Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0594

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
BK 55/06 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 06/00055

Uitspraakdatum: 9 maart 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X

wonende te Z, belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak WOZ 05/1280 van de rechtbank Assen van 8 mei 2006 in het geding tussen

de belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Coevorden,

de heffingsambtenaar

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ) heeft de heffingsambtenaar bij beschikking van 28 februari 2005 de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld op € 304.984,--. De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. De waardepeildatum is 1 januari 2003.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 18 oktober 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2006, verzonden op 8 mei 2006, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft tevens gelast dat de gemeente Coevorden het gestorte griffierecht van € 37,-- aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlage) van 12 juni 2006, bij het hof ingekomen op 13 juni 2006.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007.

Aldaar zijn verschenen de belanghebbende en de heffingsambtenaar, de heer A. De belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning, bouwjaar 1992, met een aangebouwde garage. De kaveloppervlakte bedraagt 728 m². De woning is niet voorzien van een dakkapel. Evenmin is een berging aanwezig.

Grenzend aan de voor de woning gelegen siertuin, ligt een schouwsloot. Deze sloot veroorzaakt bij hevige regenval een vieze rioollucht.

2.2 Bij de onder 1 vermelde beschikking is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op

€ 304.984,--. Bij deze waardevaststelling is onder andere rekening gehouden met de aanwezigheid van een dakkapel en een berging. Voormelde waarde is bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld, welke vraag de belanghebbende bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt.

3.2 De belanghebbende is van mening dat de waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld omdat daarbij ten onrechte rekening is gehouden met de aanwezigheid van een dakkapel en berging. Tevens wijst hij op de aanwezigheid van de onder 2.2 vermelde schouwsloot en is hij van mening dat er te gemakkelijk voorbijgegaan is aan het door hem overgelegde taxatierapport van 20 oktober 2003 met een waardevaststelling van € 260.000,--. Belanghebbende staat een waarde voor van € 262.904,--, zijnde het bedrag dat zou zijn vastgesteld door een gecertificeerd WOZ-taxateur van B te L (hierna: B).

Ook stelt de belanghebbende zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar niet rechtsgeldig is genomen omdat deze slechts is voorzien van een handtekeningstempel.

3.3 De heffingsambtenaar acht de uitspraak van de rechtbank juist. De onjuistheid met betrekking tot de dakkapel en de berging kan, gelet op artikel 26a van de WOZ, niet tot een lagere waarde leiden. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar daar nog aan toegevoegd dat er bij de vaststelling van de waarde ongetwijfeld rekening is gehouden met de aanwezigheid van de schouwsloot wanneer deze een waardedrukkend effect heeft. Tevens heeft hij desgevraagd meegedeeld dat hij als heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hij ziet alle conceptuitspraken en accordeert deze uitspraken mondeling bij de afgifte voor verdere verwerking. Het gebruik van een handtekeningstempel is zijns inziens toegestaan.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben beide partijen daar desgevraagd aan toegevoegd dat de waarde van woningen in de onderhavige gemeente in de periode van 1 januari 2003 tot 20 oktober 2003 in ieder geval niet is gedaald.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op hetgeen de heffingsambtenaar naar voren heeft gebracht over de wijze waarop de uitspraak op bezwaar tot stand is gekomen, zoals kort verwoord onder 3.3, en aan welke verklaring het hof geloof hecht, is er sprake van een rechtsgeldig besluit. Gelijk de rechtbank reeds heeft overwogen is het daarbij aan de heffingsambtenaar om erop toe te zien dat door het gebruik van zijn handtekeningstempel geen afbreuk wordt gedaan aan de garantie welke zijn handtekening bedoelt te bieden. Deze grief van belanghebbende kan derhalve niet slagen.

4.2 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 2003 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (hierna: de waarde in het economische verkeer).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, kan de in artikel 17, tweede lid, van de WOZ bedoelde waarde voor woningen onder meer worden bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (hierna: de referentieobjecten).

4.3 Bij betwisting van de vastgestelde waarde rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 2003 - met inachtneming van de WOZ - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar een taxatieverslag van 10 januari 2006, opgemaakt door C, gecertificeerd WOZ-taxateur. Het taxatieverslag bevat matrices van de onroerende zaak en drie referentieobjecten, alsmede een opsomming van uitgangspunten. De taxateur concludeert in het verslag tot een waarde van € 304.984,--. Bij deze waardebepaling heeft de taxateur onder andere rekening gehouden met de aanwezigheid van een dakkapel en berging. Uit het verslag kan niet worden opgemaakt of rekening is gehouden met (een eventueel waardedrukkend effect van) de schouwsloot.

4.4 De belanghebbende heeft zich ter staving van zijn standpunt beroepen op een taxatieverslag van B en een taxatierapport van D van 20 oktober 2003. In het tot de gedingstukken behorende taxatieverslag van B staat geen conclusie ten aanzien van de waarde vermeld, zodat het hof aan dit verslag voorbij gaat. Het taxatierapport van D concludeert op 20 oktober 2003 tot een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 260.000,--. Uit de onderbouwing van het waardeoordeel blijkt dat de waardering mede is gebaseerd op objectvergelijking. Er worden echter geen referentieobjecten genoemd. Ook in dit rapport wordt geen melding gemaakt van de schouwsloot.

4.5 Het hof ziet in de omstandigheid dat het door belanghebbende overgelegde taxatierapport is opgemaakt ten behoeve van een financiering en dat bij dat rapport geen gegevens van referentieobjecten zijn gevoegd, onvoldoende aanleiding om aan het in dat rapport neergelegde waardeoordeel minder gewicht toe te kennen dan aan het waardeoordeel van taxateur C.

Dit geldt temeer nu taxateur C bij zijn waardebepaling ten onrechte rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van een dakkapel en een berging en zijn verslag weinig specifiek is. Nu partijen ter zitting hebben verklaard dat de waarde van woningen in de onderhavige gemeente tussen de waardepeildatum van 1 januari 2003 en de datum van het taxatierapport van 20 oktober 2003 in ieder geval niet is gedaald, is het hof van oordeel dat de heffingsambtenaar, gelet op al het vorenoverwogene in onderling verband en samenhang bezien, er onvoldoende in is geslaagd de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken.

Ook de belanghebbende maakt, met het door hem overgelegde taxatierapport en gelet op de door de heffingsambtenaar aangedragen referentieobjecten, de door hem voorgestane waarde onvoldoende waar. Zijn rekenkundige exercitie leidt niet tot een ander oordeel omdat de waardevaststelling meer omvat dan een beoordeling op juistheid van de afzonderlijke elementen.

Gelet op de onder 4.2 vermelde wijze van waardebepaling is de vorige waardevaststelling en de gemiddelde prijsstijging niet relevant.

4.6 Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en in het bijzonder het door hen overgelegde taxatierapport/taxatieverslag, vermindert het hof de vastgestelde waarde in goede justitie tot € 285.000,--. Aan toepassing van artikel 26a van de WOZ komt het hof alsdan niet toe.

4.7 De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof bepaalt deze kosten op € 75,-- aan reiskosten in beroep en hoger beroep. Voor toekenning van kosten van B ten tijde van de bezwaarfase is geen plaats omdat belanghebbende in de bezwaarfase geen verzoek om vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2 en 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gedaan.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar;

vermindert de waarde van de onroerende zaak tot op een bedrag van € 285.000,--;

gelast de gemeente Coevorden aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- te vergoeden;

veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van

€ 75,-- en

wijst de de gemeente Coevorden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 9 maart 2007 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 14 maart 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.