Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA2590

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
0500421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de vorige huurder verzuimd het voor zijn rekening komende onderhoud te plegen, dan zal de in de plaats gestelde huurder - een afwijkende overeenkomst daargelaten - het gehuurde bij het einde van de huur moeten opleveren in de staat waarin zijn voorganger het ontving. Dat de onderhoudsplicht op de nieuwe huurder is overgegaan zoals deze voor de in de plaatsstelling op de vorige huurder had gerust, heeft ook gevolgen voor de staat waarin de in de plaats gestelde huurder het gehuurde bij het einde van de huur moet opleveren. Niet de staat waarin hij het op het moment van de in de plaatsstelling ontving is daarbij bepalend, maar de staat waarin de vorige huurder het heeft aanvaard en de afspraken die deze daaromtrent met de verhuurder maakte.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 159
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 307
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/266 met annotatie van Van der Kamp
NJF 2007, 251

Uitspraak

Arrest d.d. 4 april 2007

Rolnummer 0500421

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. R.W. de Casseres,

tegen

[geïntimeerde], h.o.d.n. [naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. W. van Bottenburg.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 21 april 2004, 21 juli 2004, 3 november 2004 en 27 april 2005 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 26 juli 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de hiervoor genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 7 september 2005.

Het petitum van de appeldagvaarding, tevens bevattende een wijziging van eis, luidt:

"te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, als voornoemd en opnieuw recht doende geïntimeerde - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.918,20 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2004 zijnde de dag der dagvaarding in eerste instantie, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties."

[appellant] heeft een memorie van grieven - inhoudende een nadere wijziging van eis - genomen, waarvan de conclusie luidt:

"[geïntimeerde] bij arrest - alles uitvoerbaar te verklaren bij voorraad - te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een geldsom groot € 25.918,20 te vermeerderen met een rente van 6% per jaar op basis van samengestelde interest te rekenen vanaf 4 november 2003 tot de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met een schadebedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet, voor zover zou blijken dat onderwijl als gevolg van het toerekenbaar tekort schieten zijdens [geïntimeerde] de schade is toegenomen en zou uitkomen boven voornoemd bedrag vermeerderd met voornoemde rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties."

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd met als conclusie:

"[appellant] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep te verwerpen, met - zo nodig onder verbetering van gronden - bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep en met afwijzing van de (gewijzigde) eis en voorts met veroordeling van [appellant] - bij arrest uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het hoger beroep."

Vervolgens heeft [appellant] een "akte uitlating met betrekking tot de memorie van

antwoord, tevens strekkende tot overlegging producties" genomen, waarin hij het

petitum van zijn vordering als volgt heeft gepreciseerd:

"dat het Hof behage te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden, sector Kanton locatie Sneek, waarvan blijkens de dagvaarding in beroep is gekomen, en opnieuw rechtdoende geïntimeerde - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een geldsom groot € 25.918,20 te vermeerderen met een rente van 6% per jaar op basis van samengestelde interest te rekenen vanaf 4 november 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties."

Daarop is door [geïntimeerde] met een antwoordakte gereageerd.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

de vaststaande feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende weersproken, dan wel op grond van de overgelegde niet bestreden producties staat in dit geding het volgende vast.

1.1 [appellant] heeft als eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] deze bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) per 3 oktober 1995 verhuurd aan mevrouw [betrok[betrokkene 1].

1.2 Het huurcontract bevat in artikel 10 de volgende bijzondere bepaling:

"In afwijking van het bepaalde in artikel 9 van de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte behorende tot deze huurovereenkomst komen partijen uitdrukkelijk overeen dat al het onderhoud als bedoeld in artikel 9.1 van de algemene bepalingen voor rekening van de huurder is. Mitsdien dient de huurder ook het zogenaamde groot onderhoud te plegen terzake van onderhoud, herstel en vernieuwing van constructieve onderdelen van het gehuurde, het onder-houd, herstel en vernieuwing van trappen, traptreden, riolering, goten, buitenkozijnen e.d. als ook het onderhouden en vervangen van onderdelen en vernieuwing van installaties zoals de centrale verwarminginstallatie, alsmede het buitenschilderwerk."

1.3 Ingaande 1 mei 2000 is [geïntimeerde] door middel van in de plaatsstelling [betrokkene 1] als huurster van het gehuurde opgevolgd. Van deze in de plaatsstelling blijkt uit een aanhangsel bij het huurcontract, dat door [geïntimeerde] op 9 mei 2000 is ondertekend.

1.4 Tussen (de raadslieden van) [appellant] en [betrokkene 1] is vanaf mei 2000 gecorres-pondeeerd over de onderhoudstoestand van het gehuurde. Partijen hebben, zoals blijkt uit de brief van de - toenmalige - raadsman van [appellant] d.d. 16 juli 2001 (productie 3 bij memorie van grieven) overeenstemming bereikt over een betaling door [betrokkene 1] aan [appellant] van een bedrag van ƒ 5.256,--.

1.5 In opdracht van [geïntimeerde] is het gehuurde op 18 augustus 2000 getaxeerd door makelaar Struiksma te Sneek. Eveneens in opdracht van [geïntimeerde] is het gehuurde in september 2000 bouwkundig gekeurd door Sinnema-Faber Bouwmanagement B.V. te Leeuwarden. [geïntimeerde] heeft vervolgens Bouwbedrijf Koster B.V. te Sneek verzocht een kostenraming te geven van de door Sinnema-Faber aanbevolen onderhouds- en verbeteringswerkzaamheden, exclusief schilderwerk. Voorts hebben Loodgieters- en Installatiebedrijf Huisman v.o.f. te Sneek en Bouwbedrijf Bootsma B.V. te Tirns op verzoek van [geïntimeerde] prijsopgaven gedaan betreffende de te verrichten loodgieterswerkzaamheden (zowel het onderhoud als de verbeteringen) en overige werkzaamheden (onderhoud en verbeteringen), exclusief het schilderwerk. [geïntimeerde] heeft deze offertes naar [appellant] gezonden.

1.6 Bij brief van 18 september 2002 heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd over te gaan tot het - op haar kosten - laten verrichten van het achterstallig onderhoud als genoemd in de raming van Koster en in de offertes van Huisman en Bootsma.

1.7 In opdracht van [appellant] heeft bouwbedrijf Zetstra Bouw Groningen op

4 november 2003 gerapporteerd omtrent de inventarisatie van onderhoud/achter-stallig onderhoud van het gehuurde. De kosten van herstel zijn door Zetstra begroot op € 25.918,20 incl. BTW.

1.8 De huurovereenkomst is inmiddels, ingaande 1 oktober 2005, geëindigd.

de vordering

2. [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd: I. [geïntimeerde] te veroordelen tot voldoening van het achterstallige onderhoud als omschreven in het rapport van Zetstra met de daarin verstrekte prijsindicatie van de kosten van herstel van het achterstallige onderhoud begroot op € 25.918,20, II. [geïntimeerde] te veroordelen tot medewerking aan partiële ontbinding van de huurovereenkomst in voege als in het petitum van de inleidende dagvaarding omschreven, en III. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding.

2.1 Na een drietal tussenvonnissen heeft de kantonrechter bij (eind)vonnis van

27 april 2005 de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

2.2 Na twee wijzigingen c.q. aanpassingen van de eis ligt in hoger beroep ter beoordeling voor de vordering zoals deze is gepreciseerd in de door [appellant] genomen akte uitlating d.d. 1 november 2006, zoals hiervóór onder "het geding in hoger beroep" is weergegeven.

[geïntimeerde] heeft zich niet tegen deze eiswijzigingen verzet. Hoewel de laatste wijziging - bij een nadere akte die in wezen een verkapte, ingevolge art. 347 Rv niet toegelaten conclusie van repliek is - in processueel opzicht niet zonder bedenkingen is, ziet het hof onvoldoende grond om de eiswijzigingen ambtshalve ontoelaatbaar te verklaren, ook al omdat alsdan zeer lastig zou zijn te bepalen waar de procedure nog over zou gaan.

(met betrekking tot) de grieven

3. Door [appellant] zijn elf grieven opgeworpen. De grieven leggen, gezien de daarop gegeven toelichting, het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling, te meer nu de feitelijke constellatie een andere is dan gedurende de behandeling in eerste aanleg.

3.1 Geen van de grieven is gericht tegen het (tussen)vonnis van 21 april 2004, zodat [appellant] in het hoger beroep van dat vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4. Vooropgesteld wordt dat krachtens art. 205 Overgangswet NBW op deze zaak het huurrecht van toepassing is zoals dat geldt sinds 1 augustus 2003. De inleidende dagvaarding dateert immers van na die datum. Voor de materiële beoordeling van het geschil maakt dit overigens niet uit omdat het nieuwe huurrecht in dit opzicht niet afwijkt van het vóór 1 augustus 2003 geldende recht.

5. De thans voorliggende vordering van [appellant] behelst de veroordeling van [geïntimeerde] tot voldoening van € 25.918,20, overeenkomende met het bedrag van de door Zetstra Bouw blijkens haar rapport d.d. 4 november 2003 gemaakte schatting van kosten van herstel van achterstallig onderhoud aan het gehuurde, vermeerderd met rente en proceskosten.

5.1 Aan deze vordering ligt de stelling ten grondslag dat op grond van het bepaalde in artikel 10 van de huurovereenkomst - als hiervoor geciteerd onder rechtsover-weging 1.2 - al het onderhoud als bedoeld in artikel 9.1 van de algemene bepalingen voor rekening van [geïntimeerde] is.

6. [geïntimeerde] is ingaande 1 mei 2000 door in de plaatsstelling huurster van het gehuurde geworden. In de plaatsstelling impliceert dat een in het huurcontract bedongen doorlopende verplichting tot onderhoud op de nieuwe huurder overgaat, en wel zoals deze vóór de in de plaatsstelling op de vorige huurder heeft gerust (HR 25 november 1977, NJ 1978, 400).

6.1 Heeft de vorige huurder verzuimd het voor zijn rekening komende onderhoud te plegen, dan zal de in de plaats gestelde huurder - een afwijkende overeenkomst daargelaten - het gehuurde bij het einde van de huur moeten opleveren in de staat waarin zijn voorganger het ontving.

6.2 Dat de onderhoudsplicht op de nieuwe huurder is overgegaan zoals deze voor de in de plaatsstelling op de vorige huurder had gerust, heeft ook gevolgen voor de staat waarin de in de plaats gestelde huurder het gehuurde bij het einde van de huur moet opleveren. Niet de staat waarin hij het op het moment van de in de plaatsstelling ontving is daarbij bepalend, maar de staat waarin de vorige huurder het heeft aanvaard en de afspraken die deze daaromtrent met de verhuurder maakte.

7. Het voorgaande impliceert dat een vordering terzake van - gesteld - achterstallig onderhoud aan het gehuurde, als in dit geding aan de orde, in beginsel eerst zal kunnen worden ingesteld na het einde van de huurovereenkomst, omdat eerst dan de huurder in rechte zal kunnen worden aangesproken op vermeend niet-nakomen van onderhavige onderhoudsverplichting.

7.1 Gesteld noch gebleken is dat in dezen van dit beginsel dient te worden afgeweken. Daartoe bestaat te minder aanleiding nu [geïntimeerde] in voldoende mate heeft aangetoond dat er lopende de huurovereenkomst wel degelijk onderhoudswerkzaamheden aan het gehuurde zijn verricht. Van een dreigende teloorgang van het gehuurde als gevolg van gebrek aan onderhoud, welke tot direkt ingrijpen noopte, is het hof niet gebleken, zodat de kantonrechter de oorspronkelijke vordering op dit punt terecht heeft afgewezen.

8. De huurovereenkomst tussen partijen is inmiddels, hangende dit geding, geëindigd. De - in appel - gewijzigde vordering van [appellant] ziet blijkens zijn eigen stellingen echter niet op herstel van achterstallig onderhoud van het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst. Daarbij komt dat niet is gesteld of gebleken dat aan het einde van de huurovereenkomst de staat van het gehuurde is opgemaakt, zodat ook de omvang van de op [geïntimeerde] rustende onderhouds-verplichting - wat daar overigens ook van zij - op dat moment niet vast staat.

9. Op grond van het voorgaande strandt de onderhavige vordering van [appellant]. De grieven falen. Hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.

Slotsom

10. [appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep van het tussenvonnis van 21 april 2004. De bestreden vonnissen van 21 juli 2004, 3 november 2004 en 27 april 2005 zullen, zij het op andere gronden, worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (11/2 procespunt, tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het (tussen)vonnis van 21 april 2004;

bekrachtigt de vonnissen van 21 juli 2004, 3 november 2004 en 27 april 2005 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot

die tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 244,-- aan verschotten en op

€ 1.737,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Hidma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw van den Bosch als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 4 april 2007.