Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA1779

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
BK 18/04 Vennootschapsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

a. Is het beroep van belanghebbende ontvankelijk? Zo ja, dan zijn de volgende vragen in geschil.

b. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

c. Is de onder 2.11opgenomen correctie fotokosten juist?

d. Is de onder 2.11 opgenomen correctie congreskosten juist?

e. Kan bij het berekenen van de winst van de maatschap alsnog rekening worden gehouden met de door belanghebbende gestelde kosten van het leggen van een parketvloer?

f. Heeft de inspecteur terecht een aansluitverschil geconstateerd?

g. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0625
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 18/04 23 maart 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V., gevestigd te Z, tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting (: Vpb) over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werd over het jaar 1999 met dagtekening 25 augustus 2001 een aanslag voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (: de Wet) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 90.242, -. Daarbij is tegelijkertijd een verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, - opgelegd.

1.2 Op 5 oktober 2001 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen voormelde aanslag ingediend.

1.3 Belanghebbende is in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 januari 2004 bij het hof is ingekomen. De motivering van zijn beroep is op 10 januari 2006 door het hof ontvangen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 10 maart 2006 heeft ingezonden, hebben beide partijen nadere stukken (met bijlagen) ingestuurd, te weten belanghebbende op 17 november 2006 en de inspecteur op 29 november 2006.

1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 november 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) en de heer B, alsmede de heer C namens de inspecteur, bijgestaan door de heren D en E. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota (met bijlagen) overgelegd

1.6 en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen hebben de desbetreffende partijen geen bezwaar gemaakt.

1.7 Op 4 december 2006 zijn van de zijde van de inspecteur, zonder bezwaar van belanghebbende, nadere stukken ingestuurd.

1.8 Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 De heer B is directeur en aandeelhouder van alle aandelen van belanghebbende, namelijk X B.V.. De heer B is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw F. In het onderhavige jaar was hij als oogarts verbonden aan G.

2.2 Met ingang van 1 januari 1991 is de heer B met zijn echtgenote een maatschap aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en risico een oogartsenpraktijk te drijven, te weten H. De heer B is daarbij de uitvoerend medisch specialist. Zijn echtgenote treedt op als medisch secretaresse en spreekuurassistente. Tevens verricht zij administratieve werkzaamheden en houdt zij zich bezig met patiëntenonderzoeken. Het winstaandeel voor de man is gesteld op 85 percent en voor de vrouw op 15 percent.

2.3 Per 1 januari 1993 heeft de heer B zijn maatschapaandeel ingebracht in belanghebbende.

2.4 Op 10 december 2002 zijn bij de maatschap en bij belanghebbende twee afzonderlijke boekenonderzoeken gestart. Ten gevolge van deze boekenonderzoeken zijn onder andere aan de volgende (rechts)personen (onder meer) de volgende aanslagen opgelegd:

- de heer B navorderingsaanslag IB/PV 1999, aanslag IB/PV 2000, aanslag premieheffing Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000;

- mevrouw F aanslag IB/PV 2000;

- belanghebbende navorderingsaanslag Vpb 1999, aanslag Vpb 2000 en naheffingsaanslag loonheffing 1999-2000.

2.5 De rapporten van de boekenonderzoeken zijn gedagtekend 3 juli 2003. Gedurende het boekenonderzoek hebben de gemachtigde en de inspecteur gecorrespondeerd en gesproken over de onderhavige in geschil zijnde en andere correcties. Uit (onder andere) de boekenonderzoeken is het volgende gebleken.

2.6 In de maand oktober van het jaar 1999 is de heer B tezamen met zijn echtgenote en vier kinderen een week in Orlando, de Verenigde Staten, geweest. Zij hebben daar een oogartsencongres bezocht. Dit congres werd georganiseerd door de American Academy of Ophtalmology. De heer B en zijn gezin hebben een week verblijf gehouden in een gehuurde villa in de buurt van Orlando. Zij hebben ook een auto gehuurd. Zijn echtgenote heeft niet het voor de specialisten bestemde deel van het congres bezocht. Zij en de kinderen hebben deelgenomen aan het zogenaamde partnerprogramma.

2.7 Ter zake van (onder andere) het onder 2.6 vermelde congres en verblijf is een bedrag van ƒ 28.180,17 ten laste van het resultaat over 1999 van de maatschap gebracht. De inspecteur heeft daarvan slechts ƒ 7.500, - in aftrek toegelaten als de (zakelijke) congreskosten van de heer B, welke kosten eveneens zijn reis- en verblijfkosten behelzen. Het resterende deel, zijnde de kosten van de echtgenote en/of de kinderen, is niet in aftrek toegestaan. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat hij een rekenfout heeft gemaakt: in plaats van ƒ 20.680, - heeft hij ter zake van het resultaat van de maatschap een bedrag van ƒ 21.680, - als grondslag van de correctie gehanteerd. Een deel daarvan, namelijk 10 percent, is als “Oort-kosten” buiten de correctie gehouden. Uiteindelijk heeft de inspecteur ƒ 16.585, - (85 percent van ƒ 19.512, -) in plaats van ƒ 15.820, - in aanmerking genomen als correctie op het belastbare bedrag ter zake van congreskosten.

2.8 Belanghebbende is in het jaar 2000 opnieuw naar Orlando geweest. Aldaar heeft hij weer, maar nu zonder zijn gezin, het oogartsencongres van de American Academy of Ophtalmology bezocht. Ook ter zake van (onder andere) dit congres en verblijf is een bedrag ten laste van het resultaat van de maatschap gebracht, namelijk ƒ 12.090, -. De inspecteur heeft daarvan weer slechts ƒ 7.500, - in aftrek toegelaten.

2.9 Over het onderhavige jaar zijn - evenals over voorgaande jaren - ten laste van het resultaat van de maatschap kosten ter zake van fotomateriaal gekomen. De in de jaarrekening 1999 opgevoerde kosten daarvan bedragen ƒ 19.438, -. Tijdens het ingestelde boekenonderzoek is geconstateerd dat een op 28 januari 1998 gedateerde nota van I ten bedrage van ƒ 7.285,50 ten laste van het resultaat over 1998 is gebracht. Een op 28 januari 1999 gedateerde bon, eveneens afkomstig van I, maar nu ten bedrage van ƒ 7.235,50, is in de administratie van 1999 verwerkt.

2.10 Het aangiftebiljet Vpb 1999, dat in eerste instantie werd ingediend, vermeldde een belastbaar bedrag van ƒ 90.242, -. Nadat de onderhavige aanslag Vpb 1999 was opgelegd – ook naar een belastbaar bedrag van ƒ 90.242 - is namens belanghebbende een andere aangifte ingediend, nu met de cijfers van het jaar 1999 en niet - zoals de eerste aangifte - van het jaar 1998. Onder andere deze aangifte was de aanleiding van de onder 2.4 vermelde boekenonderzoeken. De tweede aangifte vermeldt een belastbaar bedrag van ƒ 62.280, -. Ter zake van deze aangifte heeft de inspecteur de volgende correcties toegepast:

correctie fotokosten ƒ 6.149, -

correctie rente ƒ 35.331, -

correctie aansluitverschil ƒ 315, -

Op 7 januari 2004 is van de zijde van belanghebbende een beroepschrift bij het hof ingekomen. Als bijlage is een brief van de inspecteur met dagtekening 12 december 2003 meegestuurd. In de aanhef van deze brief staat letterlijk “Uitspraak op bezwaarschriften vennootschapsbelasting 1999 en 2000”.

2.11 Met dagtekening 30 september 2003 is aan belanghebbende de onder 2.4 vermelde navorderingsaanslag Vpb 1999 opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 104.075, -. In de bijlage van de brief van de inspecteur d.d. 3 maart 2005 stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het belastbare bedrag over het jaar 1999 van belanghebbende vastgesteld dient te worden op ƒ 84.411, -, in welk bedrag de volgende correcties zijn begrepen:

correctie fotokosten ƒ 6.149, -

correctie congreskosten ƒ 16.585, -

correctie aansluitverschil ƒ 315, -

correctie autokosten ƒ 1.703, -

scholingsaftrek - ƒ 2.621,

2.12 Partijen houdt niet (meer) verdeeld de correctie autokosten en scholingsaftrek. In haar beroepschrift en ter zitting wil belanghebbende dat alsnog rekening wordt gehouden met de door haar gestelde kosten van het leggen van een parketvloer in het jaar 1998 door de heer J in het pand a-straat .., welk pand door mevrouw F in het onderhavige jaar aan de maatschap wordt verhuurd. In dit pand wordt de maatschappraktijk uitgeoefend.

3. Het geschil

Naar het hof partijen begrijpt, zijn in beroep in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. Is het beroep van belanghebbende ontvankelijk? Zo ja, dan zijn de volgende vragen in geschil.

b. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

c. Is de onder 2.11opgenomen correctie fotokosten juist?

d. Is de onder 2.11 opgenomen correctie congreskosten juist?

e. Kan bij het berekenen van de winst van de maatschap alsnog rekening worden gehouden met de door belanghebbende gestelde kosten van het leggen van een parketvloer?

f. Heeft de inspecteur terecht een aansluitverschil geconstateerd?

g. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd?

4. De standpunten van partijen

4.1 Belanghebbende beantwoordt de onder 3a opgenomen vraag bevestigend. De inspecteur ontkennend. Vervolgens beantwoordt belanghebbende de onder 3b en 3g opgenomen vragen ontkennend, terwijl de inspecteur die vragen bevestigend beantwoordt.

4.2 Met betrekking tot de in geschil zijnde fotokosten is belanghebbende van mening dat deze kosten als zakelijke kosten in aftrek dienen te komen op het resultaat van de maatschap. Na een kasopname op 28 januari 1999 van ƒ 7.235,50 van een bankrekening met nummer 00.00.00.000 bij de K Bank is de nota contant betaald. Belanghebbende kan de originele bon niet overleggen, maar heeft wel een afschrift daarvan en een bewijs van de hiervoor vermelde kasopname overgelegd. Volgens de inspecteur is gebleken dat de in het jaar 1998 in aanmerking genomen fotokosten voor een deel van ƒ 7.235,50 ten onrechte ook in het jaar 1999 in aanmerking zijn genomen. Een factuur van het jaar 1998 is namelijk (volgens de inspecteur) na bewerking nogmaals als kostenpost voor het jaar 1999 gebruikt. Aftrek van deze - naar de stelling van de inspecteur - vervalste nota is volgens hem uitgesloten.

4.3 Wat betreft geschilpunt 3d voert belanghebbende aan dat de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot het congres in Orlando als zakelijke kosten in aftrek behoren te komen op het resultaat van de maatschap. De te dezen in geschil zijnde kosten die betrekking hebben op mevrouw F dienen eveneens in aftrek te komen op het resultaat van de maatschap, omdat ook deze kosten volgens belanghebbende zakelijk zijn. Die kosten heeft zij namelijk gemaakt in haar hoedanigheid van ondernemer. Als maatschaplid is het - naar de stelling van belanghebbende - voor een goede praktijkuitoefening van belang dat mevrouw F kennis neemt van hetgeen in de kringen van de specialistisch opererende oogartsen leeft. Belanghebbende bestrijdt uitdrukkelijk dat er sprake is geweest van een gezinsvakantie. Daarentegen is de inspecteur van mening dat wel degelijk sprake is geweest van een gezinsvakantie. Naar het hof de inspecteur begrijpt, trekt hij het bestaan van de opgevoerde kosten niet in twijfel, maar de zakelijkheid daarvan wel. De in geschil zijnde kosten die zien op mevrouw F en/of kinderen kunnen, naar de stelling van de inspecteur, niet in aftrek komen. Door ƒ 7.500, - zonder schriftelijke stukken in aftrek toe te laten als de congreskosten van B is de inspecteur, naar zijn mening, belanghebbende genoegzaam tegemoet gekomen.

4.4 Belanghebbende wil dat bij de berekening van de winst van de maatschap alsnog rekening wordt gehouden met de door haar gestelde kosten van het leggen in 1998 van een parketvloer in het pand a-straat ... Deze kosten bedragen volgens haar ƒ 5.025,50. Dit bedrag zou contant zijn betaald op 29 december 1998 aan de heer J, die ook de werkzaamheden zou hebben verricht. Belanghebbende verwijst daarvoor naar het tot de gedingstukken behorende bankafschrift van de kasopname ad ƒ 5.025,50 ten laste van de ten name van mevrouw F gestelde bankrekening met nummer 00.00.00.000. Ook verwijst zij naar een overgelegd kopie van de ordernota van J van 20 december 1998. De inspecteur betwist dat deze kosten moeten worden toegerekend aan de maatschap in het jaar 1998. Hij wijst op het volgende. De inspecteur heeft op 15 april 2003 de heer J gehoord. Geconfronteerd met de ordernota heeft de heer J, ten overstaan van de inspecteur, verklaard dat de nota niet van voormelde datum kan zijn, omdat hij ten tijde daarvan niet werkzaam was aangezien hij failliet was verklaard. De op de orderbon vermelde datum moet volgens hem 20 december 1996 zijn. Van “1996” is “1998” gemaakt. De werkzaamheden zijn volgens hem evenmin in het pand a-straat .. verricht, maar waarschijnlijk in een woning van een ander lid van de familie B/F.

4.5 Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur ten onrechte een aansluitverschil van ƒ 315, - heeft geconstateerd. Belanghebbende wijst erop dat het bedrag de in de aangifte als niet aftrekbaar bedrag aangemerkte vennootschapsbelasting betreft. De inspecteur vindt deze argumentatie van belanghebbende geen hout snijden.

4.6 Voor een meer uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

5. De rechtsoverwegingen

5.1 Op 7 januari 2004 is bij het hof een pro forma beroepschrift ingekomen. Als bijlage is meegestuurd een brief van de inspecteur d.d. 12 december 2003. De aanhef vermeldt letterlijk: “Uitspraak op bezwaarschriften vennootschapsbelasting 1999 en 2000”. Uit de omstandigheid dat belanghebbende voormelde bijlage met haar beroepschrift heeft meegestuurd, leidt het hof af dat zij deze brief heeft opgevat als de uitspraak op haar bezwaar tegen de onderhavige aanslag. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende dit redelijkerwijs kunnen en mogen doen. De inspecteur voert daartegen aan dat hij reeds op 7 juni 2002 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hij zou het bezwaar op die datum niet-ontvankelijk hebben verklaard wegens het ontbreken van de motiveringsgronden. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven deze uitspraak niet te hebben ontvangen. De inspecteur, op wie ter zake daarvan de bewijslast rust, heeft geenszins het bestaan van die uitspraak aannemelijk gemaakt – zo heeft hij zelfs de betreffende uitspraak niet in het geautomatiseerd systeem van de belastingdienst kunnen traceren - zodat het hof over de juistheid van de stelling dat reeds op 7 juni 2002 uitspraak is gedaan geen zekerheid heeft verkregen. Dat aan belanghebbende de onder 2.4 vermelde navorderingsaanslag op 30 september 2003 is opgelegd, zegt naar het oordeel van het hof nog niets over de inhoud van de onderwerpelijke uitspraak op bezwaar. Het hof gaat derhalve uit van de inhoud van de uitspraak d.d. 12 december 2003 (bedoeld is 17 december 2003, zie daarvoor de inhoud van de uitspraak en het verweerschrift BK 19/04). Uitgaande van de juistheid van de datum van 12 december 2003 en de binnenkomst van het beroepschrift op 7 januari 2004 is het beroep tijdig ingediend. Het beroep dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard.

5.2 In de uitspraak van 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens overschrijding van de bezwaartermijn én het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de dagtekening van de onderwerpelijke aanslag van 25 augustus 2001 en de binnenkomst van het bezwaarschrift ter inspectie op 5 oktober 2001 is het bezwaarschrift tijdig ingediend. Ook met betrekking tot het argument dat de gronden van het bezwaar zouden ontbreken, is het hof van oordeel dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Redengevend daarvoor is dat het de inspecteur genoegzaam bekend was op grond waarvan belanghebbende ageerde tegen de onderhavige aanslag. Het hof verwijst daarvoor naar het verloop van de naar aanleiding van - onder andere het tegen de onderhavige aanslag ingediend bezwaar - ingestelde boekenonderzoeken. Zo hebben bespreking(en) plaatsgevonden en is er correspondentie gewisseld (zie onder andere de punten van de bespreeklijst van de bespreking d.d. 3 februari 2003, de brief van de gemachtigde d.d. 26 maart 2003, de brieven van de inspecteur d.d. 25 april 2003 en 13 mei 2003 en de brief van de gemachtigde van 2 september 2003).

5.3 Met in achtneming van het overwogene onder 5.2 is het beroep gegrond. Het hof zal de onderhavige uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar van belanghebbende alsnog ontvankelijk verklaren.

5.4 De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 9 juni 2006, nr. 41 130, NTFR 2006/844, overwogen dat indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur dient op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Gelet op de omstandigheid dat beide partijen op een inhoudelijke beoordeling van de geschillen door het hof aandringen, zal het hof zelf in de zaak voorzien.

5.5 Met betrekking tot de fotokosten is het hof van oordeel dat op belanghebbende, bij betwisting daarvan door de inspecteur, de bewijslast rust voor het bestaan en de omvang van de aftrek gebrachte fotokosten. De inspecteur betwist de authenticiteit van de nota betreffende het jaar 1999. Hij stelt dat de nota d.d. 28 januari 1998 van I na bewerking opnieuw is gebruikt als kostenpost voor het jaar 1999, nu met een totaalbedrag van € 7.235,50, terwijl 4 andere kostennota’s van belanghebbende wel zijn te traceren. Hij verwijst naar het resultaat van een door hem ingesteld derdenonderzoek bij I. Op de kassatelstroken van dit bedrijf betreffende de maanden januari en met juni 1999 blijkt de door belanghebbende gestelde betaling van € 7.235,50 niet voor te komen. Belanghebbende verwijst voor de betaling van de nota naar de door haar ter zitting overgelegde stukken. Na een kasopname op 28 januari 1999 van ƒ 7.235,50 van een bankrekening met nummer 00.00.00.000 bij de K Bank zou de betreffende nota contant zijn betaald. Belanghebbende kan de originele bon niet overleggen, maar wel een afschrift daarvan en een bewijs van de hiervoor vermelde kasopname. Belanghebbende stelt dat mogelijkerwijs I de betaling niet heeft ingeboekt. Tevens wijst zij op de verschillen tussen de betreffende nota’s. Het hof is van oordeel dat op basis van hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht geen zekerheid kan worden verkregen over de authenticiteit van de betreffende nota van het jaar 1999. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende de originele nota niet heeft overgelegd. Het hof staat de aftrek derhalve niet toe. De door belanghebbende gestelde en ter zitting met stukken gestaafde betaling van de nota brengt geen wijziging in het oordeel van het hof, te meer omdat de kasopname ten laste van een rekening ten name van de heer B is gekomen en van een verrekening tussen de maatschap en B dienaangaande niets gesteld of gebleken is. De stelling van belanghebbende dat de betreffende fotokosten passen in het patroon van de in de jaren 1993 tot en met 1996 ten opzichte van de omzet gemaakte fotokosten, helpt haar evenmin. Overigens heeft belanghebbende haar grieven tegen het derdenonderzoek bij I ter zitting laten varen.

5.6 Een juiste verdeling van de bewijslast brengt met zich dat op belanghebbende de bewijslast rust voor het bestaan en de omvang van de in aftrek gebrachte congreskosten en op de inspecteur, ingeval hij de zakelijkheid van deze kosten betwist, de bewijslast betreffende de onzakelijkheid. Naar het hof de inspecteur begrijpt, trekt hij het bestaan en de omvang van het in geschil zijnde bedrag niet in twijfel, maar betwist hij de zakelijkheid daarvan. Belanghebbende beklemtoont het zakelijk belang van deelname van mevrouw F aan de reis en het congres. De inspecteur vindt dat sprake is van een vakantiereis. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur deze stelling aannemelijk gemaakt. De inspecteur wijst namelijk op de omstandigheden dat de heer B en zijn echtgenote met hun vier kinderen een week lang in Orlando zijn geweest, aldaar een villa en auto hebben gehuurd en dat de echtgenote tezamen met de kinderen het partnerprogramma van het congres heeft bezocht. Slechts in de deelname aan het specifieke vaktechnische deel van het oogartsencongres door de heer B is een zakelijk element van de reis te onderkennen. Dat de kosten van de reis van de echtgenote onzakelijk zijn, wordt verder ondersteund door de omstandigheid dat de heer B in het jaar 2000 opnieuw het oogartsencongres in Orlando heeft bezocht, maar nu zonder zijn echtgenote en kinderen. Belanghebbende stelt dat de kosten aangaande mevrouw F zijn gemaakt in haar hoedanigheid van ondernemer. Door het bijwonen van het congres en haar aanwezigheid zou haar - naar de stelling van belanghebbende - de mogelijkheid zijn geboden om zich verder te verdiepen en te verbreden op het gebied van de oogartsenpraktijk. Dienaangaande heeft belanghebbende geen enkel bewijs bijgebracht. Het hof houdt het ervoor dat de echtgenote van de heer B en zijn kinderen uit persoonlijke behoeftebevrediging de heer B hebben vergezeld. Het standpunt van belanghebbende dat de reis, voor zover die betrekking heeft op mevrouw F, dient te worden aangemerkt als een zakelijk reis, dan wel dat voor de maatschap overwegend zakelijke redenen ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing om (dat deel van) de kosten voor haar rekening te nemen, verwerpt het hof.

5.7 Ter zake van de door belanghebbende gestelde kosten van het leggen van een parketvloer in het jaar 1998 heeft belanghebbende - op wie de bewijslast rust - tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door de inspecteur (zie 4.4), niet aannemelijk gemaakt dat die kosten toegerekend moeten worden aan de maatschap. Het hof staat derhalve de afschrijving ter zake daarvan niet toe.

5.8 Met betrekking tot het aansluitverschil constateert het hof dat volgens de jaarrekening 1999 het eigen vermogen ultimo 1999 ƒ 474.096, - bedraagt. In het door belanghebbende opgestelde rapport van de jaarrekening is onder “Fiscale positie” een bedrag van ƒ 21.798, - opgenomen als de verschuldigde Vpb over 1999. Met dit bedrag is in het rapport rekening gehouden. Echter, in de bijgevoegde aangifte Vpb 1999 is onder punt 1g als niet-aftrekbaar bedrag een bedrag van ƒ 22.113, -, zijnde de verschuldigde Vpb 1999, opgenomen. Tevens is daarin onder punt 1a een bedrag van ƒ 473.781, - opgenomen als ondernemingsvermogen ultimo 1999. Dit bedrag is niet gelijk aan het in de jaarrekening 2000 opgenomen bedrag aan beginvermogen van het jaar 2000, te weten een bedrag van ƒ 474.096, -. Het voorgaande leidt ertoe dat de inspecteur, naar het oordeel van het hof, ten onrechte een bedrag van ƒ 315, - heeft gecorrigeerd. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

5.9 Ten slotte ageert belanghebbende tegen de bij het vaststellen van de onderhavige aanslag aan haar opgelegde verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, -. Volgens bijlage A bij de brief van de inspecteur d.d. 1 december 2006 is de verzuimboete bij ambtshalve genomen beschikking verminderd tot op ƒ 350, -. Op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de onderhavige verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte Vpb opgelegd. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet heeft aangetoond dat de onderhavige aangifte te laat zou zijn ingediend, dan wel dat sprake zou zijn van opeenvolgende verzuimen. De inspecteur heeft als bijlagen van zijn verweerschrift afschriften van het geautomatiseerd systeem van de belastingdienst overgelegd (zie bijlage 2 en bijlagen 18 a tot en met f). Daaruit valt op te maken dat aan belanghebbende met betrekking tot de aangiften Vpb over de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 aanmaningen zijn verstuurd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft niets aangevoerd op grond waarvan de ontvangst of aanbieding daarvan moet worden betwijfeld. Op grond hiervan en met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 21, eerste tot en met vierde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 heeft de inspecteur, naar het oordeel van het hof, de uiteindelijk

5.10 opgelegde verzuimboete van ƒ 350, - derhalve niet op een te hoog bedrag vastgesteld. Sinds het opleggen van de verzuimboete op 25 augustus 2001 tot het tijdstip van de uitspraak van het hof zijn meer dan twee jaren verstreken. De beslissing betreffende de verzuimboete heeft derhalve niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof dient in verband hiermee te oordelen of en in welke mate dit gevolgen moet hebben voor de hoogte van de verzuimboete. Bij overschrijding van de redelijke termijn zal als regel het bedrag van de boete worden verminderd met 10 percent. Dit betekent dat de vermindering van de verzuimboete niet meer zal bedragen dan ƒ 35, -. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijke vermindering vanwege de geringe omvang niet meer als een geschikte compensatie worden aangemerkt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de enkele vaststelling dat sprake is van een verdragsschending in onderhavige zaak voldoende compensatie biedt voor de geconstateerde inbreuk.

5.11 De slotsom is dat het beroep op grond van al het vorenoverwogene als gegrond moet worden beoordeeld. Het hof zal de onderhavige aanslag verminderen tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 83.331, -. Het hof heeft bij de berekening daarvan de onder 2.7 vermelde rekenfout en het overwogene onder 5.8 in aanmerking genomen. Tevens zal het hof de verzuimboete, zoals die - naar de weersproken stelling van de inspecteur - na ambtshalve vermindering zou zijn vastgesteld op ƒ 350, -, (zie bijlage A bij de brief d.d. 1 december 2006) verminderen naar dit bedrag.

6. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding ter zake van het bezwaar is geen plaats bij - naar belanghebbende ter zitting heeft gesteld - ontstentenis van een in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoeld verzoek en gelet op de omstandigheid dat belanghebbende ter zake niets concreets heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat er sprake is van drie samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In de twee andere zaken is vandaag eveneens uitspraak gedaan (BK 19/04 en BK 20/04). Het hof bepaalt de kosten ter zake van het beroep op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2,5 (punten per proceshandeling) x € 322, - (waarde punt) x 1 (wegingsfactor C1), totaal € 805, -, waarvan een derde deel, namelijk € 268,33, is toe te rekenen aan de onderhavige zaak. Deze kosten dient de Staat der Nederlanden te dragen.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog ontvankelijk;

vermindert de aanslag Vpb 1999 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 83.331, -;

vermindert de verzuimboete tot op ƒ 350, -;

gelast de Staat der Nederlanden belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 232,- te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 268,33; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 23 maart 2007 door mr. J. Huiskes, voorzitter en raadsheer, mr. G. M. van der Meer, raadsheer en mr. F.J.W. Drion, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 28 maart 2007