Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA1380

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
0400289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van AO5864.

Beslaglegging op inventaris horeca-etablissementen door belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/21.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 maart 2007

Rolnummer 0400289

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Plassania Beheer B.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Plassania,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

voor wie gepleit heeft mr. R.J. van Agteren, advocaat te Amsterdam,

tegen

Ontvanger van de Belastingdienst/Noord,

mede kantoorhoudende te Emmen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr. J.A. Voerman, advocaat te Amsterdam.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 10 december 2003 en 17 maart 2004 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 juni 2004 is door Plassania hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 17 maart 2004 met dagvaarding van de Ontvanger tegen de zitting van 23 juni 2004.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Uit het voorgaande, individueel en in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit noodzakelijk voort dat het vonnis in eerste aanleg van de rechtbank te Assen dient te worden vernietigd. Uw Hof dient de vorderingen van Plassania alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding."

Bij memorie van antwoord is door de Ontvanger verweer gevoerd met als conclusie:

"tot verwerping van Plassania's grieven en, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, tot bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Plassania in de kosten van óók het hoger beroep."

Voorts heeft de Ontvanger een "akte houdende overlegging producties bij pleidooien" genomen.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten, aan welke pleitnota's beide advocaten nog nadere producties hebben gehecht.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Plassania heeft primair zeven grieven opgeworpen, subsidiair één grief en meer subsidiair zeven grieven; voorts heeft Plassania twee zogenaamde slotgrieven opgeworpen, die beide de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire grondslag van het appel betreffen.

Ten pleidooie heeft de raadsman van Plassania verklaard de primair aangevoerde grief 7 in te trekken, zodat het hof deze grief niet behoeft te behandelen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.a tot en met q) van genoemd vonnis van 17 maart 2004 is, behoudens na te melden uitzonderingen in de primair opgeworpen grieven 1 en 2, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep in zoverre van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de primair opgeworpen grieven

Grief 1

2. De grief bestrijdt in de vaststelling van de feiten onder 1.c van het bestreden vonnis dat Copaco B.V. een nevenvestiging heeft op het adres van de Oesterbar te Amsterdam. Voorts wordt aangevoerd dat het in deze niet gaat om Copaco B.V. maar om Copaco Beheer B.V.

3. Het hof zal dit bestreden feit niet als vaststaand aannemen.

4. Gegrondverklaring van deze grief kan echter niet tot toewijzing van de vordering van Plassania leiden, zodat de grief verder buiten beschouwing kan blijven.

Grief 2

5. De grief stelt aan de orde dat de rechtbank ten onrechte onder 1.g van het bestreden vonnis heeft vastgesteld dat PZL (P.Z.L. Beheer B.V.) heeft nagelaten de verschuldigde omzetbelasting af te dragen.

6. Plassania stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om een pro forma-aanslag, waartegen geen bezwaar is gemaakt door de curator van de inmiddels gefailleerde PZL en waartegen Plassania geen zelfstandige mogelijkheid van bezwaar heeft. Waar volgens Plassania de Inspecteur en de Ontvanger ook hebben nagelaten deze pro forma-aanslag nader te onderbouwen, kan er geen sprake zijn van de vastgestelde nalatigheid van PZL.

7. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat Plassania de hoogte van het door PZL verschuldigde bedrag aan omzetbelasting bestrijdt niet wegneemt dat het betreffende bij onherroepelijke aanslag vastgestelde bedrag aan omzetbelasting door PZL is verschuldigd.

8. De grief faalt.

Grieven 3 en 4

9. Grief 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen die derden bij de burgerlijke rechter kunnen instellen tegen een inbeslagneming van hun goederen op grond van artikel 22 Invorderingswet, in beginsel slechts de vraag aan de orde kunnen stellen of aan de in artikel 22, lid 3 Invorderingswet omschreven voorwaarden is voldaan.

9.1. Ter toelichting op de grief voert Plassania aan dat zogenaamde reële eigendom van derden dient te worden gerespecteerd, tenzij zich een of meer van de in de Leidraad Invorderingswet (hierna: Leidraad) genoemde uitzonderingsgevallen voordoet. Nu er volgens Plassania sprake is van reële eigendom van haar, dient te worden beoordeeld of aan alle vereisten voor het leggen van bodembeslag is voldaan en of er sprake is van in de Leidraad genoemde uitzonderingsgevallen.

10. Grief 4 stelt aan de orde dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat het geschil tussen partijen slechts de vraag betreft of de bedrijfsinventaris zich op het moment van inbeslagneming bevond op de bodem van PZL in de zin van artikel 22 Invorderingswet. Plassania stelt dat evenzeer in geding is of er een geldig bodembeslag is gelegd; Plassania refereert hierbij slechts in algemene bewoordingen aan hetgeen door haar in eerste aanleg en, naar het hof begrijpt, in hoger beroep elders in de memorie van grieven is aangevoerd.

11. Voor zover Plassania in de onderhavige procedure derdenverzet ingevolge artikel 456 Rv heeft willen instellen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het toesingskader is beperkt tot de vraag of aan de in artikel 22, lid 3 Invorderingswet omschreven voorwaarden is voldaan.

11.1. Voor zover Plassania met de onderhavige grief daarnaast een volledige toetsing van de geldigheid van het gelegde bodembeslag heeft willen bewerkstelligen, is het hof van oordeel dat de grieven 3 en 4 hiertoe onvoldoende gespecificeerd zijn. Deze meer uitgebreide toetsing zal echter aan de orde komen in het kader van de behandeling van de subsidiair en meer subsidiair aangevoerde grieven.

12. De grieven falen.

Grief 5

13. De grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet relevant is of PZL krachtens enige titel gebruik maakte van het pand aan de [adres] te [plaats].

14. Het hof stelt hierbij voorop dat ten deze het feitelijk gebruik van de op de bodem aanwezige zaken door de belastingplichtige bepalend is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van de bodem van de belastingschuldige, niet de juridische situatie. Het staat vast dat de curator ten tijde van de beslaglegging het feitelijk gebruik van deze bodem had.

15. Ten overvloede wijst het hof erop dat de curator niet zonder recht of titel beschikte over het pand aan de Peperstraat. Immers tot 14 augustus 2003 was de curator tot het gebruik van het pand, de bodem, en de daartoe behorende inventaris gerechtigd.

16. De grief faalt.

Grief 6

17. De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het verzet tegen de beslaglegging ongegrond moet worden verklaard.

18. Nu de overige primair aangevoerde grieven falen en Plassania zelf heeft aangegeven dat de grief geen zelfstandige betekenis heeft, behoeft de grief geen behandeling.

Met betrekking tot de subsidiair aangevoerde grief

19. De grief stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de regels van de Leidraad, voor zover in deze zaak van belang, geen algemeen verbindende voorschriften zijn, zodat Plassania hieraan geen rechtstreekse aanspraken jegens de Ontvanger kan ontlenen.

20. Het hof is van oordeel dat de regeling van de Leidraad recht is in de zin van artikel 79 R.O., zodat hieraan ook door de rechter kan worden getoetst. Nu Plassania de primair aangevoerde zevende grief heeft ingetrokken en uitdrukkelijk heeft aangegeven aan haar vordering (mede) ten grondslag te leggen een onrechtmatig handelen van de Ontvanger jegens haar, Plassania, zal het hof dit onderdeel van de vordering mede aan de Leidraad toetsen.

21. De grief slaagt in zoverre. Het hof zal derhalve hebben te oordelen of de handelwijze van de Ontvanger, mede gelet op het bepaalde in de Leidraad, als onrechtmatig jegens Plassania is aan te merken.

22. Plassania heeft ten eerste aangevoerd dat de ambtshalve door de inspecteur aan PZL opgelegde aanslag van euro 50.000,-- niet overeenkomt met de werkelijke belastingschuld van PZL. In verband hiermede stelt Plassania er recht op te hebben dat aan haar inzage wordt gegeven in de (werkelijke) omvang van deze belastingschuld.

23. Het hof is van oordeel, mede onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is overwogen, dat Plassania geen recht of belang heeft tegen de betreffende aanslag bezwaar te maken, zodat er in dit verband geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen van de Ontvanger jegens Plassania. Ten overvloede wijst het hof erop dat uit de stellingen van Plassania ook volgt dat de curator van PZL kennelijk geen reden heeft gezien om bezwaar te maken tegen de ambtshalve aanslag.

24. Plassania heeft ten tweede bestreden dat de in beslag genomen zaken zich ten tijde van de beslaglegging op 23 juli 2003 op de bodem van de belastingschuldige PZL bevonden. Plassania heeft hiertoe aangevoerd dat de pachtovereenkomst tussen haar en Copaco Beheer B.V. (hierna te noemen: Copaco) per 30 juni 2003 is geëindigd. Copaco heeft de (onder)pachtovereenkomst met PZL opgezegd per brief van 25 juni 2003 (productie 5A bij memorie van grieven) "op een zo kort mogelijke termijn". Plassania stelt zich op het standpunt dat de curator toen al geen titel meer had voor zijn aanwezigheid in het pand aan de [adres] te [plaats] en evenmin een belang om niet te ontruimen. Het gevolg hiervan is volgens Plassania dat de curator ten tijde van de beslaglegging zonder titel de feitelijke macht over de "bodem" uitoefende.

25. Dit bezwaar van Plassania treft geen doel op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de primair aangevoerde grief 5. Voorts staat niet ter discussie dat de inventaris van de pizzeria aan PZL ter beschikking was gesteld voor het gebruik op de bodem. Het hof gaat ook voorbij aan de stellingen van Plassania dat de curator ten onrechte het feitelijk gebruik van de "bodem" heeft voortgezet, nu dit - veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stelling uitgaande - geen onrechtmatig handelen van de Ontvanger jegens Plassania oplevert. Voor zover Plassania in dit verband heeft geconcludeerd dat er sprake is geweest van samenspanning van de Ontvanger met de curator, is het hof van oordeel dat Plassania haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. In dit verband komt het hof aan het bewijsaanbod van Plassania niet toe.

26. Ten derde heeft Plassania aangevoerd dat de in beslag genomen zaken niet dienden "ter stoffering" van de bodem. Volgens Plassania diende de inventaris van de pizzeria ten tijde van de beslaglegging niet langer "ter stoffering", omdat de zaken na het faillissement van PZL, nu de curator het bedrijf niet had voortgezet, niet meer voor gebruik van de bodem werden gebruikt.

27. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat na het faillissement van PZL ten tijde van de beslaglegging de inventaris van de pizzeria niet meer daadwerkelijk op de bodem werd gebruikt door de belastingplichtige PZL er niet aan afdoet dat de zaken nog steeds "ter stoffering" dienden. Hierbij speelt een belangrijke rol dat met de aan PZL ter beschikking gestelde inventaris op de "bodem" de pizzeria is geëxploiteerd.

28. Tenslotte stelt Plassania dat er sprake was van reële eigendom van de inventaris en dat geen van de in artikel 22 par. 5 lid 4 van de Leidraad genoemde uitzonderingssituaties zich voordoet op grond waarvan een reële eigendom niet behoeft te worden gerespecteerd.

29. De Ontvanger erkent dat er sprake is van reële eigendom van Plassania. In verband hiermede beroept de Ontvanger zich erop dat er van de kant van Plassania zowel sprake is van de in artikel 22 par. 5 lid 4 van de Leidraad genoemde uitzonderingen "bedrijfsinmenging" en "afnamebeding", zodat het hof hierover heeft te oordelen. Het hof kan derhalve voorbijgaan aan hetgeen door Plassania is gesteld omtrent de als samenspanning in de Leidraad aangeduide uitzondering.

30. Plassania erkent dat er in de pachtovereenkomst tussen Plassania en Copaco een afnamebeding is opgenomen, dat is overgenomen in de pachtovereenkomst tussen Copaco en PZL. In verband hiermede voert Plassania aan dat zij geen rechtstreekse overeenkomst had met PZL en dus geen afnameverplichting met PZL is overeengekomen. Voorts stelt Plassania dat het afnamebeding niet ten behoeve van haar is overeengekomen, maar ten behoeve van brouwerij Interbrew.

31. Het verweer van Plassania dat het afnamebeding (alleen) ten behoeve van brouwerij Interbrew is overeengekomen, gaat reeds daarom niet op, omdat vaststaat op grond van een tijdens het pleidooi namens Plassania gedane erkenning dat Plassania profiteert van een met Interbrew afgesproken hectoliterkorting ten behoeve van alle door haar verpachte horecabedrijven.

32. Ook het verweer dat er niet rechtstreeks een afnamebeding tussen Plassania en PZL was overeengekomen kan Plassania niet baten. Plassania had immers door dit afnamebeding invloed op de bedrijfsuitoefening van PZL. Copaco vervulde slechts een tussenrol door het tussen Plassania en Copaca overeengekomen afnamebeding - zoals Plassania zelf stelt in de memorie van grieven onder 10.8 - "vanzelf sprekend" door te leiden naar PZL. PZL had voorts ook de beschikking over de bedrijfsinventaris van de pizzeria, die Plassania - eveneens middels Copaco - aan PZL ter beschikking had gesteld.

33. Het hof is derhalve van oordeel dat op grond van het afnamebeding de Ontvanger de reële eigendom van de inventaris bij het leggen van het bodembeslag niet behoefde te respecteren. Het hof kan derhalve voorbijgaan aan hetgeen overigens door partijen is aangevoerd omtrent de bedrijfsinmenging door Plassania.

34. Voor zover de subsidiair aangevoerde grief derhalve slaagt, baat dit Plassania niet.

Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grieven

Grief 1

35. Plassania voert aan dat zij op de letterlijke tekst van de Leidraad heeft mogen vertrouwen. Op grond hiervan concludeert Plassania dat het gerechtvaardigd was dat de Belastingdienst zou handelen volgens haar lezing van de Leidraad. Plassania bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat aan haar slechts met succes een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, indien zij concreet navraag bij de Belastingdienst zou hebben gedaan.

36. Het hof gaat aan deze grief voorbij, nu het de bestreden overweging van de rechtbank niet overneemt als dragend voor het hierna te geven oordeel in het onderhavige arrest dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bekrachtigd.

37. De grief treft geen doel.

Grieven 2 en 5

38. De grieven bestrijden het oordeel van de rechtbank dat de stellingen van de Belastingdienst over specifieke bemoeienissen van [belanghebbende] met onder Plassania ressorterende horecabedrijven niet zijn weersproken.

39. De grieven hebben in het licht van hetgeen is overwogen bij de behandeling van de subsidiair aangevoerde grief geen betekenis en kunnen verder onbesproken blijven.

Grief 3

40. De grief stelt aan de orde dat de rechtbank ten onrechte uit "perspublicaties" feiten van algemene bekendheid heeft afgeleid, die zij aan haar overwegingen ten grondslag heeft gelegd.

41. Het hof legt deze feiten niet aan zijn hierna uit te spreken bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank ten grondslag, zodat het hof aan de grief voorbij kan gaan.

Grief 4

42. De grief stelt aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er sprake is van een onder regie van [belanghebbende] (en dus van Plassania) uitgevoerde verhaalsonttrekkende beweging jegens de Ontvanger.

43. Het hof passeert de grief. Wat er immers zij van de overweging van de rechtbank, deze is voor de beslissing van het geschil niet relevant geweest, aangezien er immers geen samenspanning tussen [belanghebbende] en Plassania aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag is gelegd.

Grief 6

44. De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het bij de toepassing van de Leidraad niet van belang is of op de datum van beslaglegging er nog sprake is van een afnamebeding of van bedrijfsinmenging.

45. Het hof is van oordeel dat het er bij de toepassing van de Leidraad niet toe doet of ten tijde van de beslaglegging het bedrijf inmiddels is stilgelegd, zoals is gebeurd bij de door PZL uitgeoefende pizzeria. Het gaat er immers om of er voorafgaande aan de beslaglegging een afnamebeding of bedrijfsinmenging is geweest. Dat zulks het geval is geweest ten aanzien van het afnamebeding is door het hof hiervoor onder 31 tot en met 33 beslist.

46. De grief faalt.

Grief 7

47. Nu de overige meer subsidiair aangevoerde grieven falen en Plassania zelf heeft aangegeven dat deze grief 7 geen zelfstandige betekenis heeft, behoeft de grief geen behandeling.

Met betrekking tot de slotgrieven

48. Nu de overige grieven falen en Plassania zelf heeft aangegeven dat de grieven geen zelfstandige betekenis hebben, behoeven deze grieven geen behandeling.

Algemeen bewijsaanbod

49. Het hof komt niet toe aan het in de memorie van grieven onder 1.2 gedane - overigens slechts algemene - bewijsaanbod.

De slotsom.

50. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met verbetering en aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen. Plassania zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt onder verbetering en aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Plassania in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de Ontvanger tot aan deze uitspraak op euro 288,-- aan verschotten en euro 2.682,-- aan salaris voor de procureur.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Keur en Voorink, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 maart 2007.