Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0468

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
0500314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De erflater (of diens erven) was (waren) geen partij in het geding in reconventie zodat het vonnis in reconventie niet ten verzoeke of ten laste van de erflater (of van diens erven) is gewezen. Op grond van het bepaalde in art. 332 lid 1 Rv staat de erven derhalve niet het rechtsmiddel van hoger beroep van dat (reconventionele) vonnis ter beschikking. Voor zover de erven met het onderhavige appel mochten beogen ook voor zichzelf de door appellanten 1 en 2 in eerste aanleg ingestelde reconventionele vordering alsnog aan het hof voor te leggen, dan zien zij daarbij over het hoofd dat op grond van het bepaalde in art. 353 lid 1 Rv in hoger beroep geen eis in reconventie kan worden ingesteld. De conclusie moet dan ook luiden dat de erven niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 maart 2007

Rolnummer 0500314

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats appellant 2],

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke

reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 1 en 2],

3. de erfgenamen van [de erflater], te weten:

[erfgenaam 1], wonende te [woonplaats erfgenaam 1] (Frankrijk), en

[erfgenaam 2], wonende te [woonplaats erfgenaam 2],

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, niet verschenen,

hierna gezamenlijk te noemen: de erven,

appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,

procureur: mr. O.C. Struif,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Stehouwer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op respectievelijk 14 juli 2004 en 9 maart 2005 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 juni 2005 hebben [appellanten 1 en 2] en de erven hoger beroep ingesteld van laatstgenoemd vonnis d.d. 9 maart 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 juni 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. het vonnis van de rechtbank Groningen op 9 maart 2005 tussen partijen gewezen met zaaknummer 70304 HA ZA 04-151 te vernietigen en opnieuw rechtdoende geïntimeerde alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans deze vorderingen aan geïntimeerde te ontzeggen.

2. de erfdienstbaarheid c.q. het recht van weg, welke is gevestigd ten laste van het perceel kadastraal bekend, gemeente Marum, sectie B, nr. 3214, ten behoeve van het perceel kadastraal bekend, gemeente Marum, sectie B, nr. 2063 op te heffen.

3. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van deze procedure."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"In het principaal appèl

Dat het het gerechtshof behage, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Groningen d.d. 9 maart 2005, eventueel met verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van appellanten in de kosten van deze procedure.

In het incidenteel appèl

Geïntimeerden in het incidenteel appèl alsnog te veroordelen in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van deze procedure."

[appellanten 1 en 2] en de erven hebben in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"Dat het uw Gerechtshof behage het vonnis van de rechtbank Groningen van 9 maart 2005 wat betreft de kostenveroordeling van het voorlopig getuigenverhoor, eventueel met verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten van deze procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten 1 en 2] en de erven hebben in het principaal appel één grief opgeworpen, terwijl door [geïntimeerde] in het incidenteel appel ook één grief is voorgesteld.

De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

1. Nu de weergave door de rechtbank van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (a t/m e) in het vonnis waarvan beroep noch door grieven noch anderszins is bestreden, zal ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

Voorts in het principaal appel

2. Vooropgesteld dient te worden dat [appellanten 1 en 2] geen grief hebben gericht tegen het vonnis van de rechtbank, voor zover in conventie gewezen. In zoverre zullen [appellanten 1 en 2] dan ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in het hoger beroep.

3. Uit de toelichting op de grief blijkt dat [appellanten 1 en 2] zich neerleggen bij het oordeel van de rechtbank dat zij, [appellanten 1 en 2], eigenaar noch beperkt zakelijk gerechtigde zijn en om die reden niet-ontvankelijk zijn in hun reconventionele vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid, hetgeen heeft geleid tot afwijzing van die vordering. [appellanten 1 en 2] ontberen derhalve belang bij de grief, zodat deze wat hen betreft faalt.

4. [de erflater] (of diens erven) was (waren) geen partij in het geding in reconventie zodat het vonnis in reconventie niet ten verzoeke of ten laste van [de erflater] (of van diens erven) is gewezen. Op grond van het bepaalde in art. 332 lid 1 Rv staat de erven derhalve niet het rechtsmiddel van hoger beroep van dat (reconventionele) vonnis ter beschikking. Voor zover de erven met het onderhavige appel mochten beogen ook voor zichzelf de door [appellanten 1 en 2] in eerste aanleg ingestelde reconventionele vordering alsnog aan het hof voor te leggen, dan zien zij daarbij over het hoofd dat op grond van het bepaalde in art. 353 lid 1 Rv in hoger beroep geen eis in reconventie kan worden ingesteld.

De conclusie moet dan ook luiden dat de erven niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

Voorts in het incidenteel appel

5. De grief in het incidenteel appel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de kosten van het aan dit geschil voorafgegane voorlopig getuigenverhoor voor rekening van [geïntimeerde] dienen te komen.

6. Uit het beroepen vonnis moet worden afgeleid dat het voorlopig getuigenverhoor niet heeft bijgedragen tot de beslissing van de rechtbank en deze terecht geen opdracht heeft gegeven tot bewijslevering als door [geïntimeerde] kennelijk werd beoogd.

Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] zelf de kosten van het voorlopig getuigenverhoor dient te dragen.

7. De grief faalt.

Slotsom

In het principaal en het incidenteel appel

8. De erven zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep.

De door [appellanten 1 en 2] in het principaal appel opgeworpen grief en de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel falen. Om die reden zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

In de omstandigheid dat [appellanten 1 en 2] en de erven in het principaal appel en [geïntimeerde] in het incidenteel appel in het ongelijk worden gesteld, ziet het hof aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en het incidenteel appel

verklaart de erven niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

bekrachtigt het zowel in conventie als in reconventie gewezen vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat partijen ieder met de eigen kosten belast blijven.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, De Bock en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw G.A. Haites-Verbeek als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 maart 2007.