Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA1770

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
BK 13/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

a. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

b. Is de onder 2.11 vermelde correctie congreskosten juist?

c. Op welk bedrag dienen de met betrekking tot het jaar 2000 aftrekbare onderhoudskosten a-straat .. te worden gesteld?

d. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0625
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 13/04 23 maart 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werd over het jaar 2000 met dagtekening 19 september 2003 een aanslag in de IB/PV opgelegd als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 396.736, -. Daarbij is een verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, - opgelegd. Tevens is daarbij een bedrag van ƒ 5.580, - aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Tegen de onder 1.1 vermelde aanslag is namens belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak van 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 januari 2004 bij het hof is ingekomen. De motivering van zijn beroep is op 10 januari 2006 door het hof ontvangen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 14 februari 2006 heeft ingezonden, hebben beide partijen nadere stukken (met bijlagen) ingestuurd, te weten belanghebbende op 17 november 2006 en de inspecteur op 29 november 2006.

1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 november 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, de heer A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) en de heer B namens de inspecteur, bijgestaan door de heren C en D. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen hebben de desbetreffende partijen geen bezwaar gemaakt.

1.6 Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is medisch specialist. In het onderhavige jaar was hij tot 1 mei als oogarts verbonden aan E. De tussen belanghebbende en E van kracht zijnde toelatingovereenkomst is per 1 mei 2000 beëindigd. Belanghebbende is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw F.

2.2 Met ingang van 1 januari 1991 is belanghebbende met zijn echtgenote een maatschap aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en risico een oogartsenpraktijk te drijven, te weten G. Belanghebbende is daarbij de uitvoerend medisch specialist. Zijn echtgenote treedt op als medisch secretaresse en spreekuurassistente. Tevens verricht zij administratieve werkzaamheden en houdt zij zich bezig met patiëntenonderzoeken. Het winstaandeel voor belanghebbende is gesteld op 85 percent en voor zijn echtgenote op 15 percent.

2.3 Per 1 januari 1993 heeft belanghebbende zijn maatschapaandeel ingebracht in de besloten vennootschap H B.V. (: de B.V.). Belanghebbende is directeur en aandeelhouder van alle aandelen van de B.V.. Eind oktober 2000 is een overeenkomst gesloten waarbij de oogartsenpraktijk volledig is overgedragen aan de met E verbonden Stichting F. De maatschappraktijk is daardoor feitelijk gestaakt.

2.4 Op 10 december 2002 zijn bij de maatschap en bij de B.V. twee afzonderlijke boekenonderzoeken gestart. Ten gevolge van deze boekenonderzoeken zijn onder andere aan de volgende (rechts)personen de volgende aanslagen opgelegd:

- belanghebbende navorderingsaanslag IB/PV 1999, de onderhavige aanslag IB/PV 2000, aanslag premieheffing Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000;

- mevrouw F aanslag IB/PV 2000;

- de B.V. navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (: Vpb) 1999, aanslag Vpb 2000 en naheffingsaanslag loonheffing 1999-2000.

2.5 De rapporten van de boekenonderzoeken zijn gedagtekend 3 juli 2003. Gedurende het boekenonderzoek hebben de gemachtigde en de inspecteur gecorrespondeerd en gesproken over de onderhavige in geschil zijnde en andere correcties. Uit (onder andere) de boekenonderzoeken zijn de volgende feiten gebleken.

2.6 Belanghebbende is in het onderhavige jaar naar Orlando, de Verenigde Staten, geweest. Aldaar heeft hij een oogartsencongres bezocht. Dit congres werd georganiseerd door de American Academy of Ophtalmology.

2.7 Ter zake van (onder andere) het onder 2.6 vermelde congres en verblijf is een bedrag van ƒ 12.090, - ten laste van het resultaat over 2000 van de maatschap gebracht. De inspecteur heeft daarvan ƒ 7.500, -, zonder schriftelijke stukken, in aftrek toegelaten. Van het resterende deel (minus 10 percent als “Oortse kosten”) heeft de inspecteur 85 percent, te weten ƒ 3.511,- in aanmerking genomen als correctie op het belastbare inkomen ter zake van congreskosten. Primair stelt hij dat dit bedrag een uitdeling van de B.V. aan belanghebbende vormt, subsidiair dat dit bedrag als een (netto) loonvoordeel moet worden gezien.

2.8 Belanghebbende is eigenaar van de woning a-straat .. te L. Deze woning wordt via een tussenpersoon verhuurd. In het jaar 2000 zijn er onderhoudskosten voor deze woning gemaakt. J, een onderneming van de vader van belanghebbende, wijlen de heer K, was nauw betrokken bij de verhuur en het beheer van de woning. Over het onderhoud voerde J de regie. Daarop hield zij ook toezicht.

2.9 Het ingediende aangiftebiljet IB/PV 2000 vermeldde een belastbaar inkomen van ƒ 69.812, -. Naar aanleiding van de onder 2.4 vermelde boekenonderzoeken is op 19 september 2003 een aanslag IB/PV 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 396.736, -. Daarbij is tevens een verzuimboete van ƒ 1.750, - opgelegd. Tegen deze aanslag is bij bezwaarschrift d.d. 23 september 2003 bezwaar gemaakt.

2.10 Op 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft hij de aanslag IB/PV 2000 gehandhaafd. Tegen voormelde uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld.

2.11 Volgens de ambtshalve gegeven vermindering van de aanslag IB/PV 2000 d.d. 22 maart 2005 stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het belastbare inkomen over het jaar 2000 van belanghebbende vastgesteld dient te worden op ƒ 92.833, -, welk bedrag de volgende correcties behelst:

huurwaardeforfait eigen woning ƒ 1.550, -correctie congreskosten ƒ 3.511, -

minder onderhoudskosten a-straat .. ƒ 19.270, -

meer rente ƒ 40, -

buitengewone lasten - ƒ 1.350, -

2.12 Ter zitting van 30 november 2006 heeft de inspecteur ingestemd met de door belanghebbende voorgestane rentecorrectie van ƒ 18, -. Met de onder 2.11 vermelde huurwaardeforfaitcorrectie had belanghebbende al eerder ingestemd. De negatieve correctie buitengewone lasten is geen punt van geschil tussen partijen.

3. Het geschil

In beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

b. Is de onder 2.11 vermelde correctie congreskosten juist?

c. Op welk bedrag dienen de met betrekking tot het jaar 2000 aftrekbare onderhoudskosten a-straat .. te worden gesteld?

d. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd?

4. De standpunten van partijen

4.1 Belanghebbende beantwoordt de onder 3a, 3b en 3d opgenomen vragen ontkennend, de inspecteur beantwoordt die vragen bevestigend.

4.2 Met betrekking tot het geschilpunt 3b kan volgens belanghebbende geen uitdeling of loonbestanddeel worden geconstateerd. Het bedrag van ƒ 12.090, - bestaat - volgens zijn stelling - uit ƒ 364,50 aan de FOK bijdrage, uit ƒ 7.024, - aan betaling American Estates en uit ƒ 4.701,05 aan een betaling aan de ANWB. De betaling aan de ANWB betreft een congres in Rome in september 2001. Alle kosten dienen volgens belanghebbende als zakelijke kosten in aftrek te komen op het resultaat van de maatschap. Voor een correctie in de IB/PV is geen plaats. De inspecteur daarentegen stelt, naar het hof hem begrijpt, dat belanghebbende de zakelijkheid van het in geschil zijnde bedrag van de kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Een opname van ƒ 5.500 op 29 oktober 2000 heeft, volgens de inspecteur, geen betrekking op een congres in Rome in september 2001. Naar het hof hem verder begrijpt, stelt hij eveneens dat het bestaan van het in aftrek gebrachte bedrag, zonder overlegging van de juiste schriftelijke stukken, niet aannemelijk is geworden. Betalingsbewijzen zijn namelijk niet getoond. Primair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het bedrag een uitdeling van de B.V. aan belanghebbende vormt, subsidiair dat dit bedrag als een (netto) loonvoordeel moet worden gezien. Met betrekking tot dit subsidiaire standpunt verwijst hij naar de onder 2.4 vermelde naheffingsaanslag in de loonheffing, waarin het betwiste bedrag aan congreskosten als netto loonvoordeel op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 van de B.V. is nageheven.

4.3 Ter zake van het geschilpunt onder 3c is belanghebbende van mening dat de door de inspecteur niet in aftrek toegelaten onderhoudskosten van ƒ 19.270, - alsnog in aftrek moeten worden toegestaan. De niet in aftrek toegestane kosten betreffen - volgens belanghebbende - een deel van een nota van J d.d. 15 september 2000, namelijk ƒ 14.420, en een deel van de nota van J d.d. 29 november 2000, namelijk ƒ 4.850. De nota’s hebben onder andere betrekking op een door J voorgeschoten nota van M ten bedrage van ƒ 4.642,15 en een door haar voorgeschoten nota van N ad ƒ 161,35. Volgens belanghebbende moeten voormelde kosten in aftrek komen, omdat partijen genoegzaam bekend zijn met de soort werkzaamheden en met het tijdstip waarop die werkzaamheden zijn verricht. Van betaling door middel van verrekening is bovendien ook gebleken, waarvoor belanghebbende verwijst naar te ter zitting overgelegde stukken.

De inspecteur handhaaft zijn weigering van de aftrek onverkort.

4.4 Voor een uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

5. De rechtsoverwegingen

5.1 Op 17 december 2003 heeft de inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur dit ten onrechte gedaan. Redengevend daarvoor is dat het de inspecteur genoegzaam bekend was op grond waarvan belanghebbende ageerde tegen de onderhavige aanslag. Het hof verwijst daarvoor naar de tijdens de onder punt 2.4 vermelde boekenonderzoeken plaatsgevonden bespreking(en) en (andere) correspondentie (zie onder andere de punten van de bespreeklijst van de bespreking d.d. 3 februari 2003, de brief van de gemachtigde d.d. 26 maart 2003, de brieven van de inspecteur d.d. 25 april 2003 en 13 mei 2003 en de brief d.d. 2 september 2003 waarnaar belanghebbende in zijn bezwaarschrift verwijst). Dat de correspondentie en bespreking(en) plaatsvonden voordat de onderhavige aanslag is opgelegd doet daaraan niet af. Evenmin dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift d.d. 23 september 2003 een nadere motivering aankondigt. Het beroep is mitsdien gegrond. Het hof zal de onderhavige uitspraak op bezwaar vernietigen.

5.2 De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 9 juni 2006, nr. 41 130, NTFR 2006/844, overwogen dat indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur dient op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Gelet op de omstandigheid dat beide partijen op een inhoudelijke beoordeling van de geschillen door het hof aandringen, zal het hof zelf in de zaak voorzien.

5.3 De bewijslast dat ten aanzien van het litigieuze bedrag aan kosten in verband met het congres in Orlando (en eventuele andere congressen of cursussen) een uitdeling van winst door de B.V. aan belanghebbende heeft plaatsgevonden of dat belanghebbende een loonvoordeel heeft genoten rust, naar het oordeel van het hof, op de inspecteur. Ten behoeve van zijn stellingen dat er sprake is van een uitdeling of van loon stelt de inspecteur - naar het hof hem begrijpt - dat een opname van ƒ 5.500, - op 29 oktober 2000 geen betrekking kan hebben op een congres in september 2001 in Rome. Tegenover de weerspreking daarvan door belanghebbende, voert de inspecteur niets nader aan. Naar het hof de inspecteur verder begrijpt, betwist hij het bestaan van het in geschil zijnde bedrag aan congreskosten. Het hof heeft de inspecteur in de ten aanzien van de B.V. gedane uitspraak van vandaag van dit hof in de zaak met nummer BK 20/04, alsmede in de ten aanzien van mevrouw F gedane uitspraak met nummer BK 16/04, gevolgd in zijn stelling dat belanghebbende het betwiste deel van het bij de maatschap in aftrek gebrachte bedrag van ƒ 12.090, - niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu over het daadwerkelijke bestaan van dit deel geen zekerheid is verkregen, kan naar het oordeel van het hof dit bedrag niet in de heffing worden betrokken. Ten aanzien van de correctie van ƒ 3.511, - is het gelijk aan belanghebbende.

5.4 Met betrekking tot het geschilpunt onder 3c is het hof het volgende van oordeel.

Op belanghebbende rust de bewijslast voor het bestaan en de omvang van de door hem in aftrek gebrachte onderhoudskosten aan de woning aan de a-straat .. te L. Tussen partijen is in geschil de correctie van ƒ 19.270, -, welk bedrag naar de onweersproken stelling van belanghebbende een deel van twee nota’s van J betreft, te weten één d.d. 15 september 2000 ad ƒ 14.420, - en één d.d. 29 november 2000 ad ƒ 4.850, -. Ter zitting heeft belanghebbende allerlei stukken overgelegd, waaruit betaling door middel van verrekening van voormelde bedragen zou moeten blijken. Wat hiervan ook zij, nu tussen partijen in geschil is of voormelde bedragen zien op werkzaamheden aan de woning a-straat .. en belanghebbende geen afschriften van de onderliggende nota’s van de door hem vorengenoemde bedrijven heeft overgelegd, heeft hij niet voldaan aan zijn bewijslast. Ook anderszins heeft hij hieraan niet voldaan Ter zake van de correctie van ƒ 19.270, - aan onderhoudskosten moet de inspecteur mitsdien in het gelijk worden gesteld.

5.5 Ten slotte ageert belanghebbende tegen de bij het vaststellen van de onderhavige aanslag aan hem opgelegde verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, -. Tegelijkertijd met de ambtshalve gegeven vermindering van de aanslag IB/PV 2000 d.d. 22 maart 2005 is de verzuimboete verminderd tot op ƒ 350, - (zie bijlage 18 van het verweerschrift). Op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de onderhavige verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte IB/PV opgelegd. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet heeft aangetoond dat de onderhavige aangifte te laat zou zijn ingediend, dan wel dat sprake zou zijn van opeenvolgende verzuimen. De inspecteur heeft als bijlage van zijn verweerschrift een afschrift van het geautomatiseerd systeem van de belastingdienst overgelegd (zie bijlage 19 van het verweerschrift). Daaruit valt op te maken dat aan belanghebbende met betrekking tot de aangiften IB/PV over de jaren 1994, 1995, 1996, 1997 1998, 1999 en 2000 aanmaningen zijn verstuurd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft niets aangevoerd op grond waarvan de ontvangst of aanbieding daarvan moet worden betwijfeld. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt echter niet dat er over eerdere jaren ook daadwerkelijk een boete is opgelegd (HR 13 augustus 2004, nr. 37 804, BNB 2005/41c*). Op grond hiervan en met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 21, eerste tot en met vierde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 heeft de inspecteur, naar het oordeel van het hof, de uiteindelijk ambtshalve verminderde verzuimboete ten bedrage van ƒ 350, - derhalve op een te hoog bedrag vastgesteld. Het hof zal de boete verminderen tot op een bedrag van ƒ 250, -, behorend bij een eerste verzuim. Gelet op de omstandigheid dat de vertraging in de behandeling van de boetezaak te wijten is aan voor rekening van belanghebbende komende zaken (zie hiervoor ‘ontstaan en loop van het geding’), is het hof van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

5.6 De slotsom is dat het beroep op grond van het vorenoverwogene als gegrond moet worden beoordeeld. Het hof zal de onderhavige aanslag IB/PV over 2000 verminderen naar een aanslag met een belastbaar inkomen van ƒ 89.300, -. Tevens zal het hof de verzuimboete, zoals die na ambtshalve vermindering door de inspecteur is vastgesteld op ƒ 350, -, verminderen tot op ƒ 250, -.

6. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding ter zake van het bezwaar is geen plaats bij - naar belanghebbende ter zitting heeft gesteld - ontstentenis van een in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoeld verzoek. Het hof is van oordeel dat er sprake is van twee samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In de andere zaak is vandaag eveneens uitspraak gedaan (BK 11/04). Het hof bepaalt de kosten ter zake van het beroep op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2,5 (punten per proceshandeling) x € 322, - (waarde punt) x 1 (wegingsfactor C1), totaal € 805, -, waarvan de helft, namelijk € 402,50, is toe te rekenen aan de onderhavige zaak. Deze kosten dient de Staat der Nederlanden te dragen.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog ontvankelijk;

vermindert de aanslag IB/PV 2000 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 89.300, -;

vermindert de vastgestelde verzuimboete tot op ƒ 250, -;

gelast de Staat der Nederlanden belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 31,- te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 402,50; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 23 maart 2007 door mr. G.M. van der Meer, voorzitter en raadsheer, mr. J. Huiskes, raadsheer en mr. F.J.W. Drion, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 28 maart 2007