Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA2934

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
24-002099-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord. Omdat verdachte niet in staat was een van [slachtoffer] geleend geldbedrag terug te betalen, besloot hij die [slachtoffer] - tegen beloning van een lager bedrag dan het door hem geleende geldbedrag - van het leven te laten beroven. Hoewel verdachte ten stelligste heeft ontkend in enige relatie tot het delict te staan, is uit de verklaringen van getuigen naar voren gekomen dat hij verschillende personen heeft benaderd om tegen een geldelijke beloning [slachtoffer] dood te schieten. Uiteindelijk heeft verdachte [medeverdachte], die - in tegenstelling tot verdachte - geen persoonlijke relatie met [slachtoffer] had, bereid gevonden om [slachtoffer] neer te schieten. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat [medeverdachte] voorzien werd van een pistool en heeft hem de woning van die [slachtoffer] getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002099-04

Parketnummer eerste aanleg: 18-070158-04

Arrest van 12 april 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 30 november 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

niet ter terechtzitting van 29 maart 2007 verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde misdrijf en hem wegens het onder 2 tenlastegelegde misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een bijkomende straf en een maatregel opgelegd en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft verklaard dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft willen instellen tegen de veroordeling van de rechtbank Groningen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Het hof heeft het hoger beroep aldus beperkt opgevat.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van 29 maart 2007 verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep (op 10 en 13 maart 2006, 27 maart 2006, 11 april 2006, 2 juni 2006, 14 november 2006 en 29 maart 2007), alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De - als voor dit hoger beroep van belang - onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair vermelde inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Het beroep van de raadsman

De raadsman van verdachte [verdachte] heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

Hij heeft zijn standpunt gebaseerd op twee pijlers.

De eerste pijler heeft betrekking op het niet aanmerken van [getuige 1] als verdachte, terwijl hij als medepleger van het ten laste gelegde schietincident kan worden aangemerkt. Hiermee heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu [verdachte] en [medeverdachte] wel zijn vervolgd en [getuige 1] niet. Bovendien is sprake van onzuiverheid van oogmerk, door het niet aanmerken van [getuige 1] als verdachte en het geforceerd vasthouden aan zijn status als getuige. Dit had slechts een opsporingstactische doelstelling.

De tweede pijler ziet op het door het openbaar ministerie beschreven proces van kweken van vertrouwen bij [getuige 1], teneinde de verklaringsbereidheid te vergroten en te bestendigen met als essentieel onderdeel de toezegging dat [getuige 1] als getuige en niet als verdachte wordt gehoord, waardoor hem een - verboden - strafrechtelijke immuniteit is verschaft. Voorts is van een en ander in strijd met artikel 152 Sv onvoldoende verslag gedaan in een proces-verbaal.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Gang van zaken/voorgeschiedenis

Op 25 augustus 2002 werd [slachtoffer] in de tuin van zijn woning beschoten. [slachtoffer] was ervan overtuigd dat dit gebeurd was door iemand rond verdachte [verdachte]. Deze [verdachte] moest [slachtoffer] een aanzienlijk geldbedrag terugbetalen. Aanvankelijk leverde het politieonderzoek geen dader(s) van het schietincident op. Wel is [verdachte] op 7 oktober 2002 ter zake van dat feit aangehouden, maar vervolgens weer in vrijheid gesteld.

In april 2003 ontving de politie nieuwe informatie over het schietincident. Deze was afkomstig van [getuige 2]. [getuige 2] was in 2002 gehoord, met name over zijn aanwezigheid in de loods aan de [adres] te [plaats 1] op 25 augustus 2002. In die loods bevond zich indertijd een hennepkwekerij van [verdachte].

[getuige 2] legde verklaringen af op 9 april 2003 en 5 mei 2003. Het betrof het schietincident waarbij de voornoemde, hem bekende, [slachtoffer] slachtoffer werd. [getuige 2] vertelde wat hij op de avond van de schietpartij in die loods had gehoord. In de loods waren volgens [getuige 2] die avond onder anderen aanwezig [verdachte], [getuige 1] en [getuige 3]. Er was gesproken over 'het niet gelukt zijn', 'het niet afgaan' en de omstandigheid dat 'hij niet dood was'. Volgens [getuige 2] hoorde hij pas de volgende dag, 26 augustus 2002, dat [slachtoffer] was beschoten.

In mei 2003 trad de politie in contact met [getuige 4], de vrouw/vriendin van de hiervoor genoemde [getuige 1]. In het proces-verbaal van het gesprek dat de politie op 1 mei 2003 met haar heeft gehad staat (onder meer) vermeld:

'Op jullie verzoek ben ik naar het politiebureau te [plaats 2] gekomen. U heeft mij medegedeeld dat u mij wilt spreken in verband met een schietpartij die heeft plaatsgevonden in de maand augustus 2002 in de stad [plaats 1]'.

'[getuige 1] zit in Irak'.

En: '[getuige 1] wil zijn naam graag zuiveren in Nederland'.

Na dat gesprek bracht [getuige 4] een door haar ontvangen fax, afkomstig van [getuige 1] naar het politiebureau. Die fax houdt onder meer in dat [verdachte] met [voornaam medeverdachte] (het hof begrijpt dat hij daarmee bedoelt: de medeverdachte [medeverdachte]) afspraken heeft gemaakt en dat [medeverdachte] op iemand heeft geschoten.

Op 12 mei 2003 heeft de politie opnieuw met [getuige 4] gesproken. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

'U zegt mij dat u graag met [getuige 1] wilt spreken. [getuige 1] wil niet naar Nederland komen. Hij wil alleen met u spreken als u mij en de kinderen ook meeneemt naar Irak. [getuige 1] wil echt op Irakees grondgebied blijven'.

[getuige 4] zou echter proberen [getuige 1] over te halen elders (buiten Nederland) met de politie te spreken. De Nederlandse ambassade in Damascus kwam ter sprake.

Uit het dossier blijkt voorts dat [getuige 1] op 29 oktober 2003 door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is gehoord als getuige. Ofschoon het proces-verbaal dit niet vermeldt, is het hof gebleken dat dit is gebeurd op Bonaire. Daar deed [getuige 1] zijn verhaal. Kort gezegd komt het er op neer dat [verdachte][slachtoffer] uit de weg wilde laten ruimen en dat hij daarvoor [medeverdachte] - tegen betaling - bereid had gevonden. [getuige 1] was bij verschillende besprekingen over de beoogde moord (als tolk) aanwezig en heeft naderhand het gebruikte wapen laten verdwijnen.

Vervolgens is [verdachte] op 22 maart 2004 opnieuw aangehouden op verdenking van zijn betrokkenheid bij de schietpartij.

De zaken tegen [verdachte] en [medeverdachte] zijn op 19 juni 2004 ter zitting van de rechtbank te Groningen behandeld. In de zaak van [verdachte] heeft mr. Van der Meer en in de zaak van [medeverdachte] heeft verdachte [medeverdachte] zelf verzocht om (onder anderen) [getuige 1] als getuige te doen horen. In hoger beroep is dat verzoek nogmaals gedaan.

In beide instanties heeft de rechter-commissaris te Groningen - telkens op verzoek van de verdachten en/of hun raadslieden - [getuige 1] gehoord als getuige, te weten op 15 september 2004 respectievelijk 4 oktober 2006. In 2004 was alleen mr. Van der Meer voor verdachte [verdachte] aanwezig bij dat verhoor; in 2006 waren mr. Van der Meer voor [verdachte] en mr. Pentinga voor medeverdachte [medeverdachte] aanwezig.

In beide gevallen kon [getuige 1] gehoord worden door bemiddeling van verbalisant [verbalisant 1], die als contactpersoon is opgetreden tussen de rechter-commissaris en [getuige 1]. Op die wijze kon een datum en een plaats voor het verhoor worden gevonden. Beide verhoren werden op Bonaire gehouden.

Overwegingen

Uit de ter beschikking staande gegevens leidt het hof af dat de politie het als haar taak zag de dader(s) van de schietpartij op [slachtoffer] aan te houden en voor de rechter te (doen) brengen. Het onderzoek liep aanvankelijk min of meer dood. Toen [getuige 2] zich eigener beweging enige maanden later tot de politie wendde met aanvullende informatie is het onderzoek voortgezet. Via [getuige 2] en [getuige 4] kwam de politie terecht bij [getuige 1]. Die laatste wilde verklaren op een voor hem veilige plaats, in die zin dat hij geen problemen zou ondervinden in zijn asielprocedure in een derde-land. Uit de verklaringen van [verbalisant 1] ter zitting in hoger beroep is gebleken dat vóór het verhoor op Bonaire op 29 oktober 2003 aan [getuige 1] is toegezegd dat hij als getuige zou worden gehoord. Toen deze toezegging werd gedaan was [getuige 1] (nog) geen verdachte. De Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, in werking getreden op 1 augustus 2001 (Stcrt. 2001, nr. 138), waarop ter zitting door de verdediging is gewezen, was niet van toepassing op deze situatie. Díe aanwijzing gold immers alleen voor 'de verdachte dan wel veroordeelde, die (mogelijk) bereid is een getuigenverklaring af te leggen in een strafzaak tegen een (andere) verdachte, in ruil voor een toezegging tot strafvermindering van het openbaar ministerie'. [getuige 1] is vervolgens naar Bonaire gereisd en is aldaar door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 29 oktober 2003 als getuige gehoord. [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat met de officier van justitie was besproken dat [getuige 1] alleen zou worden aangehouden als hij de schutter zou blijken te zijn. In het betreffende getuigenverhoor heeft [getuige 1] verklaard wie op [slachtoffer] heeft geschoten, te weten [medeverdachte]. Zijn verklaring was op dat moment niet onaannemelijk en is later ook bevestigd door andere getuigen.

De raadslieden moet worden toegegeven dat uit die verklaring van [getuige 1] op 29 oktober 2003 wel blijkt van diens betrokkenheid bij het schietincident. Kennelijk heeft de politie, in samenspraak met en met toestemming van de officier van justitie, de aanhouding van de schutter en de opdrachtgever uiteindelijk belangrijker gevonden dan de aanhouding van de minder betrokken [getuige 1]. In zoverre kan ook niet gesproken worden van gelijke gevallen, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Evenmin kan men in dit geval spreken van onzuiverheid van oogmerk bij de politie en de officier van justitie. Door hen is klaarblijkelijk een keuze gemaakt op grond van de op dat moment aanwezige opsporingsbelangen en de beschikbare opsporingsmogelijkheden.

Aannemelijk is tevens dat geen verklaring van [getuige 1] zou zijn verkregen als de politie de betreffende afspraak niet met hem had willen of mogen maken. Dwangmiddelen ten aanzien van een getuige die in Irak verbleef had/zag men (praktisch gezien) niet.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de politie en officier van justitie een andere reden hebben gehad om [getuige 1] slechts als getuige aan te merken en niet als verdachte, dan hiervoor beschreven.

Vervolgens is in de strafzaken tegen [verdachte] en [medeverdachte] al het mogelijke gedaan om aan de verzoeken van de verdediging en ook van het hof te voldoen en [getuige 1] als getuige te doen horen. Het ligt in redelijkheid niet voor de hand in die fase van de procedure en gelet op de voorgeschiedenis, van politie en openbaar ministerie te verlangen dat zij tot aanhouding van [getuige 1] als verdachte zouden overgaan.

Van de zijde van de politie en het openbaar ministerie is nadrukkelijk geantwoord op de vragen van de verdediging en ook van het hof, dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan [getuige 1], anders dan in bovenstaande zin. Ook [getuige 1] zelf heeft desgevraagd ontkend dat hem andere toezeggingen zijn gedaan dan de toezegging vóór het verhoor van 29 oktober 2003. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een andere gang van zaken dan hiervoor is weergegeven.

De officier van justitie kon naar het oordeel van het hof - gelet op alle omstandigheden van dit geval - ten aanzien van [getuige 1] in redelijkheid de afweging maken die hij indertijd heeft gemaakt. Ook kon hij in redelijkheid besluiten over te gaan tot de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte] ter zake van de poging tot moord op [slachtoffer] op 25 augustus 2002.

De raadsman heeft nog betoogd dat de verklaringen van [getuige 1] besmet zijn door eigen belang om niet als verdachte te worden aangemerkt en dat - mede in het licht van de gebrekkige verslaglegging - zich daartegen verweren redelijkerwijs niet meer kan. De raadsman heeft gewezen op artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Het hof kan de raadsman hierin niet volgen. Artikel 152 Sv betreft de vastlegging van strafbare feiten en hetgeen door opsporingsambtenaren tot opsporing is verricht of bevonden. Tot het dossier behoren de door de politie in de processen-verbaal vastgelegde verklaringen van [getuige 4] en [getuige 1]. Juist het begin van het contact tussen de politie en [getuige 4] en vervolgens tussen [getuige 1] en de politie blijkt uit de van de gesprekken/verhoren opgemaakte processen-verbaal. Daarnaast zijn er processen-verbaal opgemaakt van de verklaringen van [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris in 2004 en 2006, waarbij in beide gevallen de mogelijkheid heeft bestaan voor de verdediging om [getuige 1] omtrent mogelijk aan hem gedane toezeggingen te bevragen, van welke mogelijkheid door de verdediging ook gebruik is gemaakt.

Een schimmig geheel, zoals door de raadsman beschreven, is het niet. Vervolgens is de verdediging uitgebreid in de gelegenheid geweest om eventuele als zodanig ervaren schimmigheden op te doen helderen. [getuige 4] en [verbalisant 1] zijn ter zitting van het hof verschenen, laatstgenoemde zelfs driemaal, en hebben op vragen van de verdediging, het hof en de advocaat-generaal geantwoord. Anders dan de raadsman heeft gesteld kan een dergelijk verhoor eventuele gebreken in de verslaglegging opheffen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdediging op dit punt in haar belangen is geschaad.

De raadsman heeft in zijn tweede pijler het kweken van vertrouwen bij [getuige 1] teneinde diens verklaringsbereidheid te vergroten en te bestendigen als negatief punt naar voren gebracht. Het hof ziet dit anders. Zonder de bemiddelingen van [verbalisant 1] hadden de beide verhoren van [getuige 1] door de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk niet kunnen plaatsvinden en hadden de raadslieden hun vragen aan de getuige niet kunnen stellen. Aan dit laatste werd door hen evenwel grote waarde gehecht en zij hebben zich in dit opzicht - terecht - niet beklaagd over de verrichtingen van [verbalisant 1]. Die verrichtingen na het eerste verhoor van [getuige 1] op 29 oktober 2003 hadden plaats in het kader van de door de verdediging noodzakelijk geachte werkzaamheden van de rechter-commissaris en niet vanwege het politieonderzoek.

Beslissing op het beroep van de raadsman

Het hof acht - al het voorgaande overziende - geen aanleiding aanwezig om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Er is het hof niet gebleken van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht - met eenparigheid van stemmen - wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair:

hij op 25 augustus 2002 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool kogels (gericht) heeft afgevuurd op die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1 primair:

medeplegen van poging tot moord.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord. Omdat verdachte niet in staat was een van [slachtoffer] geleend geldbedrag terug te betalen, besloot hij die [slachtoffer] - tegen beloning van een lager bedrag dan het door hem geleende geldbedrag - van het leven te laten beroven.

Hoewel verdachte ten stelligste heeft ontkend in enige relatie tot het delict te staan, is uit de verklaringen van getuigen naar voren gekomen dat hij verschillende personen heeft benaderd om tegen een geldelijke beloning [slachtoffer] dood te schieten. Uiteindelijk heeft verdachte [medeverdachte], die - in tegenstelling tot verdachte - geen persoonlijke relatie met [slachtoffer] had, bereid gevonden om [slachtoffer] neer te schieten.

Verdachte heeft ervoor gezorgd dat [medeverdachte] voorzien werd van een pistool en heeft hem de woning van die [slachtoffer] getoond.

Op 25 augustus 2002 heeft [medeverdachte] [slachtoffer] opgewacht bij diens woning. Toen [slachtoffer] die avond thuiskwam heeft [medeverdachte] vanaf korte afstand met dat pistool in ieder geval vier kogels op [slachtoffer] afgevuurd, waarvan er drie raak waren. Nadat hij de schoten had gelost is [medeverdachte] gevlucht. [slachtoffer], die hevig bloedde, heeft zijn toegesnelde vrouw gevraagd het alarmnummer van de politie te bellen. Hij is vervolgens in zijn auto gestapt en is naar het ziekenhuis gereden. Het slachtoffer is, hoewel op vitale plaatsen getroffen, mede door zijn eigen kordate optreden, niet komen te overlijden, hetgeen wel haast als een wonder mag worden beschouwd.

Het hof acht het kille, koelbloedige en berekenende gedrag van zowel verdachte als [medeverdachte] ernstig en schokkend. Het schietincident moet bovendien voor zowel het slachtoffer als zijn naaste familie alsook voor de buurtbewoners een zeer bedreigende en angstige gebeurtenis zijn geweest. Een delict als het onderhavige schokt de rechtsorde en brengt bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

(Poging tot) moord is één van de meest ernstige inbreuken op de rechtsorde die het Nederlandse strafrecht kent. Het feit dat verdachte niet degene is geweest die de schoten heeft gelost, maakt het niet minder ernstig. Verdachte heeft door een ander met de opdracht te belasten getracht zelf buiten schot te blijven. Op het bewezenverklaarde feit dient dan ook met een zeer langdurige vrijheidsstraf gereageerd te worden. De advocaat-generaal heeft ter zitting een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren gevorderd. Het hof acht deze eis juist en zal deze straf aan verdachte opleggen. Het hof acht oplegging van deze straf noodzakelijk. Een andere straf komt niet in aanmerking. Daarbij heeft het hof tevens acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 maart 2007, waaruit is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Namens de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van het doorzenden van het dossier naar dit hof alsmede ten aanzien van de procedure in hoger beroep, die pas na vijftien maanden is aangevangen. Dit zou moeten leiden tot strafvermindering.

Nu het hoger beroep is ingesteld op 13 december 2004 en het dossier bij het hof is binnengekomen op 10 augustus 2005, is er evenwel ten aanzien van de doorzending geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Ten aanzien van de termijn in hoger beroep is in het onderhavige geval sprake van een lange behandelingsduur. Immers, het openbaar ministerie heeft op 13 december 2004 appel aangetekend en de afronding van de procedure in hoger beroep heeft vervolgens twee jaren en vier maanden in beslag genomen. Verdachte zat tijdens deze periode niet gedetineerd ter zake van de onderhavige zaak.

De behandeling in hoger beroep heeft met name lang geduurd doordat van de zijde van de verdediging op achtereenvolgende zittingen is verzocht opnieuw (een) getuige(n) te horen. Deze getuigen zijn mede daarom op verschillende zittingen (in totaal zeven) gehoord. Ook is de zaak verwezen geweest naar de rechter-commissaris te Groningen teneinde de getuige [getuige 1] - buiten Nederland - te doen horen. Van inactiviteit is in deze zaak geen sprake geweest. Gelet op de ingewikkeldheid en bewerkelijkheid van deze zaak acht het hof de redelijke termijn in dit geval niet overschreden.

Gevangenneming

Het hof zal de gevangenneming van verdachte bevelen. Het bevel gevangenneming zal in een afzonderlijke beslissing worden opgenomen om de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud), 47, 63 en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover niet reeds in aftrek gebracht op de zaak die niet aan het oordeel van het hof is onderworpen (feit 2);

beveelt de gevangenneming van verdachte.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. R.E.A. Toeter en mr. M. Koers-van der Linden, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mrs. Toeter en Koers-van der Linden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.