Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0271

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
WAHV 06-01297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene heeft in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd financieel niet in staat te zijn om zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie. Vervolgens heeft de kantonrechter de betrokkene uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. De betrokkene is ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft ter zitting het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. De kantonrechter heeft hiertoe onder meer overwogen dat de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de zekerheidstelling niet kan betalen. Nu de betrokkene tevoren niet is gewezen op het feit dat hij ter zitting zou worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht en de kantonrechter niet heeft vastgesteld dat de door de betrokkene te stellen hoogte van zekerheid in de gegeven omstandigheden redelijk was, had naar het oordeel van het hof de kantonrechter de betrokkene alsnog in de gelegenheid moeten stellen het door de kantonrechter verlangde inzicht in betrokkenes financiële situatie te verschaffen, waarna de kantonrechter - zonodig - aan de betrokkene een nadere termijn had moeten gunnen waarbinnen de betrokkene alsnog het door de kantonrechter vastgestelde bedrag aan zekerheid had kunnen stellen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/22
Jwr 2007/33 met annotatie van JvdH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/01297

26 februari 2007

CJIB 49091288634

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 21 september 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie van € 130,- en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene heeft, zowel in de procedure bij de kantonrechter als in hoger beroep, gesteld dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt om aan de verplichting tot het stellen van zekerheid te voldoen.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een zodanige belemmering geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van € 70,- of minder is verlangd.

3.4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.5. Indien een betrokkene binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

3.6. Bij brief van 10 augustus 2006 is de betrokkene uitgenodigd om ter zitting van de kantonrechter te verschijnen. In deze brief is echter niet aan de betrokkene medegedeeld dat hij op voornoemde zitting zal worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht, noch is medegedeeld dat hij ter zitting - al dan niet aan de hand van stukken zoals bijvoorbeeld een verklaring omtrent inkomen en vermogen - inzicht dient te geven in zijn financiële situatie.

3.7. De betrokkene is ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft ter zitting het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. De kantonrechter heeft hiertoe onder meer overwogen dat de betrokkene niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij de zekerheid niet kan betalen.

3.8. Nu de betrokkene tevoren niet is gewezen op het feit dat hij ter zitting zou worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht en de kantonrechter niet heeft vastgesteld dat de door de betrokkene te stellen hoogte van zekerheid in de gegeven omstandigheden redelijk was, had naar het oordeel van het hof de kantonrechter in het onderhavige geval de betrokkene alsnog in de gelegenheid moeten stellen het door de kantonrechter verlangde inzicht in betrokkenes financiële situatie te verschaffen, waarna de kantonrechter - zonodig - aan de betrokkene een nadere termijn had moeten gunnen waarbinnen de betrokkene alsnog het door de kantonrechter vastgestelde bedrag aan zekerheid had kunnen stellen.

3.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

3.10. Nu het hof de zaak terugwijst naar de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage zal het hof de zaak niet ter zitting behandelen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank

's-Gravenhage ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.