Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA2600

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
BK 1153/04 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD3573, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BD3573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of en in hoeverre de inspecteur terecht de onderhavige navorderingsaanslagen en boetes heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0747
V-N 2007/32.1.2

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 04/1153 5 april 2007

Uitspraken van het Gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Assen (hierna: de inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Van belanghebbende is ter griffie op 22 december 2004 een beroepschrift ingekomen, ingediend door A (B c.s. advocaten en belastingkundigen te Z) als gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 18 november 2004 betreffende de volgende aanslagen:

- de met dagtekening 1 juli 2004 aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999, aanslagnummer 0000.00.000. H.97. Deze aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 314.627 met een boete van fl. 83.233.

- de met dagtekening 1 juli 2004 aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000, aanslagnummer 0000.00.000. H.07. Deze aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 344.232 met een boete van fl. 90.982.

- de met dagtekening 1 juli 2004 aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001, aanslagnummer 0000.00.000. H.17. Deze aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.502 met een boete van € 35.911.

1.2. Na tijdig ingediende, in één geschrift vervatte, bezwaarschriften heeft de inspecteur het bezwaar bij evenvermelde uitspraken ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraken van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en van de boetebeschikkingen.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 maart 2007, tegelijk met de zaak die bij het Hof is geregistreerd onder nummer 04/1154. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door A voornoemd, C, D (tolk), E (zoon van belanghebbende) en F (echtgenote van belanghebbende), alsmede namens de inspecteur G en H (medewerker van de FIOD/ECD).

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd.

1.6. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De feiten.

2.1. Belanghebbende, in 19.. geboren te L, is gehuwd met F. Tot het gezin behoren 5 kinderen. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn op 20 februari 1999 genaturaliseerd tot Nederlander.

2.2. Van 31 juli 1998 tot en met 30 september 1999 was belanghebbende vennoot van de v.o.f. I in Z.

2.3. Voor het jaar 1999 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 15.035 negatief. Dat bedrag was, voor zover van belang, als volgt samengesteld:

Winst uit onderneming - fl. 9.276

Af: zelfstandigenaftrek - fl. 11.815

Gem. Sociale Dienst (uitkering) fl 7.111

Af: beroepskosten - fl 1.055

- fl 15.035

De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 is met dagtekening 29 mei 2001 opgelegd conform de aangifte.

2.4. Voor het jaar 2000 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 14.570. Dat bedrag was, voor zover van belang, als volgt samengesteld:

Gem. Sociale Dienst (uitkering) fl 15.643

Af: beroepskosten - fl 1.073

fl 14.570

De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 is met dagtekening 25 januari 2002 opgelegd conform de aangifte.

2.5. Voor het jaar 2001 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.909. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 is met dagtekening 9 augustus 2002 opgelegd conform de aangifte.

2.6. In 2002/2003 heeft de Regiopolitie Drenthe in samenwerking met de FIOD/ECD onder de naam “BASRA” een onderzoek ingesteld naar dienstverlening op het gebied van geldtransacties naar verschillende landen in het Midden-Oosten. In het kader van dit onderzoek werden belanghebbende en zijn echtgenote verdacht van overtreding van onder meer het Sanctiebesluit financiële dienstenverkeer en betalingsverkeer Irak, artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, welke gedragingen alle strafbaar zijn op grond van de Wet Economische Delicten.

2.7. In het op 25 maart 2004 onder dossiernummer 00000 van het onder 2.6 bedoelde onderzoek opgemaakte proces-verbaal van de FIOD/ECD

(hierna: het pv) is onder meer het volgende vermeld:

“Eén van de personen die opdrachten tot het uitvoeren van geldtransacties gaf (….) is (…) als getuige gehoord. Deze persoon verklaarde dat:

(…)

- hij sindsdien geld via de verdachte (Hof: belanghebbende) (…) naar Irak over liet maken (…)

- hij niet wist wat hij als commissie voor het uitvoeren van de geldtransactie moest betalen

(…)

Verder is er nog een getuige genaamd (…) gehoord. De heer (…) verklaarde dat:

- hij de laatste drie jaren via de verdachte (…) geld naar Irak over liet maken

(…)

- hij niet wist wat hij als commissie voor het uitvoeren van de geldtransactie moest betalen.

(…)

3.1.3. De personen in het Midden Oosten:

Nadat de verdachte (Hof: belanghebbende) (…) de opdracht tot het uitvoeren van een geldtransactie had geaccepteerd en vervolgens het geld voor het uitvoeren van de geldtransactie ontvangen had, moest hij ervoor zorgen dat een bepaald geldbedrag op een bepaalde plaats aan een bepaalde persoon werd uitbetaald. Daartoe moest hij aan de ene kant ervoor zorgen dat de opdracht tot het uitvoeren van de geldtransactie werd doorgezonden naar degene die ervoor kon zorgen dat de geldtransactie werd uitbetaald. Aan de andere kant moest hij ervoor zorgen dat er voldoende geld beschikbaar was om de geldtransacties uit te kunnen betalen. Uit het (…) onderzoek kwam naar voren dat de verdachte (Hof: belanghebbende) (…) gebruik maakte van verschillende personen dan wel ‘kantoren’ in het midden Oosten. (…)

3.1.6. Administratieve gang van zaken:

Op de vraag wat de verdachte (Hof: belanghebbende) (…) vastlegde wanneer hij een opdracht tot een geldtransactie accepteerde, antwoordde hij (…) het

volgende:

“Als iemand mij belt en mij vraagt geld over te maken naar Irak dan schrijf ik op een kladpapiertje hoeveel geld er naar iemand toe moet en van wie dit afkomstig is. Meestal worden de gegevens gelijk in een boek opgeschreven. Er wordt opgeschreven de naam van de persoon die het geld moet ontvangen en zijn telefoonnummer, het over te maken bedrag en de naam van degene die het geld overmaakt, alsmede zijn telefoonnummer.

(…)

Ik doe in principe samen met mijn vrouw de administratieve werkzaamheden. (…) Zowel mijn vrouw als ik onderhouden de contacten met mijn vriend in Jordanië.

(…)

3.1.7. Wat is de vergoeding

‘§ 1.2. Met betrekking tot de verdiensten valt op te merken dat deze gehaald worden uit de valutawinst die men maakt met de koop en de verkoop van valuta voor het doen van geldtransacties. Daarnaast vraagt men een provisie van tussen de 3% en de 7% per geldtransactie. Bij grotere geldtransacties wordt afhankelijk van de risico’s een provisie gevraagd wat kan lopen tussen de 1% en de 15%’.

Gedurende het strafrechtelijk onderzoek naar de activiteiten van de verdachten zijn er diverse telefonische gesprekken geweest tussen de verdachten (…) en verschillende personen die hoogstwaarschijnlijk verband hadden met de vergoeding voor het uitvoeren van geldtransacties. (…)

In die gesprekken komt naar voren dat de verdachten (…) voor het uitvoeren van een geldtransactie een bepaalde vergoeding vroegen. Over het algemeen werd een vergoeding van 6% gevraagd

(…)

De verdachte (Hof: belanghebbende) is (…) over het rekenen van provisie als vergoeding voor het verlenen van diensten op het gebied van geldtransacties gehoord. Hij verklaarde op dit punt het volgende:

“Ik vraag aan de mensen die geld willen overboeken Euro 2 tot Euro 2,5 per Euro 100. Als iemand bijvoorbeeld Euro 1.000 wil laten overboeken moet hij mij Euro 1.020 of Euro 1.025 geven. Over de bedragen die ik hier in Nederland aan bedrijven betaal voor de in Irak aangekochte goederen wordt geen provisie berekent (…)”

‘….. Sinds de komst van de Euro ontvang ik nu in Euro en Dollars. De uit te betalen bedragen in Irak is altijd in Dollar of vergelijkbare waarde aan goederen of medicijnen. Ik reken de door mij ontvangen gelden altijd om in Dollar. Ik bepaald de koers altijd aan de hand van de dagkoers. (…)

Tijdens het verhoor op woensdag 5 februari 2003 (…) werd de verdachte (…) geconfronteerd met de stelling dat uit het ingestelde opsporingsonderzoek naar voren kwam dat de verdachte diensten verleende op het gebied van het uitvoeren van geldtransacties naar het buitenland. De verdachte (…) antwoordde daarop:

“Ik ben ongeveer 5 jaar geleden begonnen met het verlenen van diensten op het gebied van geldoverboekingen. Ik heb dat gedaan totdat ik door de politie ben gehoord inzake dit werk. (…) Ik denk dat dat in 1998 was. Ik ben toen nog wel voor de rechtbank geweest. De rechter heeft toen bepaald dat ik onschuldig was.

Ongeveer 1 jaar geleden ben ik weer begonnen met het verlenen van deze diensten. Dat heeft te maken met het uitdrukkelijke verzoek van landgenoten die hier in Nederland verblijven. (…)’”

Uit het ingestelde opsporingsonderzoek komen echter de volgende zaken naar voren:

Gedurende het strafrechtelijk onderzoek naar de activiteiten van de verdachten zijn er diverse telefonische gesprekken geweest tussen enerzijds de verdachten (…) en anderzijds verschillende personen waarin naar voren kwam hoe lang de verdachten (…) al actief waren op het gebied van het uitvoeren van geldtransacties. (…)

In twee verslagen van telefonische gesprekken die hoogstwaarschijnlijk door de verdachte (…) (Hof: de echtgenote van belanghebbende) gevoerd zijn, kwam naar voren dat de verdachten al gedurende een periode van 8 jaar geldtransacties lieten uitvoeren in Irak.

Daarnaast komt uit het verhoor van één van de opdrachtgevers voor het uitvoeren van geldtransacties (.…) naar voren dat hij al vijf jaar geldtransacties naar Irak liet uitvoeren door de verdachte (…). En komt uit het verhoor (…) naar voren dat dhr (..) sinds vijf jaar geldtransacties via de verdachte (…) heeft laten uitvoeren.

Tenslotte komt naar aanleiding van het rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten aan de Duitse autoriteiten naar voren dat de verdachte (…) (Hof: de echtgenote van belanghebbende) al vanaf 7 oktober 1998 bedragen in contanten heeft gestort op een bankrekening in M te Duitsland.

Tijdens het verhoor (…) werd de verdachte (...) geconfronteerd met een verslag van een telefoongesprek waarin de verdachte zei dat hij al 8 jaar actief was op het gebied van geldtransacties. De verdachte (…) verklaarde vervolgens:

‘Ik ken (..), ik bel wel eens met hem. Ik weet niet waar hij woont. Ik vraag hem wel eens om de koers van de Dollar omdat hij altijd de koers kent. Als ik gezegd heb dat ik al 8 jaar in de handel zit, dan is dat opschepperij. Door de telefoon zeg je wel eens dingen die niet waar zijn. als u zegt dat ik al 8 jaar in deze handel zit dan zou ik enkele maanden nadat ik in Nederland was gekomen al zijn gaan handelen. Daarom probeer ik hier aan (..) te laten zien dat ik aan het opscheppen ben”.

(…)”

2.8. Bij brief van 6 mei 2004 heeft de inspecteur belanghebbende als volgt geïnformeerd :

“(…) Uit mij ten dienste staande gegevens blijkt dat er tegen u een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld in verband met het verlenen van diensten op het gebied van geldtransacties. Hierbij is onder andere gebleken dat u voor uw diensten provisie heeft ontvangen. (….) In de door u ingediende aangiften inkomstenbelasting over deze jaren zijn door u echter geen inkomsten uit overige werkzaamheden aangegeven. (…). Aangezien er door u geen gehoor werd gegeven aan mijn uitnodiging voor een gesprek zal ik de hoogte van de genoten provisies ambtshalve vaststellen. Ik wijs u erop dat (…) op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b, AWR omkering van de bewijslast van toepassing is. (…)

Voor wat betreft de hoogte van de ontvangen provisies zal ik mij baseren op de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat u onder andere over de periode 27 augustus 2002 tot en met 20 november 2002, zijnde 12 weken, betrokken bent geweest bij geldtransacties. De totale waarde van deze transacties bedroeg in deze periode € 842.000 (fl 1.855.523), zijnde gemiddeld € 70.166 (fl. 154.626) per week. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat de gemiddelde provisie in deze periode 4,1% bedroeg. Op basis van deze gegevens kom ik voor de jaren 1999 tot en met 2001 tot navolgende berekening:

Jaarlijkse omzet

52 weken á fl. 154.626 fl. 8.040.552,--

Ontvangen provisie

Provisie 4,1% van fl. 8.040.522,-- fl. 329.662

Over de jaren 1999 tot en met 2001 zullen aan u navorderingsaanslagen inkomstenbelasting worden opgelegd, waarbij het eerder vastgestelde inkomen zal worden verhoogd met fl. 329.662 per jaar.”

2.9. De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 19 mei 2004 medegedeeld voornemens te zijn voor de jaren 1999, 2000 en 2001 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op te leggen en heeft belanghebbende onder vermelding van de reden daarvoor boetes ter zake aangezegd. De aangekondigde navorderingsaanslagen en boetes zijn vervolgens opgelegd.

3. Het geschil

In geschil is of en in hoeverre de inspecteur terecht de onderhavige navorderingsaanslagen en boetes heeft opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde op de zitting van 12 maart 2007.

5. De overwegingen omtrent het geschil:

5.1. Het Hof stelt voorop dat het, indien en voor zover belanghebbende zulks betwist, op de weg van de inspecteur ligt aannemelijk te maken dat belanghebbende in de jaren 1999 tot en met 2001 inkomsten heeft genoten uit werkzaamheden in het kader van geldtransacties tussen personen in Nederland en in Irak en eventueel andere landen in het Midden-Oosten.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende aan dergelijke transacties zijn medewerking heeft verleend in 1998 en in 2002 en volgende jaren. Belanghebbende betwist, aldus begrijpt het Hof, dat dit het geval was in de jaren 1999 tot en met 2001 en heeft daartoe aangevoerd dat hij in 1998 vanwege de hier bedoelde transacties met de politie in aanraking is gekomen, dat hij in hechtenis heeft gezeten, dat hij toen is opgehouden met de transacties en dat hij op verzoek van anderen in 2002 weer medewerking is gaan verlenen aan de transacties.

5.3. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende ook in de jaren 1999 tot en met 2001 medewerking heeft verleend aan de in geding zijnde transacties. Hij voert daartoe aan dat getuigen in de strafzaak tegen belanghebbende en zijn echtgenote in 2004 hebben verklaard meerdere jaren geleden transacties via belanghebbende te hebben verricht, dat begin 1999 door de echtgenote van belanghebbende contante stortingen zijn gedaan op een bankrekening bij een bank in Duitsland en dat belanghebbende en zijn echtgenote dergelijke stortingen hebben gedaan in de periode 16 februari 2001 tot en met 1 maart 2001. Belanghebbende heeft evenbedoelde stortingen niet betwist.

5.4. Het Hof acht op grond van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd en de inhoud van het proces-verbaal aannemelijk dat belanghebbende ook in de jaren tussen 1998 en 2002 op enigerlei wijze betrokken is geweest bij geldtransacties als hier aan de orde. Daarvan uitgaande dient de vraag te worden beantwoord of belanghebbende bij de geldtransacties waarbij hij was betrokken een voordeel heeft behaald en, zo die vraag bevestigend moet worden beantwoord tot welk bedrag zulks het geval is.

5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat personen die door bemiddeling van belanghebbende bedragen wilden ‘overmaken’ naar, onder meer, personen in Irak, aan belanghebbende een hoger bedrag betaalden dan de aan de begunstigden uit te betalen bedragen. Het Hof zal het verschil tussen evenbedoelde bedragen hierna als provisies aanduiden.

5.6. Belanghebbende stelt dat deze provisies voor het overgrote deel bestemd zijn voor contacten in Irak en Jordanië via welke contacten hij de bedragen bij de begunstigden laat bezorgen. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij slechts een gering deel van de provisies, circa 0,25% van de aan begunstigden te betalen bedragen, heeft achtergehouden voor door hem gemaakte kosten voor reizen, telefoon en dergelijke en dat hij geen bedragen uit deze provisies heeft overgehouden. Belanghebbende heeft verklaard dat hij geen bewijsstukken heeft van de bedragen die hij aan zijn contacten heeft betaald noch van de door hemzelf gemaakte kosten. Hij heeft evenmin een administratie bijgehouden van de met deze kosten gemoeide bedragen.

5.7. De inspecteur heeft bij de vaststelling van de navorderingsaanslagen in het geheel geen rekening gehouden met door belanghebbende gemaakte kosten. Hij heeft ter zitting evenwel verklaard dat hij aannemelijk acht dat belanghebbende kosten heeft gemaakt en dat deze vanuit de ontvangen provisies zijn bestreden. De inspecteur acht echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende per saldo in het geheel geen voordeel zou hebben behaald uit zijn activiteiten.

5.8. Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde kosten geldt dat het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat, en tot welke bedragen, de door hem gestelde kosten zijn gemaakt. Hoewel belanghebbende niet beschikt over gebruikelijke bewijsstukken is het Hof van oordeel dat, gelet op belanghebbendes verklaring ter zitting, en met name in aanmerking nemende de zeer specifieke feiten en omstandigheden waaronder hij de desbetreffende transacties uitvoerde, welke feiten en omstandigheden tussen partijen overigens niet in geschil zijn, hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verhoudingsgewijs aanzienlijke kosten zijn gemaakt die zijn bestreden uit de ontvangen provisies. Het Hof neemt hierbij mede in overweging dat gelet op evenvermelde zeer specifieke omstandigheden bezwaarlijk van belanghebbende kon worden verwacht een ‘normale documentatie’ te hebben van de door hem betaalde bedragen aan zijn contacten in Jordanië en Irak.

Het Hof is evenwel van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door de inspecteur, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat het totaal van de door hem aan kosten in verband met de geldtransporten betaalde bedragen ten minste gelijk is aan het totaal van de provisies.

5.9. Uit het onder 5.5. tot en met 5.8. overwogene volgt dat belanghebbende in de onderhavige jaren een voordeel uit medewerking aan de geldtransporten heeft genoten. Uit het onder 5.8. overwogene blijkt voorts dat de omvang van dat voordeel door de inspecteur te hoog is vastgesteld.

5.10. Met betrekking tot de hoogte van belanghebbendes omzet in de jaren 1999 tot en met 2001 geldt dat de inspecteur deze heeft berekend door de in 2002 ontvangen bedragen te extrapoleren. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbendes activiteiten van dien aard zijn dat daarvoor het vertrouwen van mogelijke opdrachtgevers onontbeerlijk is, dat dit vertrouwen via het opbouwen van een reputatie geleidelijk wordt gewonnen en dat dit meebrengt dat de omvang van de activiteiten in de loop der jaren zal kunnen toenemen. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit die feiten en omstandigheden dat de schatting van de inspecteur van de omvang van de provisies niet juist kan zijn nu deze ervan uit gaat dat de in 1999, 2000 en 2001 gerealiseerde omzet van gelijke omvang is als de door hem voor 2002 berekenende provisies.

5.11. Gelet op het onder 5.9. en 5.10 overwogene zal het Hof zelf een redelijke schatting maken van het gerealiseerde voordeel in de jaren 1999, 2000 en 2001. Het Hof gaat daarbij uit van de omstandigheid dat belanghebbendes activiteiten in 1998 stil hebben gelegen ten gevolge van diens hechtenis, de omstandigheid dat de omvang van de provisies in de jaren 1999 tot en met 2001 een stijgende lijn vertonen en van de omstandigheid dat naar de inspecteur niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist heeft gesteld de omvang van de geldtransacties in 2002 f 8.040.552 beliep. Daarmee rekening houdend stelt het Hof de omvang van de geldtransacties waarbij belanghebbende betrokken is geweest vast op f 2.000.000 in 1999, f 4.000.000 in 2000 en f 6.000.000 in 2001.. In aanmerking nemende dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat een groot deel van de provisie is gebruikt om kosten te bestrijden zal het Hof voorts het door belanghebbende behaalde voordeel vaststellen op 0,5% van de vorenbedoelde bedragen aan transacties. Een en ander leidt ertoe dat het door belanghebbende behaalde voordeel dan in 1999 f 10.000, in 2000 f 20.000 en in 2001 f 30.000 bedraagt.

5.12. Naar het oordeel van het Hof zijn de door belanghebbende behaalde voordelen aan te merken als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 respectievelijk belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien en voorzover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zijn activiteiten ook in geval van een behaald voordeel daaruit geen bron van inkomen vormen, faalt deze stelling gelet op het hiervoor overwogene.

5.13. Indien en voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op hetgeen is vermeld in het besluit van 4 oktober 2001, nr. CPP2001/2477 (onder meer gepubliceerd in BNB 2002/23), is dat beroep naar het oordeel van het Hof ongegrond. Het besluit kan, blijkens zijn bewoordingen, op geen enkele wijze worden toegepast op de provisies die belanghebbende ontvangt voor de door hem verrichte diensten. Naar het oordeel van het Hof kon belanghebbende onder de gegeven omstandigheden uit het besluit redelijkerwijs niet afleiden dat hij ter zake van de door hem ontvangen provisies geen inkomstenbelasting verschuldigd was. Dit brengt mee dat belanghebbende aan dit besluit niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat ter zake van de door hem verrichte diensten geen belasting zou zijn verschuldigd.

5.15.. De inspecteur heeft een boete van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd omdat het zijns inziens aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de litigieuze provisies niet in zijn aangiften voor de jaren 1999, 2000 en 2001 zijn opgenomen. Daartoe voert hij aan dat sprake is van hoge bedragen aan provisie en dat niet aannemelijk is dat belanghebbende in het geheel niet heeft stilgestaan bij de fiscale gevolgen hiervan.

5.16. Het Hof stelt voorop dat het op de weg van de inspecteur ligt aannemelijk te maken dat het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat voor de in geding zijnde jaren te weinig inkomen is aangegeven en als gevolg daarvan te weinig belasting is betaald. Blijkens het vorenoverwogene is bij het oordeel dat belanghebbende in zijn aangifte ten onrechte geen bedrag aan voordeel uit geldtransacties heeft opgenomen van overwegende betekenis dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn kosten ten minste gelijk waren aan de provisies die hij ontving. Deze omstandigheid, die blijkens het vorenoverwogene ten dele haar grond vindt in de bijzondere omstandigheden waaronder de geldtransacties werden uitgevoerd, is naar het oordeel van het Hof op zichzelf onvoldoende om opzet van belanghebbende in meerbedoelde zin aan te nemen. Dat is naar het oordeel van het Hof ook niet het geval als deze omstandigheid wordt bezien in het licht van de hoogte van de bedragen aan provisies, nog daargelaten het feit dat het door belanghebbende genoten voordeel in de onderhavige jaren door de inspecteur op circa f 990.000 is gesteld, terwijl het Hof op een bedrag van f 60.000 komt. Aan belanghebbende kan het verwijt gemaakt worden dat hij de eventuele gevolgen van het niet althans onvolledig administreren van gegevens betreffende de geldtransacties onvoldoende heeft onderkend, doch dat leidt niet tot de conclusie dat belanghebbende zich in dezen aan opzet heeft schuldig gemaakt. Gelet op het vorenoverwogene en de omstandigheid dat de inspecteur belanghebbende ter zake geen grove schuld heeft verweten, is de boete naar het oordeel van het Hof ten onrechte opgelegd.

5.12. Op grond van al het vorenoverwogene volgt dat het belastbare inkomen voor het jaar 1999 moet worden gesteld op f 5.035 negatief, zodat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het belastbare inkomen voor het jaar 2000 dient te worden gesteld op f 34.570 en het belastbare inkomen uit woning en werk voor het jaar 2001 op € 21.522. Voorts zijn de boetebeschikkingen ten onrechte genomen.

6. De conclusie

Het beroep is gegrond.

7. De proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Het Hof beschouwt deze zaak en de zaak met kenmerk 04/1154 als samenhangende zaken in de zin van het Besluit. Met inachtneming van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof de proceskosten op 2 (punten voor proceshandelingen) maal € 322 (waarde per punt), maal factor 1,5 (gewicht van de zaak) ofwel € 966, waarvan € 483 voor de onderhavige zaak. Gelet op de aan belanghebbende verleende toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag aan kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden betaald aan de griffier.

8. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraken inzake de navorderingsaanslagen;

vernietigt de navorderingsaanslag voor het jaar 1999;

vermindert de navorderingsaanslag voor het jaar 2000 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 34.570;

vermindert de navorderingsaanslag voor het jaar 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 21.522;

vernietigt de uitspraken inzake de boeten en de boetebeschikkingen;

gelast de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37 aan hem te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 483, te voldoen aan de griffier,

en

wijst daarbij de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag dient te voldoen.

Gedaan op 5 april 2007 door mr. D.B. Bijl, raadsheer en voorzitter, mr. M.E. van Hilten, en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.B.M. van Bakel, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Op 11 april 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.