeven gezien de gebeurtenissen nooit meer drugs te zullen gebruiken.

Gezien het feit dat de psychotische stoornis een direct gevolg is geweest van het gebruik van amfetaminen, zou het voorkomen van amfetaminemisbruik al direct kunnen leiden tot een voorkomen van soortgelijke of andere delicten.'

Hij heeft daar ter zitting van het hof aan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

'Er is een zodanige samenhang tussen het gebruik van amfetamine en het optreden van de psychotische verschijnselen, dat als die combinatie er niet was geweest, verdachte waarschijnlijk ook niet psychotisch was geworden. Ik zie geen duidelijke samenhang tussen het begin van het middelenmisbruik door verdachte en de narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Ik vind onvoldoende aanwijzingen in het PBC-rapport en ook in de literatuur voor een duidelijke samenhang tussen narcistische persoonlijkheidsstoornissen en het opnieuw gaan gebruiken van amfetamine. Die samenhang zie ik niet.

Ik acht het niet denkbaar dat deze feiten zouden zijn gepleegd als de psychose er niet was geweest.

De kans dat [verdachte] nog eens amfetamine gaat gebruiken acht ik zeer laag.

Als [verdachte] geen middelen meer zou gebruiken zou de kans op recidive nul zijn.

Ik acht de oplegging van de maatregel TBS niet geïndiceerd.'

Het rapport van De Ruiter houdt in, zakelijk weergegeven:

'Indien [verdachte] opnieuw verslaafd zou raken aan amfetamine en dit in hoge dosering zou gaan gebruiken, is een nieuwe paranoïde psychotische episode niet uit te sluiten. De kans op een hernieuwde amfetamineverslaving acht ik echter zeer gering.

Gezien het als gering te kwalificeren recidiverisico ligt een vorm van dwangbehandeling niet voor de hand.'

Ter zitting van het hof heeft zij daaraan toegevoegd dat de feiten waarschijnlijk niet zouden zijn gepleegd als verdachte niet in een psychose was geraakt.

Het hof stelt vast dat het advies van het PBC om TBS op te leggen is gebaseerd op de aanname dat het drugsgebruik door verdachte wordt geïnitieerd door de aanwezigheid van de narcistische persoonlijkheidsstoornis, zodat de kans op recidive als hoog moet worden beschouwd indien de narcistische persoonlijkheidsstoornis niet wordt behandeld. Het hof is, gelet op hetgeen deskundigen Korebrits en De Ruiter in hun rapporten hebben opgenomen en hetgeen ter terechtzitting van het hof door de deskundigen is verklaard, echter van oordeel dat het drugsgebruik niet door de narcistische persoonlijkheidsstoornis wordt geïnitieerd, maar dat de narcistische persoonlijkheidsstoornis de oorzaak kan zijn van het blijven gebruiken en het ontwikkelen van een verslaving. Nu reeds is vastgesteld dat de feiten niet zouden zijn gepleegd indien verdachte geen drugs had gebruikt en nu de narcistische persoonlijkheidsstoornis (hernieuwd) drugsgebruik niet initieert, zal niet de narcistische persoonlijkheidsstoornis, maar een eventueel hernieuwd drugsgebruik de kans op recidive bepalen. De bij verdachte aanwezig zijnde narcistische persoonlijkheidsstoornis zal de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen aldus niet in gevaar brengen en kan derhalve niet de aanleiding zijn om aan verdachte de maatregel van TBS op te leggen, aangezien het niet deze stoornis is die de kans op recidive verhoogt.

Uit hetgeen de deskundigen Korebrits en De Ruiter ter zitting van het hof hebben verklaard blijkt dat de kans dat verdachte opnieuw drugs gaat gebruiken, en daarmee de kans op nieuwe delicten, zeer gering te achten is. Hoewel ook het hof ter terechtzitting de indruk heeft gekregen dat verdachte zich zeer goed realiseert dat hij door het gebruik van de drugs in deze psychose terecht is gekomen en door de psychose de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, is het aan het hof ook bekend dat de kans op terugval in drugsgebruik aanwezig is na een lange detentie als de verslavingsziekte onbehandeld is gebleven. Het hof is echter van oordeel dat de behandeling in een TBS-kliniek niet geëigend is tot het behandelen van een drugsverslaving. Op grond daarvan zal het hof aan verdachte geen maatregel van TBS opleggen.

Het komt het hof overigens wel wenselijk voor dat in de laatste fase van de detentie wordt vastgesteld in hoeverre de verslaving bij verdachte nog aanwezig is en dat daaraan in die fase aandacht wordt besteed, zodat een eventuele terugval in drugsgebruik na zijn detentie daarmee voorkomen kan worden.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels wel en deels niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij, de erfgenaam van de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], vordert de kosten van de lijkbezorging. Deze schade is rechtstreeks toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. De hoogte van de schade ad € 8.219,20 is deugdelijk gesteld en onderbouwd en niet weersproken. Het hof stelt die schade derhalve vast op dat bedrag. Uit de stukken in het dossier is gebleken dat de benadeelde partij voormelde kosten heeft gedragen, zodat ingevolge artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot een bedrag als hiervoor vermeld.

Ook voor de overige posten (immateriële schade en shockschade) is de vordering van de benadeelde partij tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van de zijde van de verdachte niet weersproken. Derhalve kan de post immateriële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en de post shockschade tot een bedrag van

€ 8.000,-.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze is toegewezen, toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- paspoort;

- computer;

- cd-rom;

- harddisk;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] te [plaats 3], tot een bedrag van achttienduizend tweehonderdnegentien euro en twintig cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van achttienduizend tweehonderdnegentien euro en twintig cent ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te [plaats 3];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Deuring, voorzitter, mr. Rowel-van der Linde en mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Coster als griffier.